Parsja Toledot (Bereesjiet/Genesis 25:19-28:10)
TOLEDOT (letterlijk: geslachten) is de 6e sidra van Bereesjiet/Genesis. Twintig jaar blijft Rivka kinderloos. Als ze dan zwanger is, voelt ze zoveel beweging, dat ze bij G’d te rade gaat. Hasjeem zegt haar dat ze een tweeling draagt. Hun wegen zullen ver uiteen gaan. De oudste zal de jongste dienen. Bij de bevalling blijkt de jongste de hiel van de eerstgeborene vast te houden, reden waarom hij Ja’akov (`die iemand een hak zet’) genoemd wordt. De oudste heet Esau. Deze wordt jager, Ja’akov is een tentbewoner.
Op een dag komt Esau moe en hongerig van de jacht terwijl Ja’akov linzensoep kookt. Ja’akov wil hem soep geven als hij zijn eerstgeboorterecht verkoopt. Esau denkt dat hij toch spoedig sterft en staat het eerstgeboorterecht af. Jitschak trekt naar Gerar vanwege een hongersnood en zegt dat Rivka zijn zuster is. Jitschak wordt erg rijk en de koning van Gerar verzoekt hem het land te verlaten. Jitschak graaft de putten uit die zijn vader eerder had gegraven. Als Jitschak zijn einde voelt naderen, roept hij Esau om hem de eerstgeboren-zegen te geven, nadat deze hem een malse bout van de jacht heeft verschaft. Rivka hoort dit en draagt Ja’akov op zijn vader uit de kudde een gerecht te bereiden om de eerstgeboren-zegen in ontvangst te nemen. Ja’akov is nog niet weg met de beracha of Esau komt met het gevraagde gerecht. Jitschak schrikt geweldig als hij het bedrog merkt, maar handhaaft toch de zegen voor Ja’akov, ondanks het bittere verwijt van Esau.
Rivka verneemt dat Esau zijn broer wil doden na de dood van Jitschak en stuurt Ja’akov naar haar broer Lawan om uit de familie een vrouw te zoeken.
Toldot is de zesde parsja in de Tora. De Tora heeft 54 parsjiot,het eerste boek Bereesjiet bevat totaal 12 parsjiot. Chajee Sara telt 106 pesoekiem, verzen en 1432 woorden en is hiermee de 29e na langste parsja. Het bevat geen mitsvot, geboden.
Bedrog van Ja’akov?
“Dit is de geschiedenis van Jitschak, de zoon van Avraham. Avraham bracht Jitschak voort” (25:19). Deze mededelingen lijken vrij overbodig maar de Tora geeft hier aan, dat de geschiedenis zich herhaalde. Net zoals bij Avraham zijn zoon Jisjma’eel het hoge niveau van kedoesja, heiligheid niet aan kon en uit de Joodse geschiedenis verdween, zo ook kon Esau, de zoon van Jitschak, die nu geboren zou worden, dit niet aan. Jisjma’eel zou de voorvader van de Arabieren worden en Esau de voorvader van Rome, waaruit uiteindelijk het geciviliseerde Westen zou ontstaan. Beider afstammelingen hebben het Jodendom niet altijd even positief bejegend.
De scheiding der geesten bij Jitschak en Rivka had een veel pregnanter karakter dan een generatie eerder bij Jitschak en Jisjma’eel. Rivka droeg twee totaal verschillende persoonlijkheden reeds in de buik. De een zou voor het aardse gaan en de ander voor het spirituele, het verhevene, het Hemelse. Maar als we de Tora oppervlakkig lezen, komt Ja’akov, de man van de geest weinig sympathiek over. Hij lijkt het eerstgeboorterecht op slinkse wijze aan Esav te ontfutselen. Bij de aankoop van het eerstgeboorterecht lijkt Ja’akov misbruik te maken van de omstandigheden. Esav is doodmoe van de jacht, uitgehongerd, depressief en heeft weinig levensverwachting: “Ik sterf toch, wat heb ik aan het eerstgeboorterecht?”.
