Zojuist heb ik van de directeur van het Joods Maatschappelijk Werk in Nederland vernomen, dat na langdurig onderzoek onder de Joden in Nederland is gebleken, dat er toch meer Joden blijken te zijn dan we altijd dachten, dat een groot deel seculier is en vrijwel alle Joden op internet zitten. Voor Rabbijnen, die zich op internet begeven, is er dus nog een grootse taak weggelegd. De komende dagen is het weer Soekot, Loofhuttenfeest. Daar wou ik even bij stil staan. Mijn vader moest eens vrijvragen voor Soekot. Onbevangen begon hij uit te leggen aan zijn opdrachtgevers, dat hij niet kon komen werken omdat zijn voorouders meer dan 3300 jaar geleden door de woestijn trokken en in loofhutten woonden. Zijn opdrachtgevers trokken hun wenkbrauwen op maar gaven wel vrij. Zij kenden de Bijbel ook: “Jullie zullen zeven dagen in de soeka, loofhut, verblijven” (Vajikra/Lev. 23:42). Dat wil zeggen: jullie moeten erin wonen, zoals men woont in zijn huis, gedurende het hele jaar. Zo moet nu de soeka de woning zijn. Men brengt al zijn mooie huis¬raad in de loofhut, men eet en drinkt er, men leert en –indien mogelijk- slaapt men in de soeka en brengt er zijn tijd door. Wanneer men wil telefoneren, dan doet men dat in de soeka. Ook als men in zijn eentje davvent (bidt), davvent men in de soeka.
Reden
Wat is de reden van deze grote mitsva? „Opdat jullie toekomstige generaties zullen weten dat Ik de Israëlieten in soekot heb laten wonen, toen Ik hen uit Egypte gevoerd heb” (ibid. 23:43). Daarom moet men, als men in de soeka zit, bedenken, dat Hasjeem, G’d ons geboden heeft in de soeka te zitten als herinnering aan de Uittocht uit Egypte. Over dit woord „Soekot” hadden Joodse Geleerden (B.T. Soeka 11b) ongeveer 2000 jaar geleden een meningsverschil. Rabbi Eliëzer zegt dat onze soekot herinneren aan de wolken van de G-ddelijke Majesteit, waarmee Hasjeem onze voorouders beschermde tegen de hitte en de zon overdag en de koude ‘s nachts. Volgens Rabbi Eliëzer hadden wij dus de eerste airconditioning in de menselijke geschiedenis! Maar Rabbi Akiwa meent dat het echte hutten waren die de Joden voor zichzelf maakten wanneer zij zich ergens legerden.
Het gebod om in de loofhut te zitten wordt een aantal maal herhaald in de Tora. Ook in de latere Joodse geschiedenis wordt er gewag gemaakt van het vieren van Soekot. Zo wordt er in het boek Koningen vermeld hoe het volk zich bij koning Salomo verzamelde in de zevende maand Tisjri (september) en dat Salomo Soekot combineerde met de inwijding van de eerste Tempel in Jeruzalem (Melachiem I: 8: 8 en 65). De afvallige koning Jerovam ben Nevat probeerde een nieuw feest in te stellen in de achtste maand op de 15e hetgeen een duidelijke imitatie was van Soekot, dat in de zevende maand valt op de 15e.
Vergetelheid
Maar het lijkt er op, dat Soekot bij een deel van het volk in vergetelheid was geraakt na de Babylonische ballingschap. In het boek Nechemja staat over de periode vlak voor de herbouw van de tweede Tempel, dat “er in de Tora gevonden werd, dat er geschreven stond, dat G’d Mosje opdracht had gegeven, dat de Joden in soekot moesten zitten tijdens het Loofhuttenfeest in de zevende maand. Men liet toen het volgende rondgaan in al hun steden en in Jeruzalem: gaat uit naar de bergen en breng olijventakken…myrthetakken, dadeltakken, zoals er geschreven staat. Het volk trok er op uit en maakte zich soekot, ieder op zijn dak, in hun voorhoven, in het voorhof van de Tempel, en op verschillende plaatsen op straat. De gehele gemeente van terugkerenden uit de ballingschap maakte loofhutten, en zij zaten in de soekot, want dat hadden de Bnee Jisraeel, de Joden niet gedaan sinds de dagen van Jozua, Jehosjoea ben Noen”, toen de Joden voor het eerst in de geschiedenis Israel binnentrokken.”De vreugde was erg groot, men las iedere dag uit de Tora voor, van de eerste tot en met de laatste dag, men maakte zeven dagen feest en op de achtste dag was het het Slotfeest, Sjeminie chag ha’atseret” (Nechemja 8: 14-18). Het lijkt er op, dat men Soekot vergeten was en het opnieuw ontdekt had.
