Parsja 08 Wajera (en –G’d- verscheen) Bereesjiet/Genesis 18:1 – 22:24 30 oktober ’04 / 15 chesjwan ’65

Er komen drie mannen op bezoek bij Araham en Sara –het blijken Engelen, boodschappers van G’d te zijn. Ze vertellen dat Sara binnen een jaar een zoon zal baren, waarover zij lacht. G’d vertelt Awraham dat Hij Sedom en Amorra zal vernietigen; Awraham houdt een pleidooi voor de steden. Zij zouden gespaard blijven als er –tenslotte- slechts tien rechtvaardigen wonen. Maar zelfs dat is niet het geval. Lot en zijn gezin die in Sedom wonen, worden met krachtige hand door Engelen gered voordat de verwoesting neerdaalt. Ondanks het verbod óm te kijken doet de vrouw van Lot dat wel en verandert in een zoutpilaar. Lots dochters vrezen dat de mensheid uitgestorven is en verleiden hun dronken vader. De ene zoon heet Moav en de andere Ammon. Op de aangekondigde tijd wordt Jitschak geboren. Hij wordt gespeend. Sara ergert zich aan Jisjmaeel en verzoekt Awraham Hagar en Jisjmaeel de woestijn in te sturen. G’d beveelt hem naar Sara te luisteren. G’d zal Jisjmaeel ook tot een groot volk maken. Hagar en Jisjmaeel komen bijna om van de dorst maar door een wonder worden ze gered. Als ultieme test draagt G’d Awraham op zijn zoon Jitschak te offeren. Awraham trekt naar de berg die G’d hem toont en Awraham heft al het mes als een Engel hem zegt zijn zoon niets te doen. G’d beloont hem door hem overvloedig te zegenen omdat hij hem zelfs zijn zoon niet heeft onthouden.

Wajera is de 4e sidra van 12 in Bereesjiet.

Koheen 1e alija, 18:1-14. Drie Engelen verschijnen. G’d belooft Awraham een zoon. Sara ontkent, dat ze gelachen heeft. Nadat G’d Awraham opgedragen had om zich te besnijden, ging hij naar zijn leerlingen Aneer, Esjkol en Mamré om hen te raadplegen over dit gebod. Hij wist niet of hij de briet-mila privé of in het openbaar moest uitvoeren. Aneer antwoordde, dat hij in het geheim moest besnijden, omdat hij anders wellicht zou worden aangevallen door zijn vijanden, de koningen die Awraham eerder verslagen had. Esjkol adviseerde, dat Awraham zich niet moest besnijden omdat dat gevaarlijk was op zijn oude dag en hij misschien zoveel bloed zou verliezen, dat hij het niet zou overleven. Mamré zei echter, dat hij de briet-mila duidelijk voor het publieke voetlicht moest vervullen, omdat G’d hem zou helpen. Deze Midrasj is zeer actueel.Ook tegenwoordig ontmoeten wij deze opvattingen. Sommigen claimen, zoals Aneer, dat wij maar een klein volk zijn en dat het beter is om al die verschillen tussen ons en andere volken op te heffen en ons te assimileren. Alleen dan kunnen we in vrede en rust met de rest van de wereldbevolking leven. Anderen stellen dat onze religie geen invloed heeft op de omgeving omdat hij te ouderwets is en dat het beter zou zijn om onze religie aan te passen aan de heersende opvattingen zodat we meer aansluiting zouden kunnen vinden bij, en invloed zouden kunnen uitoefenen op onze medemensen. Maar een derde groep stelt dat we nergens bang voor moeten zijn en gewoon onze mitswot (geboden) moeten vervullen zoals de Tora ons dat heeft opgedragen. Dit moet in het openbaar gebeuren. Alleen dan zal men ons accepteren zoals we zijn. Awraham koos de weg van Mamré en heeft de Briet-mila openbaar gemaakt. G’d openbaarde zich daarna in de vlakte van Mamré om duidelijk te maken dat dit de juiste weg was. De mitswa van Mila (besnijdenis) als een duidelijk zichtbaar teken van het verbond aan ons lichaam geeft aan dat het niet juist is, dat wij ons jodendom verbergen. Alleen door trots te zijn, trekken wij mensen aan.

Levi 2e alija, 18:15-33. Awraham hoort van de a.s. vernietiging van Sedom en dawwent (bidt) vurig, dat dit niet zal geschieden. Sedom werd vernietigd door het totale gebrek aan medemenselijkheid. De Lubawitscher Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneursohn, wijst hierbij op het feit, dat gebrek aan medemenselijkheid niet als zonde voorkomt op de lijst van de zeven Noachidische geboden. De vraag is dan waarom de bewoners van Sedom niettemin zo zwaar gestraft werden. Hij antwoordt, dat het opbouwen van een rechtvaardige en medemenselijke maatschappij de hele strekking is van de Noachidische geboden (jisjoew ha’olam). De inwoners van Sedom zondigden niet zozeer tegen een specifiek, duidelijk omschreven voorschrift maar tegen de hele bedoeling van de Noachidische wetgeving! Hun a-sociale instelling uitte zich onder andere in het feit, dat gastvrijheid bestraft werd met de dood.