De strijd tussen Esav en Ja’akov ging eigenlijk om het privilege om voor altijd het verbond van Avraham aan de latere geslachten door te geven. In de Tora (Genesis 21: 12) staat eerder, dat slechts een deel van de nakomelingen van Jitschak de traditie van Avraham zouden voortzetten, maar niet al zijn kinderen. Jisjma’eel zou uit de Joodse traditie vallen
Pas in onze Sidra (28: 4) wordt bevestigd, dat Ja’akov de fakkeldrager zou worden. Jitschak droeg hem op een vrouw te zoeken uit het geslacht van Avraham, en niet van de Kana’anieten en gaf hem de zegen van Avraham. De profeet Maleachi zei het al: “Esav was een broer van Ja’akov”. De nadruk ligt hier op het woord “was”, verleden tijd. Esav en Ja’akov waren inderdaad gelijk in elk opzicht en hadden gelijke rechten. Alleen Ja’akov was het, die het verdiende om de opvolger in de Joodse traditie te worden.
Jitschak wilde de materiële en geestelijke wereld verdelen. Niet als aparte eenheden maar als complementaire. Zou Esav hiervoor geschikt zijn geweest, dan had hij de alleenheerschappij over de fysieke wereld gekregen. “De handen zijn de handen van Esav en de stem is de stem van Ja’akov” – de doe-realiteit en de spirituele zijn aparte werelden, maar moeten elkaar aanvullen. Het is het uiterlijk naast de innerlijke bedoeling.
Jitschak wilde een harmonie tussen zijn zoons, maar Esav zou dit niet toelaten. Ja’akov en Esav waren verschillende karakters, reeds vanaf de conceptie. Beiden wilden beide werelden. De belichamingen van goed en kwaad kunnen niet coëxisteren. Anders dan de relatie tussen Jismaëel en Jitschak waren Ja’akov en Esav als tweeling vanaf de conceptie al onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het zou een eeuwige rivaliteit worden, bijna zonder compromis. Wanneer de één zou vallen, zou de ander opstaan en vice versa.
Beracha (zegen) heeft dezelfde letters als Bechora (eerstgeboorterecht). Ja’akov vroeg Esav dit eerstgeboorterecht aan hem te verkopen. Ja’akov sprak slechts over de spirituele aspecten van het eerstgeboorterecht, niet over de financiele erfenis. Ja’akov bood Esav een fabelachtige som voor het eerstgeboorterecht. De pot linzen was alleen het zakendiner. Na het eten van dat ‘rode’ uitte Esav geen woord van protest. De Tora zelf getuigt van zijn desinteresse in het voortzetten van de Joodse traditie.
Behalve zijn overeenkomst met Esav had Ja’akov nog een aparte claim op het eerstgeboorterecht. Volgens Rasjie (25: 26) hield Ja’akov Esavs hiel vast bij de geboorte om aan te geven, dat het eerstgeboorterecht hem toebehoorde. Volgens Rasjie was Ja’akov ook als eerste de baarmoeder ingekomen. Gelijk een buisje met knikkers kwam hij daarom ook pas als laatste uit de baarmoeder. First in, last out.
Eerstgeborenen in de menselijke, dierlijke en plantenwereld hebben een aparte status. De eerstgeboorte symboliseert een bepaalde liefde. Daarom worden zowel de Tora als het Joodse volk “bikkoeriem – eerstelingen” genoemd. Als men zijn eerste gaven heiligt, toont men wat zijn werkelijke doel is in het leven. Pas daarna wijdt men zich aan zijn privé-aangelegenheden.
Ieder van de Aartsvaders had zijn eigen missie, die voortgezet werd door één van zijn kinderen. Bij de conceptie dringt de spermatozoa door in het eitje. Daarmee is de taak van de vader afgelopen. De rest van de ontwikkeling is afhankelijk van de moeder. Dit heet het ‘potentieel van de vader’. Het potentieel van de Aartsvaders werd voortgezet door hun zonen en door ieder op zijn eigen wijze uitgebouwd. Ja’akov was het potentieel van zijn voorouders. Hij was de beste weergave van zijn vaders potentieel, de belichaming en afsluiting van de uitbouw van de missie van de Aartsvaders. Ja’akov gebruikte de strengheid van zijn vader en de liefde van zijn grootvader Avraham voor zelfanalyse en spirituele groei. Esav combineerde beide trekken maar geperverteerd, enkel om zijn lusten te bevredigen.
