Rosj Hasjana is een universeel gebeuren. De mens staat centraal. Op Pesach hebben we matsot, op Sjawoe’ot kregen we de Tora en op Soekot imiteren we de Bnee Jisra’eel op weg naar Erets Jisra’eel. Maar op Rosj Hasjana werd de mens gecreerd.
Oenetanne Tokef
Een van de aangrijpendste gebeden uit de liturgie van Rosj Hasjana is het Oenetanne Tokef uit de Moesaf. Direct daarna volgen de woorden “Oetesjoeva oetefilla oetsedaka ma’aVierien et ro’a hegezera” – inkeer, gebed en weldadigheid kunnen het onheilvolle van het G’ddelijk oordeel afwenden. Gedurende de Jamiem Toviem van Rosj Hasjana zijn wij intens bezig met tesjoeva en tefilla; de mitsva van tsedaka – het ondersteunen van minvermogenden – moeten wij reeds voor Rosj Hasjana hebben vervuld. Het is immers op Jom Tov verboden geld te doneren. Hebben we deze plicht voor Rosj Hasjana verzaakt, dan kunnen wij dit goedmaken in de aseret jemee hatesjoeva – de tien dagen van inkeer tussen Rosj Hasjana en Jom Kippoer.
1. Tsedaka
Tsedaka is een mitsva voor jong en oud, en is niet alleen beperkt tot Rosj Hasjana. Tsedaka geven is simpel. Zet je over je hebzucht heen en stop een bedrag in het tsedoke-poesjke of maak geld over voor een goed doel.
Tefilla (gebed, davvenen) is ook voor iedereen bedoeld. Maar tefilla is veel moeilijker. Je mag in het Nederlands davvenen op de eerste regel van Sjema na maar je wilt natuurlijk meedoen in sjoel.
2. Tefilla
Maar wat is dat davvenen eigenlijk? Kun je spontaan davvenen combineren met de vaste gebeden, zoals die afgedrukt staan in de machzoriem, de gebedenboeken voor de feestdagen, Rosj Hasjana en Jom Kippoer? Ja, davvenen is een combinatie van spontaan opkomende gevoelens en een aantal vooraf geformuleerde religieuze woorden, die de emoties in banen leiden.
De Britse Opperrabbijn Jonathan Sacks gaat terug naar de oorsprong van onze tefillot, gebeden:
De bekendste, oudste uitspraak over het davvenen luidt: “als jullie jullie G’d dienen met heel jullie hart (Devariem/Deuteronomium 11:13) wat is de dienst van het hart (avoda sjebeleev)? Dit is het gebed!” (B.T. Ta’aniet 2a). De achtergrond van deze eenvoudige woorden is opmerkelijk.
Door de hele Tenach vinden we twee verschillende vormen van religieuze dienst, de ene is het gebed, de ander het offer. Buiten het boek van de Psalmen wordt er ongeveer 140 keer verwezen naar mensen, die davvenen. In 97 gevallen worden de woorden die zij zeiden ook weergegeven. Avraham davvent voor de steden uit de vlakten Sedom en Amorra, Ja’akov davvent voor zijn redding voordat hij met Esau geconfronteerd wordt, Channa davvent voor een kind. Deze gebeden zijn direct, simpel en spontaan, ze kennen geen vaste formule en geen vaste tekst. Sommige zijn heel kort zoals het gebed van vijf woorden van Mosjé voor zijn melaatse zuster Mirjam: “alstublieft, G’d, genees haar nu”. Andere gebeden zijn lang zoals het gebed van Mosjé dat veertig dagen duurde voor de vergeving van de zonde van het gouden kalf. Er zijn geen algemene regels voor spontane tefillot, gebeden. Deze gebeden hebben geen vaste tijd, plaats of liturgie, ze werden door de omstandigheden ingegeven en waren geïmproviseerd.
