Na Adam was corruptie, afgodendienst en onzedelijkheid gemeengoed. G’d besluit een geweldige vloed over de aarde te brengen waarin elk levend wezen ten onder zal gaan, behalve Noach en de zijnen.
Noach krijgt opdracht een grote ark te bouwen voor zijn gezin en ook voor één of meer paren van de dieren, zodat die zich na de vloed weer kunnen voortplanten. De regen duurt veertig dagen en nachten en bedekt zelfs de hoogste bergtoppen. Na een tijd begint het water te zakken. Noach zendt een raaf en een duif uit om te zien of de aarde weer bewoonbaar is. De eerste keer kwam de duif terug, de tweede keer met een olijftak; de derde keer kwam ze niet meer terug.
G’d draagt de mensen op de ark te verlaten. Uit dankbaarheid brengt Noach een offer. G’d belooft nooit meer de wereld te verwoesten. De regenboog wordt het teken van die belofte. Noach plant een wijngaard en wordt dronken van zijn eigen product. Hij ligt naakt in zijn tent te slapen en Cham ziet hem. Hij vertelt het aan zijn broers Sjeem en Jafet, die met een deken over hun schouders achteruit de tent inlopen zonder hun vaders naaktheid te zien. Noach vervloekt Kena’an, de zoon van Cham.
Na een tijd willen de mensen een toren bouwen die tot in de hemel reikt. Door de spraakverwarring verspreidt de mensheid zich over de aarde.
Noach (Bereesjiet / Genesis 6:9 – 11:35) , 9 oktober 2010 / 1 Chesjwan 5771 Rabbijn mr. drs. R. Evers
Spijt?
Een belangrijk thema in de parasja Noach is een theologische kwestie. Hoe kan het Opperwezen van gedachte veranderen? Heeft G’d niet kunnen voorzien, dat de mensheid – aan de vooravond van de Maboel (Zondvloed) – de fout zouden ingaan. Een bekende traditionele `masjal’ (parabel) illustreert deze problematiek. Een heiden vroeg eens aan Rabbi Jehosjoe’a ben Korcha: “Stellen jullie niet dat G’d de toekomst kan voorzien?”. “Inderdaad stellen wij dat”, bevestigde Rabbi Jehosjoe’a. “Waarom staat er dan in de Tora (6:6) “en G’d had er spijt van dat hij de mens had geschapen”? Was G’d zich er niet bewust van dat de mens in de toekomst kwaad zou doen?”.
Vreugde en treur
Rabbi Jehosjoe’a antwoordde met een wedervraag: “Heb je ooit een kind gekregen”? “O zeker”, antwoordde de heiden. “Hoe voelde je je toen je dat kind kreeg?”. “Ik was erg blij en heb een groot feest gegeven”, antwoordde de heiden. “Wist je dan niet dat dat kind uiteindelijk weer zou sterven?”, vroeg Rabbi Jehosjoe’a. “Wat heeft het een met het ander te maken?”, vroeg de heiden. “Wanneer er vreugde is dan maak ik een feest en wanneer ik moet rouwen dan treur ik”, antwoordde de man. “Hetzelfde geldt voor G’d”, antwoordde Rabbi Jehosjoe’a ben Korcha. Hoewel Hij wist dat Hij uiteindelijk kwaad zou zijn op de generatie van de Zondvloed en Hij hem uiteindelijk zou vernietigen, heeft Hij de mens toch geschapen.”
Engelen
Zelfs de Engelen werden corrupt in de tijd van Noach. Twee Engelen daagden G’d als het ware uit: “Heer der wereld, hebben we U niet voor de schepping van de mens verteld dat hij onwaardig zou zijn en dat hij beter niet geschapen had kunnen worden?”. Maar G’d antwoordde dat wanneer de mens niet geschapen zou zijn de wereld geen nut zou hebben. De Engelen waren het er niet mee eens en stelden dat hun bestaan voldoende doel voor de wereld was. Bovendien stelden zij dat wanneer zij op aarde werden neergelaten, zij alle aardse verleidingen zouden kunnen weerstaan om G’ds naam in de wereld te heiligen. G’d gaf hun toestemming om naar de aarde af te dalen en de test te doorstaan, maar helaas faalden de Engelen. Toen zij de schoonheid van de menselijke vrouwen zagen, konden zij de verleiding niet weerstaan en zondigden zij met hen. Uit deze Engelen zijn de reuzen die leefden in de generatie voor de zondvloed voortgekomen.
Klompje cellen met ziel?
“Hij die het bloed van een mens door een mens vergiet, diens bloed zal vergoten worden” (9:6). Zo op het eerste oog verbiedt de Tora hier moord. Maar men kan deze pasoek (vers) ook vertalen als: “Hij die het bloed van een mens in een mens vergiet, diens bloed zal vergoten worden”. De Hebreeuwse letter `beet’ kan zowel als “door’’ vertaald worden als plaatsbepalend (in). Rabbi Jismaëel bespreekt in de Talmoed (B.T. Sanhedrin 57b) de tweede vertaaloptie en komt tot een abortusverbod: ook een mens in een mens heeft recht op bescherming.