Ooit een moeilijk kind gehad in de klas? Dan weet u dat daar de meeste aandacht naar toe gaat. Jitschak wist dat Ja’akov een spirituele hoogvlieger was en dat Esav zijn absolute mindere was. Maar voor een man als Jitschak, die alles op eigen kracht wilde waarmaken, zou elke hulp van buitenaf, zoals in de vorm van een beracha (zegen), afbreuk doen aan de kwaliteit van iemands persoonlijke geestelijke inspanningen. Negatieve omstandigheden vergroten juist iemands verdiensten. Daarom wilde hij Ja’akov nièt maar Esav wèl zegenen. Jitschak meende dat Esav in een constante strijd verwikkeld was om zichzelf te verbeteren, een strijd die hij niet kon winnen zonder assistentie. Jitschak meende, dat Esav al het materiële aanwendde voor geestelijke doelen. En daarom wilde Jitschak juist Esav helpen met een zegen. Daarom hield Jitschak meer van Esav, want hoe meer je in iemand investeert hoe meer je hem lief hebt. De ontknoping was een grote ontgoocheling voor Jitschak. Teleurgesteld raken in je kinderen is het ergste wat je als ouder kan overkomen…
Uit: MOGE UW ZIEL GEBUNDELD WORDEN
Bovenlimiet bij testamentaire schenking
Vorige week schreven wij over de grote verdienste van Tsedaka. Er zijn echter grenzen.
Toch kent vrijgevigheid aan het eind van het leven – indien er erfgenamen zijn – grenzen. Er bestaat een bovenlimiet van 49%.
In de Babylonische Talmoed stelt Rav Ila’a: ‘In Oesja werd bepaald, dat niemand meer dan eenvijfde mag afdragen’. De reden hiervan was, dat men bij grotere afdrachten misschien tot armoede zou vervallen en de hulp van anderen nodig zou hebben. Toch wordt deze uitspraak door vele latere geleerden en decisoren beperkt uitgelegd.
Rabbi Awraham Danzig (1748-1820) merkt op, dat Maimonides, die uiteraard ook bekend was met deze Talmoedbron in traktaat Ketoewot, de limiet van eenvijfde alleen laat gelden voor hen, die door meer af te dragen hun financiële positie inderdaad in gevaar zouden brengen.
Rabbi Chaïm Joseef David Azulai (1724-1806) stelt, dat Maimonides de limiet van eenvijfde slechts vermeldt bij de vrijwillige Tempelgaven maar hierover zwijgt bij de bepalingen omtrent tsedaka. De meest recente autoriteiten menen dan ook, dat een zeer vermogend persoon meer mag of moet afdragen, afhankelijk van de omstandigheden.
Rabbi S.Z. Auerbach zegt, dat dit geoorloofd is terwijl Dajan J.J. Weiss van mening is, dat men hierbij voldoet aan een dringende plicht van moraal en fatsoen. Een en ander wordt beargumenteerd met de stelling, dat de nood tegenwoordig zo hoog gestegen is, dat velen dagelijks benaderd worden door arme lieden. De bovenlimiet van eenvijfde moet niet worden opgevat als een rigide plafond. Zeker tegenwoordig – nu de meeste mensen maandelijks een vast inkomen genieten – is grensoverschrijding geoorloofd, als men in de desbetreffende maand geld heeft overgehouden.
Aan het eind van het leven is het eveneens toegestaan om meer dan eenvijfde af te dragen aan tsedaka, omdat hier de reden van de bepaling van Oesja niet opgaat . R. Mosje Isserles (1520-1577) meent, dat men vlak voor het overlijden zoveel kan schenken als men wil.
Uit de woorden van Rabbi Jitschak Alfassi en Rabbenoe Asjer valt op te maken dat men niet veel meer dan eenvijfde mag afstaan aan het einde van het leven. R. Joseef Te’o¬miem – Prie Megadiem – stelt dat men slechts eenderde van het vermogen mag uitdelen bij het overlijden; dezelfde mening is Rabbi Akiwa Eger (1761-1837) toegedaan. Ook hij beschrijft een bovenlimiet van eenderde; Rav Azulai (1724-1806) wil zelfs de helft van het vermogen als legaatschenking toestaan. Hoewel onder omstandigheden legatering van zelfs het hele vermogen geoorloofd is , moet men voor de praktijk als richtlijn aannemen dat niet meer dan de helft van de erfenis mag worden afgestaan voor liefdadige doelen. De bron in de Talmoed – gebaseerd op een uitspraak van Mar Oekwa – spreekt van niet meer dan de helft. Concluderend kan voor de praktijk gesteld worden dat men tot de helft van het vermogen mag wegschenken voor liefdadige doelen zodat minimaal 51% overblijft voor de erfgenamen, die erven volgens de regels van de Tora. Een erflater heeft dus niet het recht om zijn erfenis volledig aan anderen te schenken en niets over te laten aan zijn erfgenamen.
