NITSAWIEM (staan voor): Mosjé verzamelt het hele volk en waarschuwt hen nogmaals de ge- en verboden te houden en afgodendienst en immoraliteit te verafschuwen. Het Verbond geldt ook voor hen die niet hier zijn. Als dit overtreden wordt, zal G’d in Zijn woede het land zodanig treffen dat het lijkt op de verwoesting van Sedom en Amora. De inwoners zullen verstrooid worden over andere landen. Maar als jullie terugkeren tot G’d dan zal G’d jullie verzamelen uit alle volkeren waarheen jullie verbannen waren. De geboden zijn niet bovennatuurlijk noch ver verwijderd, noch in de Hemel maar binnen je bereik. Hemel en aarde worden als getuigen opgeroepen dat Mosje het volk leven en dood, zegen en vloek heeft voorgelegd.
WAJELECH (en hij ging): Mosjé vertelt het volk dat G’d hem niet de Jordaan laat overtrekken en dat hij de leiding overdraagt aan Jehosjoe’a. Dit is de laatste dag van Mosjé. HaSjeem zal de volkeren aan de overzijde van de Jordaan aan de Bné Jisraëel overgeven en Mosjé zegt hen sterk en moedig te zijn. Mosjé schrijft de Tora ten einde en draagt op die eens per zeven jaar aan het hele volk voor te lezen. G’d voorspelt Mosjé dat het volk zich van Hem zal afkeren na zijn dood. Mosje en Jehosjoe’a moeten een gedicht schrijven dat later voorgedragen wordt. De Tora moet in de Arke van het Verbond gelegd worden als getuige tegen het volk als ze zondigen. Het volk moet bijeen komen om het gedicht te horen. Numerieke gegevens: 51e en 52e sidra, 8e en 9e van Dewariem. Bevat 2 geboden.
Eerste Alija (Koheen 29:9-28): (Nadat we aan het einde van Ki Tawo de Tochaga (strafredenen) hebben gehoord) begint Nitsawiem op geruststellende toon. We staan allen voor G’d en beginnen weer een nieuw verbond, dat niet alleen vernieuwd wordt met de huidige generatie, maar ook met allen die (nog) niet aanwezig zijn. Wanneer iemand verstokt blijft en niet wil luisteren naar HaSjeem, dan zal G’d die persoon niet willen vergeven. Wanneer reizigers het verwoestte Israël zien en vragen: “Waarom heeft G’d zo met dit land gedaan?”. En men zal antwoorden, dat men het verbond met HaSjeem heeft verlaten.
“Niet met U alleen sluit ik dit verbond … maar ook met een ieder die heden hier niet bij ons is” (29:14-15). Mosjé liet de nesjamot (zielen) van alle toekomstige generaties mee zweren dat zij de Tora zouden naleven. Bestaat er een verband tussen de zielen van de nu levenden en die uit vroegere en latere geslachten? Het Jodendom gaat er van uit, dat er inderdaad ‘transzielige’ verbanden bestaan. De persoonlijkheid en uitstraling, die iedere ziel hier op aarde heeft, is afhankelijk van de fysieke toestand waarin hij of zij in deze wereld is terechtgekomen. Alle vormen, die de toekomstige nesjamot zullen aannemen, werden opgenomen in het verbond tussen G’d en het Joodse volk. Hoewel het niet relevant is voor onze dagelijkse Jodendombeleving houdt de vraag hoe het Jodendom over zielsverhuizing – Gilgoel – denkt toch velen bezig. De filosofen Jehoeda Halevi (1095 – 1150) en Maimonides (1135-1204) beschrijven de transmigratie van zielen niet en Rabbi Awraham, de zoon van Maimonides verwerpt het begrip Gilgoel of reïncarnatie zelfs. Toch is reïncarnatie een bekend fenomeen in de Kabbala. Gilgoel wordt in de vroegste mystieke werken besproken, zoals in Sefer Habahier, dat tegen het einde van de twaalfde eeuw gepubliceerd werd. De vers uit Spreuken (1:4): “De ene generatie verdwijnt en de andere generatie komt” betekent, dat de generatie die nu verdwijnt meteen ook de zielen levert voor de komende generatie. Hoewel in de filosofische literatuur het woord ha’ataka – overbrenging – de gebruikelijke term was voor reïncarnatie, kwam later de term Gilgoel in zwang, hetgeen letterlijk ‘voortrollen’ betekent.
