Parsja Bereesjiet 5771

De Tora begint met de creatie van alles wat bestaat, o.a. duisternis en licht, de hemellichamen, water en land, alle planten en dieren en tenslotte mensen. G’d schiep dit alles uit het niet. Adam en Eva woonden in het Paradijs, de Tuin van Eden. Deze sidra draagt de naam ‘In een begin’ = B’reesjiet. Dit geschiedde in zes dagen; op de zevende dag heeft G’d gerust. G’d vaardigde één verbod uit: het eerste mensenpaar mocht niet eten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. De slang brengt Eva ertoe toch een hap te nemen van een vrucht van deze boom en geeft ook Adam ervan. Zij worden verbannen uit de Tuin opdat zij niet ook van de Boom van het Eeuwige Leven nemen. Vanaf dat moment moeten zij hard werken om in hun onderhoud te voorzien en de vrouw(en) zullen met pijn kinderen krijgen. De twee eerste kinderen van Adam en Eva heten Kaïn en Abel. Op een dag brengen beiden een offer voor G’d; dat van Kaïn wordt niet aanvaard, dat van Abel wel. Kaïn doodt zijn broeder; hij wordt veroordeeld om over de wereld te zwerven. Er volgt een geslachtsregister tot en met Noach. Sjet is het derde kind van Adam en Eva. Het morele niveau van de mensen is inmiddels zo laag gezonken, dat G’d besluit alle levende wezens te vernietigen. Alleen Noach en zijn gezin mogen in leven blijven omdat Noach genade in G’ds ogen vond.

 
BEGIN EN EINDE VAN DE WERELD
Volgens de Joodse opvatting werd in Bereesjiet (Genesis) tijd, plaats en materie door G’d geschapen. Onze visie op de tijd is anders dan bijvoorbeeld de Grieks-klassieke. Wij kennen een duidelijk beginpunt, de Schepping, een middenas in de geschiedenis, de wetgeving op de berg Sinai, en een duidelijk eindpunt, de tijd van de Masji’ach (Messias). Het begrip plaats is ontstaan omdat de eerste Scheppingsbeweging de G’ddelijke Zelfbeperking, tsimtsoem, was.

G’ds aanwezigheid moest uit het heelal worden teruggedrongen en verduisterd worden.  Daarzonder zou alles onmiddellijk worden opgenomen in de allesomvattende G’ddelijkheid. Daarom werd het G’ddelijke Licht afgeschermd, om zo ruimte te creëren voor onafhankelijk leven. Door deze G’ddelijke Zelfbeperking ontstonden in een afdalende reeks steeds meer concrete en meer lichamelijke werelden. De parameters van iedere wereld en levenssfeer werden bepaald door de mate van G’ddelijke Zelfbeperking. Uiteindelijk vormt onze materiële wereld het eindpunt van een afdalende en steeds grover wordende tsimtsoem.

Onze wereld lijkt het hoogste doel van de Schepping te zijn. Deze gedachte wordt verduidelijkt met een vergelijking. Ik zit in de trein vanaf Amsterdam CS. Tegenover mij zit een medepassagier: bij Schiphol, Leiden, Den Haag CS, Rotterdam, CS, Dordrecht en Roosendaal blijft hij zitten. In Antwerpen stapt hij uit. Pas bij deze laatste halte begrijp ik het reisdoel van mijn medepassagier. Mutatis mutandis geldt hetzelfde bij de Schepping: G’d passeerde alle andere werelden, totdat Hij uiteindelijk bij onze wereld halt hield met scheppen. Vandaar dat wij mogen aannemen dat de materiële wereld, met plaats en tijd, het werkelijke Scheppingsdoel vormt. Het hoogste doel van dit hele universum vormt weer de mens, die als laatste creatuur weer hier op aarde verscheen. De rest van de geschiedenis is bekend uit de gewijde en seculiere literatuur, maar niemand weet hoe het einde van de wereld er uit ziet.