Offerdienst
De andere vorm die meestal Avoda, dienst genoemd wordt, is de offerdienst. Offers zijn niet minder dan verbale gebeden. Vanaf het tweede boek van de Tora, Sjemot/Exodus tot en met het vijfde boek Devariem/Deuteronomium wordt de offerdienst in details geregeld. De offerdienst kent een vaste volgorde, en precies wordt geregeld welke offers gebracht moeten worden, wanneer en door wie. Het offer heeft een duidelijke, vastgestelde plaats: het Misjkan, de Tabernakel in de woestijn en later de Tempel in Jeruzalem. Er is geen ruimte voor spontaniteit. Wanneer twee van de zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, spontaan een reukwerk offer brengen sterven zij (Vajikra/Leviticus 10:2).
De Tora bevat twee vaste teksten die te maken hebben met het Heiligdom, de birkat kohaniem, priesterzegen (Bemidbar/ Numeri 6:24-26) en de verklaring die men aflegt wanneer men de eerste vruchten, de Bikoeriem, brengt (Devariem/Deut. 25:1-10). Sommige offers zoals het zondoffer vereisen ook een mondelinge zondebelijdenis. Psalmen werden in de Tempel gezongen en de Misjna geeft de gebeden in detail weer, die daar gedavvent werden. Maar de offerdienst op zich was zonder woorden. Het vond plaats in stilte.
Beide componenten
We hebben deze twee verschillende tradities nog steeds, gebed en offer: de een spontaan en de ander rigoureus gedetailleerd voorgeschreven. De ene kan overal plaats vinden op elk moment, door iedereen. De andere soort religiebeleving kan echter alleen plaatsvinden op vaste plekken en momenten, volgens onveranderlijke procedures. Hoe zijn deze twee religieuze vormen samengesmolten in één Siddoer, gebedenboek? Het antwoord ligt in de nationale crisis die plaatsvond na de verwoesting van de Eerste Tempel door Nevoechadnetsar, eeuwen voor het begin van de burgerlijke jaartelling.
Psalm 137 beschrijft de emoties van de wanhopige ballingen: “aan de rivieren van Babylon zaten wij en huilden wij toen wij Zion herinnerden… hoe kunnen wij G’ds liederen zingen in een vreemd land?”. In ballingschap in Babylonië kwamen de Joden bij elkaar om de Tora voor te lezen en uit te leggen, hun collectieve hoop te verwoorden dat ze ooit nog terug zouden keren naar het Heilige Land en om de Tempel en zijn dienst te herinneren. Deze bijeenkomsten, (Kinisjtoe in het Babylonisch, Knesset in het Hebreeuws) waren geen plaatsvervangers voor Tempelbezoek maar herinnerden alleen aan de oude glorie. Het boek Daniël, in Babylonië opgeschreven, spreekt van een drie maal daags gebed richting Jeruzalem (Daniël 6:10).
Assimilatie
Het verlies van de Tempel en de ervaringen in de ballingsschap leidden tot regelmatige bijeenkomsten voor studie en gebed. Het volgende hoofdstuk in deze geschiedenis werd geschreven door Ezra, die samen met de staatsman Nechemia het Joodse leven in Israël weer georganiseerd hebben na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap.
Ezra hasofeer (“de schrijver”) was een nieuw figuur in de geschiedenis: de opvoeder als held. Het boek Nechemia (8:1-9) bevat een gedetailleerde beschrijving van de bijeenkomst die Ezra in Jeruzalem bijeengeroepen heeft met de hulp van de Levieten, die het uitlegden aan het volk.
Ezra en Nechemia waren ernstig ontstemd over de hoge mate van assimilatie onder de Joden die terugkeerden uit de Babylonische ballingschap naar Israël. Zij wisten dat zonder een sterke religieuze identiteit het volk uiteindelijk zou verdwijnen door gemengde huwelijken met andere volkeren en culturen. Om deze assimilatiegolf tegen te gaan, hebben zij allerlei verrijkende initiatieven ondernomen, zoals een nationale bevestiging van het Verbond met G’d (Nechemia hoofdstuk 10). Een van de belangrijkste ontwikkelingen in die tijd was de eerste formulering van de tefillot, gebeden die wordt toegeschreven aan Ezra en Ansjee knesset hagedola, de mannen van de Grote Vergadering. Dit werd mede ingegeven door het gebrek aan kennis van het Hebreeuws, de heilige taal.