Afgoderij verdwenen
Maar is dat logisch en plausibel? Zou men vanaf Jozua, Jehosjoea ben Noen, niet meer in de soeka hebben gezeten? Zou koning David deze mitsva, deze opdracht uit de Tora niet vervuld hebben? Dat lijkt bizar. De Talmoed zelf stelt deze vraag (B.T. Erechien 32b) en lijkt er van uit te gaan, dat dit onmogelijk is: “Is het denkbaar, dat koning David geen soeka heeft gemaakt todat Ezra, de schrijver kwam?”. Natuurlijk had men in alle generaties onafgebroken in de soeka gezeten. De Talmoed antwoordt dan ook dat het om een kwalitatieve vernieuwing ging. Men zat na de Babylonische ballingschap op een hoger niveau in de soeka. Vroeger had men veel last van een neiging tot afgoderij. Vlak voor de verwoesting van de eerste Tempel diende vrijwel iedereen afgoden. Daarom werd de eerste Tempel vernietigd. Deze hang naar afgoderij en zwarte magie stoorde de religieuze beleving, zelfs wanneer men alle mitsvot, geboden stipt en punctueel uitvoerde. Onze Chagamiem, Wijzen zagen, dat de neiging tot afgoderij zo erg was, dat ze G’d smeekten om onze gevoeligheid voor afgoderij weg te nemen. Daardoor kwam het monotheistische religieuze leven op een hoger niveau. Nu men zich veel meer alleen op G’d richtte, zat men ook in de soeka met zuiverder intenties en bedoelingen. Sinds de dagen van Jozua, Jehosjoea ben Noen, was men niet zo puur omgegaan met de voorschriften van de Tora omdat men altijd gehinderd werd door vreemde gedachten en ingevingen, die het geloof in de Ene G’d ernstig stoorden.
Massaal enthousiasme
Maar een andere verklaring is ook mogelijk. In de Midrasjverzameling Sifree (Ekev 48) wordt vermeld, dat de Tora bijna vergeten was in de tijd van Ezra en Nechemja, een aantal eeuwen voor de burgerlijke jaartelling. Als Ezra en Nechemja niet hadden ingegrepen was een deel van het volk niet meer betrokken geweest bij de Tora. Zij zorgden er voor, dat iedereen weer meedeed. Vanaf de tijd van Jehosjoea ben Noen was het niet meer voorgekomen, dat iedereen deze opdracht uit de Tora zo massaal vervulde. Inderdaad had koning David deze mitsva zeker vervuld. Maar het ging bij Ezra en Nechemja om het hele volk. Er was na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap sprake van een enorme spirituele opleving, die zijn weerga lange tijd niet gekend had. Daarom staat dit ook in Tenach (Bijbel). Rabbi Jehoeda Halevi (12e eeuw) stelt in zijn Koezari (3: 63), dat Tenach alleen de grote, openbare gebeurtenissen beschrijft. De nieuwe geest, de opwekking, sloeg over op iedereen en hield het hele volk in zijn greep. Daarom wordt het in Tenach vermeld.
In de tijd, dat de Mondelinge Leer, de Misjna werd op geschreven (1-200 n.d.g.j.) was men zeer precies met zitten en slapen in de soeka. Normaliter was er voldoende slaapplaats voor alle pelgrims in Jeruzalem gedurende de drie voetfeesten Pesach, Sjavoe’ot en Soekot. Alleen tijdens dit laatste feest moest iedere trekker naar Jeruzalem in een soeka slapen. Meestal sliepen de gasten binnen en de gastheren buiten, als het niet anders kon. Maar tijdens Soekot was het anders. De Tosefta (Soeka 2:3) vertelt, dat men voor de gasten een soort hemelbedden uit de huizen naar beneden takelde, zodat men op de hemelbedden sechach, loof en takken kon neerleggen en zo onder de blote hemel in een kleine soeka kon slapen. Sjammai ging heel ver in deze mitsva: toen zijn schoondochter een baby kreeg, maakte hij een gat in het dak en legde daar takken op zodat het jongetje direct na de geboorte in de soeka kon liggen (Soeka 2:8). Koningin Helena, die aan het einde van de eerste Tempelperiode Joods was geworden en in Jeruzalem was komen wonen met haar zeven kleine zonen vervulde het wonen in de soeka uitermate precies.