Enkele hoofdstukken terug wordt in de Tora het zwagerhuwelijk behandeld (Dewariem 25:5 e.v.) Het zwagerhuwelijk wordt in de Tora voor het eerst genoemd in Genesis/Bereesjiet wanneer Er, de eerstgeboren zoon van Jehoeda, sterft en Jehoeda zijn tweede zoon, Onan, instrueert om Ers weduwe Tamar te huwen en zich voort te planten namens zijn broeder. De Zohar verklaart dat het overlijden van een persoon niet betekent dat zijn band met het aardse wordt verbroken. Deze band wordt middels zijn kinderen voortgezet. Wanneer iemand kinderloos sterft, zou dat betekenen dat zijn missie onvoltooid blijft. Om een dergelijke tragedie te voorkomen en de band tussen de overledene en het aardse in stand te houden, gebood HaSjeem, dat de weduwe met de broer van haar overleden man trouwt om met hem kinderen voort te brengen. Het kind uit dit zwagerhuwelijk ontvangt dan de ziel van de overledene opdat diens missie in het leven volbracht kan worden. In de Kabbala wordt uitgelegd dat man en vrouw beschouwd worden als één lichaam, één geheel en dat de fysieke vereniging tot doel heeft het leven te vereeuwigen. Dit geschiedt door het zwagerhuwelijk omdat, met de dood van haar man, een deel van haar eigen lichaam sterft. Lang niet iedereen reïncarneert. Reïncarnatie is voornamelijk bedoeld als een rectificatie voor seksuele overtredingen. Men kan de transmigratie zien als een straf. De ziel moet nogmaals afdalen naar dit tranendal, dat onze wereld is. Maar het betekent dat er altijd een weg terug is en er altijd een mogelijkheid is van rectificatie. Reïncarnatie is een uiting van G’ds barmhartigheid. Niemand is voor eeuwig verloren en zelfs de zielen, die gestraft worden kunnen hun herstel vinden in Gilgoel. De begrafenis is voorwaarde voor een nieuwe Gilgoel of zielsverhuizing. Daarom benadrukt het Jodendom een snelle begrafenis. De ziel krijgt nogmaals de gelegenheid om zijn aardse daden te verbeteren. Reïncarnatie is opnieuw een gelegenheid voor de purificatie van de ziel.
Tweede alija (Levi 30:1-6)
Na berouw komt de verlossing. Wanneer wij tot G’d terugkeren met heel ons hart, zal G’d medelijden met ons hebben en Hij zal ons verzamelen uit de volkeren. Zelfs uit de meest afgelegen gebieden zal G’d ons terughalen.
Derde alija (30:7-14)
Wanneer wij tot G’d terugkeren zal G’d ons een regen van zegeningen op ons laten neerdalen. Onze vijanden zullen vervloekt worden.
Vierde alija (30:15-31:6)
Leven wordt met het goede geassocieerd en de dood met het kwade. Mosjé verklaart dat hij 120 jaar is en niet meer kan uitgaan of ingaan. Jehosjoe’a wordt aangesteld als opvolger van Mosjé. G’d zal Zelf voor het Joodse volk in het land uittrekken.
Vijfde alija (31:7-13)
Toen Mosjé de gehele Tora had opgeschreven, gaf hij haar aan de Kohaniem, die de Tora in het Aharon HaKodesj, Arke van het Verbond, neerlegden. Na verloop van zeven jaar op Soekkot (Loofhuttenfeest) moet het hele volk samenkomen (de mannen, vrouwen en kinderen) om uit de Tora te horen voorlezen en G’d te leren vrezen.
Vlak voor zijn overlijden geeft Mosje het volk nog een opdracht, Hakheel – een indrukwekkende Tora-voorlezing voor het hele volk – die benadrukt, dat de Tora niet alleen een kwestie is van ons privé-leven, maar juist ons nationale karakter als volk van het Boek aangaat. Hier gaat Mosje’s levensdoel – werken voor de klal, de gemeenschap – naadloos over in onze volksopdracht. Maar Hakheel is meer. Het is niet toevallig, dat de mitswa (opdracht) van Hakheel direct na de machtsoverdracht aan Jehosjoe’a volgt. Wellicht wilde Mosje Rabbenoe tonen wat werkelijk Tora-leiderschap met name in het Heilige Land zou inhouden. Wat gebeurde er met Hakheel? “Mosjé gebood hen: na verloop van zeven jaar op de bepaalde tijd van het Sjemietajaar, tijdens het Soekot-feest, wanneer alle Joden optrekken om voor het aangezicht van G’d te verschijnen, op de plaats, die Hij verkiezen zal, zult u deze wet ten aanhore van heel Israël voorlezen. Roep het volk tezamen, mannen, vrouwen en kinderen, ook de vreemdeling, die in uw steden woont, opdat zij er naar luisteren en G’d leren vrezen en al de woorden van deze wet goed zullen onderhouden en opdat hun kinderen, die er niet van weten, het horen en G’d leren vrezen ” (Dewariem 31:10-12).