Sjoel
Maimonides geeft aan dat een van de motieven van de herformulering van het gebed was om het Hebreeuws als nationale taal terug te brengen. In die tijd “sprak de helft van hun kinderen de taal van Asjdod of de taal van de andere volkeren maar zij konden de taal van Jehuda niet spreken” (Nechmia 13:24). Deze religieuze herleving bracht onder meer mee dat er synagogen werden gesticht, die uitgroeiden tot religieuze centra. Gedurende de periode van de Tweede Tempel werden de priesters verdeeld in vierentwintig groepen, Misjmarot, die ieder een week op toerbeurt in de Tempel dienst deden. Zij werden begeleid door groepen van lokale leken, Ma’amadot waarvan sommige hen begeleidden naar de Tempel en anderen thuisbleven in hun woonplaatsen maar die de gebeden uitspraken op het moment dat de offers in Jeruzalem gebracht werden. Of de synagoge ontstaan is uit deze religieuze volksvertegenwoordigingen, Ma’amadot of dat de synagogen al eerder waren ontstaan, is niet duidelijk. Maar toen de tweede Tempel werd verwoest in 70 n.d.g.j. was de synagoge al een bekend instituut.
Fragment van Jeruzalem
De synagoge was “een van de grootste revoluties in de geschiedenis van religie en maatschappij” (M. Stern). Het was de eerste gebedsplaats, die heilig werd verklaard niet alleen vanwege historische gebeurtenissen of omdat er offers werden gebracht maar omdat de mensen daar samen kwamen om het Jodendom te bestuderen en te davvenen. De synagoge belichaamde een van de grootste monotheïstische waarheden: dat de alomtegenwoordige G’d overal gediend kon worden. Na het verlies van de tweede Tempel werd het een thuisbasis in ballingschap voor het verdreven volk. Elke synagoge was een fragment van Jeruzalem. En hoewel de verwoesting van de Tempel geen offers meer toeliet kwam het gebed als offer in woorden daarvoor in de plaats.
Oude traditie
De overgang van offer naar gebed was geen plotselinge ontwikkeling. Duizenden jaren eerder benadrukte koning Salomo in zijn deraasja, speech bij de inwijding van de eerste Tempel het belang van gebed meer dan de offers (I Koningen 8:12-53). Door de profeet Jesjaja had G’d al medegedeeld: “Mijn Huis zal een gebedshuis voor alle volkeren heten” (Jesjaja 56:7). De profeet Hosjea had al gezegd: “neem woorden met u mee en keer terug tot G’d… in plaats van stieren zullen wij het offer met onze lippen betalen” (Hosjea 14:3). Het offer was de uiterlijke begeleiding van innerlijke gevoelshandelingen en intellectuele inspanning: dank, verzoening enzovoorts. De handeling was niet meer mogelijk maar de innerlijke beleving bleef. Zo veranderde het offer in gebed. De twee totaal verschillende manieren om G’d te dienen werden nu verenigd. De duidelijke gestructureerde offerdienst werd overgenomen in het gebed door vaste teksten en tijden. De stilte bij de offers werd omgezet in spreken. De tradities – profetisch gebed aan de ene kant en priesterlijke offerdienst aan de andere kant werden één in het gebed. Dit is de opmerkelijke geschiedenis achter de woorden “wat is de offerdienst van het hart? dat is gebed!”.
Twee stromen verenigd
Er zijn veel verschillende opvattingen over de aard van ons gebed. Volgens Maimonides is gebed een opdracht uit de Tora. Volgens Nachmanides is het gebed van oorsprong een Rabbijnse instelling. Twee leraren uit de derde eeuw, Rabbi Jose zoon van rabbi Chanina en Rabbi Jehoesjoe’a ben Levi hebben een meningsverschil over de oorsprong van de gebeden. De eerste meent dat de gebeden werden ingesteld door de Aartsvaders: Avraham heeft het ochtendgebed opgezet, Jitschak heeft het middaggebed ingesteld en Ja’akov davvende het avondgebed. Terwijl de tweede mening stelt dat onze tefillot overeenkomen met de offers.