Apocalyps
Kent het Jodendom een eindtijdverwachting? Rond de eeuwwisseling 2000 werd deze vraag mij vaak gesteld. Natuurlijk verwachtten wij bij het burgerlijk jaar 2000 geen Apocalyps. Het jaar 2000 was voor ons niet echt relevant, omdat wij vanaf de Schepping tellen. Volgens de Talmoedische traditie zal de wereld, zoals wij die in de huidige gedaante kennen, 6000 jaar voortduren. In de Joodse jaartelling, vanaf de Schepping, bevinden wij ons op dit moment in het jaar 5771. Volgens de Talmoed zijn de eerste 2000 jaar van de wereld zonder Tora geweest. In het 1948 na de Schepping stond Awraham, onze aartsvader op en begon met het verspreiden van Tora-kennis. De Tora werd gegeven in het jaar 2448 na de Schepping, en de tweede periode van tweeduizend jaar was de periode waarin de Tora centraal stond, en uiteindelijk ook de Mondelinge Leer (de Talmoed en essentie van het Jodendom) werd opgeschreven. De laatste 2000 jaar van de 6000 jaar die wij te gaan hebben in deze G’dsverduistering wordt het tijdperk van de Messias genoemd. Wij gaan ervan uit, dat het Messiaanse tijdperk nog steeds niet is aangebroken. Toch zijn we er zeker van dat de Messias eens zal komen. Wat er dan gebeurd heeft te maken met de Joodse ideeën over hoe de Schepping van het materiële universum tot stand is gekomen.

Funderingssteen
Het Jodendom gaat ervan uit, dat de wereld vanuit één materieel punt werd geschapen. Dit materiële punt was de funderingssteen op de Tempelberg, waar altijd de Heilige Arke met daarin de Stenen Tafel en de Tora-rol van Mozes gelegen heeft. Vanuit dit materiële punt dijde het heelal uit totdat G’d de ongeremde groei van het materiële een halt toeriep.

Na de komst van de Messias – rond zesduizend jaar na de Schepping – breken één of twee millennia van ongebreideld zielengenot aan. Gehuisvest in een aards omhulsel van vlees en bloed zullen de zielen ten volle kunnen genieten van G’ds uitstraling, zoals die reeds nu potentieel in de wereld aanwezig is. Maimonides zegt  aan het einde van zijn reusachtige codex, dat het enige verschil tussen nu en de tijd  van de Messias is, dat wat nu potentieel aanwezig is, dan realiteit zal zijn geworden. De mensheid zal kunnen genieten van de intense, alomtegenwoordige aanwezigheid van het Opperwezen. Aan het einde van het zevende of het achtste millennium zal de wereld weer ineenschrompelen en verdwijnen in het Opperwezen (The Big Crunch). Dit is een korte schets van Schepping tot Apocalyps vanuit het Jodendom bezien. Ik denk dat er geen positiever eindbeeld mogelijk is dan de gedachte, dat de hele wereld, het totale universum, weer volslagen op zal gaan in en een eenheid zal gaan vormen met G’d.