Heeft een klompje cellen al een ziel? Wat is het moment van bezieling? Bij een volwassen mens worden twee neigingen onderscheiden: de neiging tot het aardse (de jetser hara) en de neiging tot het spirituele, het G’ddelijke (de jetser hatov). Daarnaast bestaat nog een primaire levenskracht, die het lichaam in stand houdt en evenals een dier begiftigd is met een bepaalde vorm van energie, die leven hier op aarde mogelijk maakt. Wellicht bestaat er in de eerste fasen van het menselijk leven (de eerste 40 dagen na de conceptie) nog een andere vorm van leven, die men met de term ‘plantaardig’ zou kunnen aanduiden. Zo komt men tot vier stadia van bezieling: ‘Plantaardig leven’ (Talmoed: ‘maja be’alma’ – slechts een beetje water) gedurende de eerste 40 dagen na de conceptie. `Primaire energie’ houdt het kind in leven vanaf 40 dagen na de conceptie tot het moment van de geboorte. De `jetser hara’ maakt een aardse vorm van zelfstandig menselijk leven mogelijk. De jetser hara voert de boventoon gedurende de eerste 12 of 13 jaar van het menselijk leven. De `jetser hatov’ tenslotte inspireert werkelijk religieus leven. Deze zielevorm wordt pas ten volle gerealiseerd na de puberteit en geeft de mens zijn hogere bestemming in het leven.
De blauwe knoop voor
Alcoholmisbruik is uit den boze. In de Tora wordt hiervoor verschillende malen gewaarschuwd. De Tora was de blauwe knoop weer voor. Na de grote vernietiging van de aarde, alle flora en fauna voelde Noach grote behoefte om de wereld weer op te bouwen en de grond te cultiveren. Hij werd een toegewijde boer. Maar dit leidde tot allerlei ongewenste gevolgen. Noach had wijnranken meegenomen in de Arke. Hij begon zijn werk als ’man van de aarde’ door een wijngaard te planten. Dit was fout. Hij had eerst graan of andere belangrijke groenten of fruit moeten planten.
De Midrasj Agada (9:21) schetst hoe het ging. Satan vroeg Noach of hij mocht meedoen met de aanleg van de wijngaard. Noach was akkoord. Satan verrichtte een aantal symbolische handelingen om aan te geven, dat wijn niet altijd even goed is voor de mens. Hij kwam in eerste instantie met een klein lammetje aanzetten, slachtte het en drenkte de wijnstok in zijn bloed. Daarna kwam hij terug met een leeuw. Ook het leeuwenbloed vermengde zich met de wijnrank. Vervolgens slachtte Satan een aap. Het bloed stroomde uit over de wijngaard. En uiteindelijk kwam hij terug met een varken, dat ook boven de wijngaard geslacht werd.
Hiermee maakte Satan het gevolg van overmatig wijngebruik duidelijk. Als men één beker wijn drinkt wordt men zo mak als lammetje. Na twee bekers wijn voelt men zich een leeuw, die opschept over alles wat hij denkt te gaan bereiken. Na drie bekers gaat men dansen als een aap en na vier bekers geeft men over en rolt men in de modder als een varken.
Noach was blij met zijn snelgroeiende wijngaard. Hij dronk echter teveel wijn want hij voelde zich depressief van het woeste aanzicht van de aarde. Kleinzoon Kena’an zag grootvader naakt liggen. Hij rende naar zijn vader Cham, die Noach daarop castreerde. Cham wilde niet dat Noach nog een vierde zoon zou krijgen waarmee hij de wereld zou moeten delen: ”Adam had slechts twee kinderen. Kain doodde Abel om in zijn eentje over de wereld te heersen. Wil Noach nog een zoon? Dan liggen de conflicten voor het oprapen!”.
Sjeem en Jafet werden zeer kwaad op Cham en bedekten Noach. G’d beloont iedereen precies naar zijn daden. Het Joodse volk, afstammelingen van Sjeem, kregen een talliet om zichzelf te bedekken. De afstammelingen van Jafet zouden een respectabele begrafenis in Israël krijgen, zoals Jechezkeel (39:11) toezegde: ”Ik zal Gog, een afstammeling van Jafet, een eervolle begrafenis geven”. Cham echter kreeg een vloek:”Omdat jij mij een vierde zoon onmogelijk hebt gemaakt, zal jouw vierde zoon, Kena’an, vervloekt zijn. Ik heb geen vierde zoon gekregen die mij zou kunnen bedienen. Daarom zal jouw vierde zoon slaaf zijn voor zijn broeders”. Cham zelf kon niet vervloekt worden omdat G’d Noach, Sem, Cham en Jafet al gezegend had. Vandaar dat Noach Chams (vierde) zoon vloekte.