Eeuwen daarvoor hadden Rabban Gamlieel en de Chagamiem, Wijzen uit zijn tijd al een meningsverschil over de vraag wat nou het belangrijkste gebed was, de stille persoonlijke Amida (sjemonee esree of het staande gebed) of de herhaling door de voorganger. Uiteindelijk is alles afhankelijk van de vraag welke van de twee gebedsbronnen – de geïmproviseerde gebeden van de mensen uit Tenach of de offerdienst van de Tabernakel en de Tempel hier in doorwerkt. Eigenlijk bestaat er geen antwoord op deze vraag. Het gebed zoals wij het kennen heeft gedurende de afgelopen tweeduizend jaar altijd geput uit beide tradities. We erkennen beide bronnen en daarom wordt elke Amida twee keer gezegd, een keer stil en individueel en de tweede keer luid door de voorganger. De stille Amida herinnert ons aan de individuele gebeden in Tenach terwijl de herhaling van het staande gebed door de voorganger het offer in herinnering brengt. Daarom is er geen herhaling van de Amida in het avondgebed omdat er ‘s avonds geen offers gebracht werden. In het gebed ontmoeten de twee grote bronnen van Joodse spiritualiteit elkaar en worden zij één.
(Met toestemming van de auteur, ontleend aan Sacks, J., The Koren Sacks Siddur: Hebrew/English Prayer Book with Commentary by Rabbi Sir Jonathan Sacks (Hebrew Edition), introduction, Understanding Jewish prayer).
3. Het derde aspect: tesjoeva, inkeer en sjofar
De roep van de sjofar lokt vele afgedwaalden weer naar de sjoel. De sjofar is een van de sterkste krachten, die de Joodse nesjomme aan het Jodendom bindt. Daarom zal Hasjeem, G’d Zich op het einde der dagen ook van een sjofar – de grote Sjofar – bedienen bij de definitieve inzameling van de “ballingen”, de kibboets galoejot.
Verder herinnert de sjofar ons aan de Akedat Jitschak – het offer van Jitschak, proclameert de sjofar het koningschap van Hasjeem en brengen de tonen van de ramshoorn ons tot tesjoeva, inkeer als een grote “wekker”, die ons moet losrukken uit onze morele sluimer.
Offeren is naderbijbrengen
Waarom prefereren de Asjkenaziem een ramshoorn? De ramshoorn herinnert aan de Akedat Jitschak op de Tempelberg Moria – de grote opoffering, die Awraham zich wilde getroosten voor zijn geloof in Hasjeem. Maar ook hier speelt een diepere symboliek: in plaats van een mens werd een dier geofferd. Het Jodendom keerde zich in de oudheid tegen mensenoffers, een bekende afgodische cultus van weleer. Een offer heet in het Hebreeuws “korban”, van de Hebreeuwse stam KaRaV = naderbijbrengen. Het Jodendom propageert, dat de mens het dierlijke in zich “naderbijbrengt” tot Hasjeem, verheft boven het puur biologische en zinloze, veredelt en perfectioneert. De ram symboliseert het ongetemde, dierlijke, het mens-onvriendelijke geweld. Op de berg Moria werd de typisch Joodse weg gewezen: niet de mens moet worden geofferd; het menselijke in de mens vormt een potentieel voor het goede. Alleen het dierlijke in de mens dient te worden verheven.
Dierlijk tegenover moraal
Ram tegenover Jitschak, dierlijke instincten tegenover moraal, macht tegenover recht, ruw geweld tegenover een humanistisch, religieus gevoel. Vinden wij deze strijd niet telkens weer terug in de geschiedenis van de mensheid? En moet ook niet ieder voor zich in zijn eigen leven een dergelijke strijd – zij het op microniveau – uitvechten? De strijd tussen leugen en waarheid, tussen het slechte en het goede, de strijd tussen “Hasjeem in ons” en de “Satan in ons.