Maimonides (1135-1204) schetst de achtergronden van Hakheel in klare taal: “Door heel Jeruzalem werd op trompetten geblazen om het volk te verzamelen. Een groot houten podium werd opgesteld in het midden van Ezrat Nasjiem (het voorgedeelte van de Tempel). De koning zat op dit podium zodat iedereen zijn voorlezing kon horen en alle mensen verzamelden zich om hem heen. De Tora werd door vele verschillende functionarissen gehaald en doorgegeven aan de Hogepriester en de Hogepriester gaf het Sefer Tora aan de koning. Op deze manier werd de Tora door vele mensen geëerd. De koning nam de Tora staand in ontvangst, maar als hij wilde, kon hij blijven zitten. Hij opende de Tora, keek er in en zei de voorberacha op dezelfde manier zoals dat gebeurt bij het voorlezen van de Tora in sjoel. De koning las de verplichte hoofdstukken voor tot hij aan het einde kwam. Dan rolde hij het Sefer Tora op en zei hij een naberacha op dezelfde manier als dat in sjoel gebeurt (Chagiga 3:4)”.
In Sefer Hachinoeg wordt de achtergrond van Hakheel geschetst: “Omdat het belangrijkste aspect van het Joodse volk de Tora is, waardoor wij ons onderscheiden van alle andere volkeren en waardoor wij zegen en vreugde kunnen bereiken, is het juist dat wij samen komen op een bepaalde datum om de woorden van de Tora aan te horen. De mannen, vrouwen en kinderen zullen dan vragen: “Waarom zijn we hier met zoveel mensen bijeen?”. Het antwoord zal dan luiden dat wij samen komen om de woorden van de Tora te horen, die onze essentie, glorie en grootheid vormen. Door deze procedure zal men hoog opgeven van de Tora, hetgeen een verlangen oproept om nog meer Tora te leren. Dit brengt nader tot de kennis van G’d. HaSjeem zal zich dan ook verheugen in zijn volk. Dit wordt expliciet vermeld in de pasoek (vers), die leest: “Zodat zij G’d zullen leren vrezen” (Mitswa 612).
Wanneer vond deze ceremonie plaats? Volgens Maimonides aan het einde van de eerste dag Soekot in het achtste jaar direct na het sjemieta-jaar (sabbatical year). Deze datering heeft vele pennen in beweging gezet. Wellicht was het beter geweest om het spirituele sjemieta-jaar – waarin de boeren hun land braak lieten liggen en zich voornamelijk met de Tora bezig hielden – te beginnen – en niet te eindigen – met zo een indrukwekkende bijeenkomst, die de hele sfeer van het komende jaar zou bepalen?
Rabbi Meir Simcha uit Dwinsk (19e eeuw) geeft antwoord op deze vraag in zijn Mesjech Chogma: “Omdat oogsten en ploegen het hele sjemieta-jaar verboden waren voor het volk staan velen reeds te popelen om direct na afloop van het rustjaar aan het werk te gaan in het eigen veld. Precies op dat moment – het begin van het achtste jaar – moet het hele volk bijeenkomen om G’ds woord in de Tempel te Jeroesjalajiem te horen, zodat zij Hem ook tijdens het werk op het land niet zouden vergeten en hun aardse beslommeringen op een hoger plan zullen tillen”. Lang heeft men niet mogen werken op het veld. Men wil graag weer aan de slag. Juist op dat moment moet men enig tegenwicht bieden om hen eraan te herinneren, dat zelfs temidden van alle aardse bezigheden het de Tora is die midden in de belangstelling moet blijven staan. Willen wij ons leven werkelijk betekenis geven dan mogen wij onder geen enkele omstandigheid vergeten welke centrale rol de Tora in ons leven speelt.
Zesde alija (31:14-19)
Het Joodse volk zal weer van G’d afvallen. In die tijd zal G’ds woede ontbranden. Dan zullen de mensen zeggen: “Hebben die rampen ons niet daarom getroffen, omdat onze G’d niet in ons midden is?”. G’d zal Zich volledig verbergen in deze kwade tijd. Mosjé schrijft een lied op, dat tegen het Joodse volk zal getuigen wanneer zij zondigen.
Zevende alija (31:20-30)
Mosjé schreef het lied op, leerde het en gebood Jehoesjoe’a moedig te zijn. De Torarol moet worden neergelegd in de Heilige Arke. Mosjé voorspelt dat de Joden na zijn dood zullen afwijken van de geboden.