Juridisch staartje
Kena’ans vloek kreeg nog een juridisch staartje in de tijd van Alexander de Grote. Gedurende zijn korte leven was hij goed voor de Joden. De Afrikanen werden jaloers op de Joden, die toen langzamerhand Kena’an weer bevolkten. Zij daagden de Joden voor Alexander de Grote en beweerden dat Israël behoorde aan hun vader Kena’an. Daarom heette het land Kena’an. De aanklagers namen het woord: ”Israël is van ons Afrikanen omdat wij afstammen van Kena’an, de vierde zoon van Cham. Jullie nemen het onrechtmatig in”. De Joodse woordvoerder Geviha ben Pesisa, zei: ”U beroept zich op het eigendomsrecht. Waar is uw bewijsstuk?”. “Dat is uw eigen Tora. Daarin staat geschreven dat het land Kena’an zich uitstrekte van Tsidon tot Gerar (10:19)”. ‘Dat is juist’, antwoordde Geviha “maar als jullie je op onze Tora beroepen, dan weten jullie ook dat Kena’an door zijn grootvader Noach vervloekt werd. Hij zou slaaf worden voor zijn broers (9:26). Dit betekent dus dat jullie onze slaven zijn. Jullie hebben ons nog nooit gediend! Wij vragen, koning Alexander, dat u ons een vergoeding geeft voor al die tijd dat de Afrikanen zich aan hun dienst hebben onttrokken”. De Afrikanen konden geen antwoord vinden en trokken zich beschaamd terug.
De toren van Babel
De torenbouwers van Bavel wilden een stad en een toren bouwen waarvan de spits in de hemel reikte om zich een naam te maken. Volgens één interpretatie richtte de `spits’ zich tegen de Hemelheer. Zij meenden dat ze G’d konden aanvallen. Hun koning heette Nimrod, die in zijn expansiedrift over de hele wereld wilde heersen. Toen hij zag dat alle volkeren zich begonnen te verspreiden en zijn invloed minder werd, zocht hij naar een methode om iedereen bij elkaar te houden. Hij bouwde een hoge toren als centraal oriëntatiepunt tegen verspreiding maar tevens om duidelijk te maken hoe machtig hij was. In zijn hoogmoedsverplettering meende hij het te kunnen opnemen tegen G’d. Nimrod wilde dat de hele wereld zijn naam zou verheerlijken ten koste van die van G’d.
G’d frustreerde zijn plannen en liet iedereen een andere taal spreken. Hun eenheid werd verbroken. Daardoor konden ze zich niet meer verenigen achter één koning. Nimrods plannen werden verijdeld. Zij kregen een veel lichtere straf dan de mensen uit de tijd van de Zondvloed omdat de mensheid in de tijd van Nimrod tenminste op het intermenselijke vlak goed was. Wanneer er eenheid is onder de mensen kan men alles bereiken. In de Zohar trekt men hieruit de volgende conclusie: als reeds slechte mensen in eenheid veel kunnen bewerkstelligen, geldt dit toch zeker voor goede burgers, die zich verenigen om Tora en Mitsvot uit te voeren. Als zij een eenheid vormen, kunnen zij tot grote hoogten reiken. Dit is uiterst actueel. Alleen als onze gemeenschap zich tot een eenheid verenigt, kunnen wij grote doelen realiseren.
Is de torenbouw van Babel nog actueel? Ik denk dat wij voortdurende bezig zijn hoge torens van onszelf te bouwen om maar niet te hoeven luisteren naar G’ds woord. Velen geloven meer in de wetenschap dan in G’d. De wetenschap is inderdaad tot grote hoogten gestegen. Het menselijk verstand, de rede, wordt vaak tegenover het geloof in G’d gesteld. Het omgekeerde is echter waar. Wanneer we lang nadenken over de schepping wijst dat op de nietigheid van de mens en de almacht van G’d. De grote wijsheid van G’d, die verborgen ligt in de natuur is slechts een vingerwijzing. In feite doet de wetenschap niets anders dan ontdekken wat er allemaal verborgen ligt in het universum. We voegen niets toe aan de Schepping. Het enige wat we doen is correlaties ontdekken tussen fenomenen in de natuur. Dit is ook wat koning David in zijn Tehilliem (Psalmen 8) zegt: ‘Wanneer ik Uw hemel zie, het maaksel van Uw vingers, de maan, de sterren die U heeft bereid, wat is dan nog de mens dat u hem zult gedenken en het mensenkind dat U naar hem omziet, o G’d, hoe groot is uw naam over de hele wereld!’.
G’d daalde af om de stad te zien. Het woord afdalen zit de verklaarders enigszins dwars. G’d is toch overal? Seforno (16e eeuw, Italië) legt dat `afdalen’ uit: G’d kijkt niet alleen naar de handelingen van de mensen maar ook beoordeelt Hij de gevolgen daarvan. Hij daalt af tot het einde van iedere handeling. Seforno’s opmerking geldt voor alle gedrag van de mens. Iedere daad heeft enorme gevolgen. Ook voor de gevolgen wordt men verantwoordelijk gehouden. Dit geldt niet alleen in het privé leven. Wanneer men iets kan doen voor de gemeenschap en dat nalaat, heeft dat ook consequenties. Ook daarvoor is men aansprakelijk. Aan de andere kant heeft ook al het goeds dat men doet positieve gevolgen, waarvoor men beloning krijgt. Wanneer men meerdere mensen onder de vleugels van de G’ddelijke Majesteit heeft gebracht, is dit ook weer een verdienste voor vele generaties.