Beetje eten en slapen
In de Talmoed wordt er een verschil gemaakt tussen eten en slapen in en buiten de soeka: “men mag buiten de soeka een beetje eten maar men mag buiten de soeka zelfs niet even slapen” (B.T. Soeka 26a). De vraag is alleen waarom er een verschil bestaat tussen eten en slapen. We moeten ons in de soeka gedragen zoals wij thuis gewoon zijn te doen. Men eet makkelijk een snack of een vlugge hap buitenshuis maar datzelfde geldt ook voor een dutje! Hoeveel mensen vallen niet in de trein in slaap? De Talmoed geeft twee antwoorden op deze vraag. Rav Asjie is van mening, dat ook een kort dutje buiten de soeka verboden is omdat men vreest, dat men ongewild in een diepe slaap verzeild raakt. Dit betekent, dat eventjes slapen buiten de soeka eigenlijk toegestaan is maar omdat veel mensen hierdoor wellicht lang buiten de soeka blijven slapen, hebben de Chagamiem, Wijzen ook korte slaap buiten de soeka verboden.
Rava, een andere Talmoedgeleerde, antwoordt anders: “Er bestaat geen vastgestelde maat voor de slaap”. Volgens Rava is er geen principieel verschil tussen lang en kort slapen. Soms moet men vele uren slapen maar op andere momenten is een hazeslaapje voldoende. Slapen gebeurt meestal thuis. Daarom moet ook minimaal slapen thuis gebeuren.
Reizigers
Reizigers die onderweg zijn, zijn overdag vrijgesteld van de verplichting van de soeka, omdat zij geen tijd hebben om op zoek te gaan naar een soeka, daar zij gehaast zijn om hun reis voort te zet¬ten. Zij hoeven niet in de soeka te eten omdat hun `natuurlijke manier van zijn’ op reis is `buiten de normale woning’. Ditzelfde geldt ook voor bewakers van een stad. Die moesten vroeger veel heen en weer lopen en zaten niet op een plaats vast. Omdat hun `normale waaktoestand’ geen vaste verblijfplaats toestond, kennen zij in hun werksituatie geen vast huis en hebben zij dus ook niet de verplichting om in een soeka te eten. “Maar hoe zit het met bewakers van boomgaarden?”, vraagt de Talmoed. “Die zitten meestal vast op dezelfde plaats of hebben een vaste uitvalsbasis. Laten zij daar een soeka bouwen!”.
De Talmoedleraar Abaje antwoordt, dat dit geen wonen is zoals je thuis woont. Daarmee bedoelde Abaje, volgens Rasji (11e eeuw), dat je in zo een tijdelijk bewakershutje geen huisraad meeneemt en niet behoorlijk kan wonen. Daarom hoef je daar geen soeka te maken. Rabbi Aharon uit Barcelona (12e eeuw) meent, dat een soeka alleen verplicht is op normale bouwgrond waar men anders een huis had neergezet. Dat is hier niet het geval, dus hoeft men geen soeka te bouwen naast de boomgaard. De Meiri (13e eeuw) stelt, dat men daar geen goede schuilplaats kan vinden als het regent. Bij een normale woning is dat wel het geval en meestal bouwt men de soeka naast de woning, waar men bij een stortvloed kan schuilen tegen de regen. Rabbi Sjemoe’eel Strasson (16e eeuw) stelt, dat een soeka alleen een vaste woning komt vervangen maar geen gammel bewakershutje.
Rava is van mening, dat als men naast de boomgaard in een soeka gaat zitten, iedere potentiele ganav (dief) de bewaker kan lokaliseren. Hij zal dan van de andere kant van de boomgaard appels gaan stelen. Een soeka stoort de bwaker in de uitoefening van zijn beroep. Daarom is hij vrijgesteld van de soeka.
Eten in de soeka
Wanneer men een vaste maaltijd wil eten dan doet men dat in de soeka. Wat is een vaste maaltijd? Brood van een hoeveelheid groter dan een kebeetsa (=een ei), en dat geldt zelfs voor koek en dergelijke. Ook iets dat gekookt is met één van de vijf graansoorten, meer is dan een eigrootte en als maaltijd gepland is, moet men in de soeka eten met de beracha leesjeev basoeka (eerst hamotsie dan leesjeev basoeka). Maar vruchten mag men buiten de soeka eten, zelfs als men er veel van eet en zelfs als men het als een maaltijd beschouwt. Ook wijn of andere drank, en vlees of kaas mag men buiten de soeka eten, mits men die niet als „maaltijd” bestempelt. Maar wanneer men wijn of een andere drank als vaste maaltijd drinkt of als men vlees of kaas als vaste maaltijd wil eten, dan moet men dat in de soeka doen (overigens zonder beracha leesjeev basoeka). Toch is het dan beter dat men eerst brood eet, zodat men de beracha kan zeggen. Dit alles is halacha, maar wie streng is voor zichzelf, drinkt zelfs geen water buiten de soeka.
U EEN GOEDE JOM TOV TOEGEWENST!