GOED EN KWAAD, VRIJE KEUS
Ieder mens heeft een vrije wil. Maimonides (hilchot tesjoeva, 5) poneert onze keus tussen goed en kwaad als een onaantastbaar axioma. Wij kunnen zelf beslissen of we het positieve in het leven volgen of het negatieve (3:22): ”Zie de mens is als een van ons geworden ten aanzien van het onderscheiden tussen goed en kwaad”. Maimonides (1140-1205) noemt de mens uniek in zijn bewustzijn en zijn innerlijk gevoel voor goed en kwaad. Niemand houdt ons tegen. Daarom staat er verder in de Tora (ibid.): ”Laat hij zijn hand niet uitstrekken.”
Velen, ook wetenschappers, menen dat G’d de mens van tevoren programmeert. Maimonides noemt dit dom en dwaas: ”Denk niet dat G’d bij de geboorte bepaalt of de mens verantwoordelijk of niet zal zijn. Dat is niet zo.” Iedereen kan even verantwoordelijk als Mosje Rabbenoe worden. Iedereen heeft de keuze om liefdevol of wreed te worden, gierig of gul, extreem of matig. Dit geldt ook voor vele andere karaktereigenschappen.
Wanneer wij zondigen dan veroorzaken we ons zelf schade. Maar wij kunnen berouw hebben. We kunnen terugkeren en ons verkeerde gedrag achter ons laten: ”Laten we ons gedrag diepgaand onderzoeken en laten we terugkeren tot Hasjeem, Die altijd trouw is.” Het hele Jodendom is van deze gedachte doordrenkt.
Anders zouden wij robotten zijn en zou er geen sprake kunnen zijn van straf en beloning. De vrije keus staat expliciet o.a. in Devariem 11:29: ”Zie ik houd u zegen en vloek voor. Zegen wanneer u luistert maar vloek als je andere goden volgt.”
G’d dwingt de mensen niet. Als alles van tevoren vast staat, kan de Tora niet waarschuwen tegen ongewenst gedrag. Als we vanaf onze geboorte voorgeprogrammeerd zijn, kan G’d ons nooit voor goede daden belonen: ”Zou de Rechter van de hele aarde geen recht doen?” (18:25).
G’d heeft Zijn wil op aarde gevestigd: ”Al wat G’d wil heeft Hij op aarde en in de hemel gedaan” (Psalmen 135:6). De vrije wil op bevel van Hogerhand is niet zo moeilijk voor te stellen. Net zoals G’d wil dat het vuur opstijgt, water naar beneden zakt en elke planeet een bepaalde kringloop doorloopt, zo volgen wij in al ons gedrag wat G’d van ons wil. G’d wil dat wij een vrije wil hebben. Wij zijn zo geprogrammeerd dat wij vanuit onszelf met de kennis die wij van Boven gekregen hebben, doen wat wij als vrije mensen moeten doen. En daarom kan G’d ons beoordelen, belonen of straffen. Het is precies zoals Jesjaja gezegd heeft:”Zij kozen hun eigen weg” (66:3). Daarom waarschuwt koning Salomo iedereen, ook jongelui, om goed te beseffen waar ze mee bezig zijn:”Verheug je in je jeugd maar realiseer je dat G’d rekening en verantwoording zal vragen” (Prediker 11:9).

Hier ligt echter een stevige paradox. Als G’d alles van tevoren weet, wat is dan nog onze vrije keus? Als de mens gebruik maakt van zijn vrije keus, ontstaan er grote theologische problemen. We moeten dan stellen dat zijn keus niet voorzien is maar dit is onmogelijk want G’d voorziet alles. Maimonides zegt dat beantwoording van deze vraag meer papier in beslag zou nemen dan de aarde lang is en meer dan de zee breed is. Veel andere belangrijke ideeën hangen hiermee samen. Maar één ding wil Maimonides aan ons wel kwijt: dat G’d geen kennis krijgt door iets dat buiten Hem staat. Hij en Zijn kennis zijn één.
Bij de mens is dat anders. Als wij kennis verwerven, nemen we iets op uit de wereld om ons heen. Wij en ons weten zijn twee aparte eenheden. Wij kunnen G’d niet begrijpen: ”Mijn gedachten zijn niet jullie gedachten en jullie wegen zijn niet Mijn wegen”, zegt G’d aan Jesjaja (56:8). Aldus onze grote filosoof Maimonides.

EERSTE MITSVA 
“Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u, vult de aarde en beheerst haar” (1:28).

Waarom is kinderen krijgen de eerste mitsva? Rabbenoe Bachja ibn Asjeer (14e eeuw, Spanje) geeft antwoord. De mens is het enige schepsel, dat het G’ddelijk beeld in zich draagt. Hij is het enige creatuur, dat zijn Schepper kan kennen en erkennen. Hiervan moeten natuurlijk zoveel mogelijk exemplaren op de wereld rondlopen. Alleen op deze wijze kan het G’ddelijk potentieel zich op aarde manifesteren.
Ik zeg wel eens tegen mijn gehoor:’wat is de beste investering? (een beetje wrange vraag in deze crisistijd). Infrastructuur, computerprogramma’s of onroerend goed? Mijn antwoord is voor velen een openbaring: kinderen. Mensenkinderen – human resources – zijn de hoogste vorm van investering. Alle andere aardse fabrikaten zijn slechts een afgeleide van de mens’.
Een tweede antwoord van Rabbenoe Bachja luidt, dat G’d een plan met de wereld heeft: Tora en mitsvot. Die moeten geleerd en uitgevoerd worden. Zonder mensen gaat het niet.