3e alija, 19:1-20. De mensen van Sedom omsingelen Lots huis en dreigen de bezoekers te misbruiken. Lot biedt zijn dochters aan om zijn gasten te beschermen. Sedom wordt verwoest en Lot gered.
Het was Pesach avond en Lot bakte matsot voor zijn gasten. De vrouw van Lot, Iris, was niet zo blij met de gasten en zei tegen haar man: “Je brengt ons hele huis in gevaar. Verdeel het huis tussen ons zodat je de gasten in jouw gedeelte van woning kunt ontvangen.” Normaliter serveerde de vrouw van Lot gasten zoutloos voedsel. Maar Lot zei haar nu wat zout in het eten te doen. “We hebben geen zout in huis”, schreeuwde zijn vrouw. Ze ging naar de buren om zout te lenen, waarbij zij zich terloops liet ontvallen, dat er gasten waren. De gasten waren verraden. De buurt verdrong zich bij de voordeur om ontucht te plegen met de vreemde mannen. Lot weigerde de gasten uit te leveren. In plaats daarvan zei hij:“Ik heb nog twee ongetrouwde dochters, laten wij die naar buiten brengen voor jullie en doe met hen maar wat goed is in jullie ogen. Laat mijn gasten met rust nu ze bij mij onderdak hebben gevonden.” G’d was boos op Lot:”Normaliter verdedigt een man zijn vrouw en zijn kinderen. Jij echter bent bereid je dochters te laten misbruiken. Ik zweer je ‘hou ze maar voor je zelf’. Uiteindelijk zullen alle mensen weten dat jij kinderen hebt gekregen van je eigen dochters, Ammon en Moav!”.

4e alija, 19:21-21:4. Lot wordt verleid. Sara wordt geschaakt door Awimelech, koning van Gerar. Jitschak wordt geboren. Awraham zei over zijn vrouw Sara dat zij zijn zuster was. Awimelech, de Filistijnse koning van Gerar, liet Sara toen halen. G’d verscheen daarop aan Awimelech in een nachtelijke droom en zei hem: “Zie, je zult sterven vanwege de vrouw die u geschaakt heeft, terwijl zij gehuwd is met een man”. Awimelech claimde, dat hij totaal onschuldig was: “Heeft hij mij niet gezegd: zij is mijn zuster? En ook zij heeft mij gezegd dat hij haar broer is. In de onschuld van mijn hart en met reinheid van mijn handen heb ik dit gedaan”.
Als we de Tora-tekst zo lezen, lijkt Awimelech van G’d gelijk te krijgen. Maar was hij werkelijk zo onschuldig? In de Talmoed (B.T. Makkot 9a) onspint zich een discussie over de vraag of iemand inderdaad onschuldig is wanneer hij denkt dat hij iets doet wat toegestaan is. De discussie spitst zich toe op iemand die op een dier schiet maar het blijkt een mens te zijn of iemand die met een ogenschijnlijk ongehuwde vrouw leeft, die getrouwd blijkt te zijn. Had de dader beter moeten onderzoeken?
Rawa verklaart schuldig. De dader had beter moeten opletten. Het is bijna alsof hij expres handelt. Rav Chisda pleit de dader vrij: hij handelt in overmacht en is niet verantwoordelijk voor wat er gebeurt. De Talmoed citeert: G’d verschijnt aan Awimelech en vertelt hem dat hij zou sterven vanwege de schaking (20:3). Dus was hij schuldig gelijk Rawa stelt. Nee, zegt de Talmoed, deze schaking is alleen een zonde tussen mens en G’d. Geen aards vergrijp waarvoor je door een rechtbank veroordeeld kan worden. Dit zegt G’d tegen Awimelech: “Ik heb je ervan weerhouden tegen Mij te zondigen” (20:6). Awimelech had alleen tegen G’d gezondigd maar geen strafbaar feit gepleegd. De Talmoed zegt dat dit toch niet klopt. Ook bij Joseef staat geschreven dat hij niet tegen G’d wilde zondigen, toen hij verleid werd door Soelaika:“en ik zou zondigen tegenover G’d”. Joseef wist dat zij met zijn baas Potifar getrouwd was. Dus is de uitdrukking “tegen G’d zondigen” geen vrijstelling van veroordeling door een aardse rechter.
Daarna komt Awimelech nogmaals aan het woord: “Wilt U, G’d, mij laten sterven hoewel ik rechtvaardig ben?” (20:4). Had Awimelech gelijk? Nee, want G’d antwoordde hem:”Geef de getrouwde vrouw terug want hij is een profeet”. De Talmoed vraagt verwonderd af: “Moet men dan alleen een vrouw van een profeet teruggeven maar een gewone getrouwde vrouw niet? Dit kan niet het geval zijn! G’d gaf Awimelech eigenlijk twee antwoorden:”Geef de getrouwde vrouw terug omdat het huwelijk heilig is. Tevens ben je niet geheel onschuldig. Awraham is een profeet en begreep uit je eigen woorden wat voor een vlees hij in de kuip had. Awraham was bang gedood te worden vanwege Sara”. Awraham leidde dit af uit een subtiele `slip of the tongue’ bij de Filistijnen:”Wanneer een gast ergens arriveert, wordt hem gevraagd of hij genoeg te eten en drinken heeft. Maar men vraagt hem niet direct:“Is dit je vrouw of je zuster”. De Filistijnen vroegen alleen naar zijn relatie tot Sara. Toen begon bij Awraham de bel te rinkelen.
Wat de Talmoed in feite wil zeggen, is dat Awimelech misschien volgens de letter van de wet wel voldoende geïnformeerd had maar toch niet heeft geleefd naar de geest van de wet. Preoccupatie met deze knappe Aartsmoeder gaf Awraham te denken. Kennelijk vond hij voldoende aanleiding om te vrezen voor zijn leven. Daarom deed hij het voorkomen alsof Sara zijn zuster was. Nachmanides (13e eeuw) verwijt Awraham zijn vrouw te hebben prijsgegeven maar dat is volgens Rasjie (11e eeuw) toch niet zo. Ze hadden samen afgesproken dat Awraham de broer van Sara zou zijn maar dat het zou heten, dat Sara getrouwd was met iemand anders waar ze nu naar op zoek waren in het land van de Filistijnen. Awraham wilde zijn vege lijf niet redden ten koste van Sara. Hij wilde ook haar beschermen. Anders was hij nooit Aartsvader geworden.