HAFTARA
Uit: Achtergronden van de haftara
Het Tora lezen is belangrijker dan de haftara
a) De maftier valt buiten het getal van de opgeroepenen voor de Tora.
b) Het Tora lezen gaat een de haftara vooraf.
c) De haftara is korter dan de afdeling uit de Tora.
d) Kaddiesj brengt een scheiding aan tussen beide lezingen en duidt een verschil in heiligheid aan.
e) Het voorlezen van de haftara en haar voor-beracha, begint pas na het sluiten van de Tora. (Een andere reden hiervoor is wellicht: om zich beter op de haftara te kunnen concentreren).
f) De beracha van de haftara geeft de volgorde aan: “Die de Tora heeft uitverkoren en zijn dienaar Mosje”, pas daarna komt: “en de ware profeten”.
g) De maftier wordt eerst opgeroepen voor de Tora, en pas daarna leest hij de haftara voor..
h) Indien er geen Tora rol aanwezig is, wordt geen haftara voorgedragen (het is dan echter wel geoorloofd uit de profeten voor te lezen, maar zonder beracha).
A priori is het beter niet iemand op te roepen voor maftier als hij de haftara niet zelf voorlezen kan.
In deze parsja worden Ja’akov en Esav bar-mitsva. Daarom enige aandacht voor halachische aspecten van de bar-mitsva.
De beracha van de vader
Wanneer de zoon bar-mitsva wordt, zegt de vader: “Baroech sjepetaranie me’onsjo sjel zè” – Geprezen is G’d die mij heeft vrijgemaakt van dit kind. Deze dankzegging wordt uitgesproken omdat de vader tot de bar-mitsva gestraft wordt wanneer de zoon zondigt. De vader is verplicht om het kind op te voeden en nu is hij daarvan bevrijd. Andere zeggen dat het precies omgekeerd is: de zoon wordt gestraft voor de overtredingen van zijn vader, hetgeen na de bar-mitsva afgelopen is. In ieder geval moet de vader bij het uitspreken van de beracha beide bedoelingen in zijn achterhoofd hebben. Sommigen zeggen deze beracha met de G’dsnamen, anderen, zoals in Nederland, niet. Deze beracha moet uitgesproken worden in aanwezigheid van tien volwassen mannen, waarvan twee Rabbijnen zijn, die halachot geleerd hebben. In principe moet de zoon bij het uitspreken van deze beracha aanwezig zijn maar wanneer de vader elders is, zegt hij de beracha aldaar. De vader zegt dan: “Baroech sjepetaranie me’onsjo sjel benie die en die”. Wanneer hij dan later zijn zoon ziet, zegt hij voor de tweede keer, zonder vermelding van de G’dsnamen, de normale beracha “Baroech sjepetaranie me’onsjo sjel zè”. Zelfs wanneer vader en zoon geen contact meer hebben, mag men deze “beracha” uitspreken.
De minhag (gewoonte) is het om deze beracha te zeggen bij de eerste keer dat het kind wordt opgeroepen voor de Tora of wanneer hij voor het eerst voorgaat als chazzan (voorzanger) in de dienst. Dan is het iedereen bekend dat hij bar-mitsva is.
Sommigen zeggen dat men deze beracha ook kan uitspreken bij de se’oedat-mitsva.
Dit is in ieder geval beter wanneer deze se’oeda (maaltijd) op de verjaardag van de bar-mitsva wordt gehouden, dan dit uit te stellen. Meer dan drie dagen uitstellen van deze beracha is zeker geen goede zaak. Wanneer de vader niet meer leeft, zegt de grootvader deze beracha niet. Omdat het echter tegenwoordig gebruikelijk is om deze beracha zonder G’dsnamen uit te spreken, kan de grootvader het tegenwoordig wel uitspreken. Over een adoptief kind wordt deze beracha niet uitgesproken.