Vult de aarde
Wat betekent ‘vult de aarde’? De Or Hachajiem (18e eeuw Marokko, Jeruzalem) meent, dat onbewoonde plaatsen broeinesten vormen voor ongewenste elementen. Daarom moet de wereld zo veel mogelijk bevolkt worden. Velen brengen hier het spook van overbevolking tegen in. Rabbi Mosje Alshiech (16e eeuw, Saloniki) vindt dit argument een `geloofscrisis’: ”Zij die geloven, geloven ook, dat de wereld werd geschapen om in alle behoeften van de mensheid te voorzien. Als je niet in een constant scheppende en verzorgende G’d gelooft, zul je inderdaad bang zijn om kinderen op de wereld te zetten, omdat je geen vertrouwen hebt in het potentieel van de Schepping.”

De joodse voortplanting wil niet zo lukken. In Israël staan de islamieten op 4,4 tegenover 2,6 aan joodse zijde. In Europa is het gemiddelde niet-joodse gezin groter dan het joodse. Natuurlijk bestaan hiervoor allerlei redenen en achtergronden maar in een democratische staat geldt, dat hij die de meerderheid heeft het voor het zeggen heeft.
Het is niet zo maar, dat deze voortplantingsmitswa als eerste in de Tora vermeld wordt. De Talmoed noemt het zelfs een heel belangrijke mitswa. Het voortbestaan van het Joodse volk is ervan afhankelijk.

Kinderen in zo een ellendige wereld?
In B.T. Berachot 10a vertelt de Talmoed dat koning Chizkia niet wilde trouwen. Hij voorzag dat zijn kinderen resja’iem – slecht – zouden zijn. De profeet Jirmija onderhield hem: ”Met G’ds plannen heb jij niets te maken” – dwz. hoe G’d ook beschikt over het karakter van de kinderen, het blijft een plicht om kinderen op de wereld te zetten. Tegenwoordig hoort men nogal eens, dat men geen kinderen wil ‘neerzetten in deze rampzalige wereld’. Ook daarvoor geldt: met wat de toekomst ons brengt, hebben wij niets te maken. Onze Wijzen stellen zelfs (B.T. Jewamot 63a) dat iedereen die zich weigert voort te planten het aangerekend wordt alsof hij (potentieel en spreekwoordelijk) het `G’ddelijk beeld in de wereld vermindert’. De mens werd naar G’ds evenbeeld geschapen. Hoe meer van dit grootse schepsel op aarde vertegenwoordigd is, hoe meer de G’ddelijke ziel reliëf krijgt op aarde: ”op wie moet de Sjechina, de G’ddelijke Aanwezigheid anders rusten? Op hout en steen?”.

Niet voor niets sprak ik de hele tijd in de mannelijke vorm. De vrouw is vrijgesteld van deze mitswa, omdat bevallen meestal een gevaar voor het leven van de moeder inhield. De Tora is gegeven ”om te leven en niet om te sterven”. Hoewel de openingsvers van dit stukje in het meervoud staat geschreven – dus ook aan de vrouw gericht lijkt – is dit volgens Rasjie meer een beracha (zegen) dan een werkelijke opdracht. Toch hebben de Talmoedgeleerden de vrouw later ook verplicht om te trouwen.
Voor zijn twintigste moet men getrouwd zijn. Tegenwoordig zijn we wat later rijp en is de mitswa enkele jaren uitgesteld. Volgens Beet Hilleel heeft men de  mitswa vervuld met een vruchtbare zoon en dochter. Wanneer men joods wordt en voor de gioer al kinderen had, worden deze meegerekend voor de mitswa van `pirja werivja’ wanneer ook de kinderen joods worden.
Ook op latere leeftijd moet men (her)trouwen. Meer kinderen dan twee is zeer aanbevelenswaard. Twee-derde van de wereld is nog niet bevolkt. Tegen de tijd dat het ook daar `vol’ is, kunnen we nog altijd uitwijken naar de maan. Ook in deze mitswa komt een groot principe van de Tora naar voren: van de nood wordt een deugd gemaakt.

Reacties zijn gesloten.