5e alija, 21:5-21. Jitschak wordt besneden. Awraham verdrijft Hagar en Jisjmaeel, die door een wonder gered worden in de woestijn.

6e alija, 21:22-32. Awimelech en zijn generaal Pichol sluiten een pact met Awraham. Awraham plant een Esjel=herberg in Be’er Sjewa.

7e alija, 22:1-24. Jitschak wordt op het altaar gebonden maar op het laatste nippertje niet geslacht.
Op de beginwoorden van de Akeda (de offerande van Jitschak): “Het was na deze zaken, dat G’d Awraham op de proef stelde” verklaart Rabbi Ja’akov Zwi Mecklenburg (19e eeuw), dat “op de proef stellen” ook kan worden vertaald als “G’d maakte Awraham tot voorbeeld”. Maimonides suggereert, dat G’d met de Akeda aan de wereld wilde tonen wie Awraham was. Maar Rav Mecklenburg stelt, dat G’d met de Akeda aan ons wilde tonen wie wij zijn. Awraham is onze voorvader, wij zijn zijn kinderen. Iedereen van zijn afstammelingen heeft de mogelijkheid te bereiken, wat Awraham bereikte. Awraham liet zich niet beïnvloeden door zijn omgeving. Alleen bij de tiende beproeving staan de woorden: “G’d testte Awraham”. Maar wat was dan de status van de negen eerdere beproevingen van Awraham?
Wellicht luidt het antwoord hier, dat Awraham als ouder op de proef werd gesteld. In de Akeda staat drie keer het woordje ‘tezamen’. In 22:6 staat: “Hierop nam Awraham het brandofferhout en legde dit op Jitschak, zijn zoon, en nam het vuur in zijn hand en het mes en zij gingen beiden tezamen. Awraham wist dat hij zijn zoon ging slachten maar ging de Akeda even rustig en opgewekt tegemoet als de niets vermoedende Jitschak. Toch gingen zij samen. In zin 7 zegt Jitschak tot Awraham: “Zie daar zijn het vuur en het hout, maar waar is het lam tot brandoffer?” Awraham antwoordde:“G’d zal Zich een lam voorzien tot brandoffer, mijn zoon. En zij gingen beiden tezamen”. Rasjie legt uit, dat als G’d hem geen lam zou uitkiezen, zijn zoon tot brandoffer bestemd was. Jitschak bevroedde reeds, dat hij wellicht als offer zou fungeren. Desondanks bleef Jitschak opgewekt op deze missie. In zin 19 “keerde Awraham terug naar zijn knechten en maakten zij zich op en gingen zij tezamen naar Be’er Sjewa”. Awrahams knechten waren totaal niet op de hoogte van het drama op de Moria. Toch gingen zij in dezelfde stemming heen als Awraham en Jitschak. Awraham noch Jitschak klopten zich op hun borst vanwege hun geweldige opofferingsgezindheid bij de Akeda. Dit waren de twee eigenschappen van onze Aartsvaders: bescheidenheid en opofferingsgezindheid.

Reacties zijn gesloten.