WAJEETSEE (en hij ging weg). Ja’akov gaat op weg naar Charan. Als het donker wordt, droomt hij over een ladder waar engelen op en af klimmen. G-d belooft hem een uitgestrekt land en een groot nakomelingschap, alsmede Zijn bescherming. In Charan aangekomen ontmoet hij zijn nicht Rachel, dochter van Lavan. Hij komt in huis bij oom Lavan en wil zeven jaar werken voor Rachel. Na die 7 jaar schuift Lavan bedriegelijk de zwaar gesluierde Lea onder de choepa. Na een week huwt hij ook Rachel, voor wie hij nogmaals 7 jaar moet werken. Lea baart vier zonen: Re’oeveen, Sjimon, Levie en Jehoeda. Rachel geeft haar slavin Bilha aan Ja’akov, die Dan en Naftali baart. Lea geeft ook haar slavin Zilpa en die baart Gad en Asjeer. Lea krijgt dochter Dina. Tenslotte krijgt Rachel een zoon: Joseef. Ja’akov wil vertrekken maar Lavan maakt een overeenkomst met hem over welk vee Ja’akov en welk vee Lavan toebehoort. Ja’akov wordt steeds rijker. Na 20 jaar wil Ja’akov vertrekken met zijn gezin en doet dat als Lavan afwezig is vanwege schaapscheren. Lavan gaat de stoet achterna maar krijgt te horen dat hij Ja’akov geen kwaad mag doen. Er wordt een steen opgericht als getuigenis en Lavan gaat naar huis.
Verdieping:
Esau was vreselijk jaloers op Ja’akovs zegen hoewel hij het eerstgeboorterecht en de beracha verkocht had onder het genot van een bord linzen. Ja’akov vluchtte naar Lavan om Esau’s moordlust. Esau was sindsdien zijn eeuwige vijand. Deze haat droeg Esau over aan zijn zoon Elifaz, die het als een familietraditie verder doorgaf aan de komende generaties, waar later Amalek, Agag en Haman van afstamden. Het stopt nooit: antisemitisme heeft altijd en overal bestaan, onafhankelijk van het niveau van aanpassing aan de heersende cultuur. Soms lijkt het heviger te worden wanneer er minder joden wonen. Een typisch voorbeeld is Polen. Het eeuwige antisemitisme wordt teruggevoerd op de strijd tussen Esau en Ja’akov. Rivka werd geprofeteerd dat haar kinderen niet goed samen konden coëxisteren. Esau ambieerde het aardse leven, Ja’akov het hemelse. Antisemitisme lijkt onuitroeibaar.
Israëls aartsvijand is Amalek, de kleinzoon van Esau en de zoon van Elifaz (36:4). De moeder van Elifaz was Timna, die joods wilde worden. Zij ging naar onze Aartsvaders toe om zich te laten bekeren, maar die wilden haar niet als proseliet aanvaarden. Uiteindelijk kwam ze terecht bij Elifaz, de zoon van Esau, omdat ze liever een dienares bleef binnen het volk Israël dan een meesteres bij een ander volk. Van haar stamde Amalek af, die het joodse volk zoveel ellende bezorgde. De Talmoed (B.T. Sanhedrien 99b) geeft als reden: omdat men haar niet had mogen wegsturen toen zij joods wilde worden.
Onbegrijpelijk! Onze Aartsvaders probeerden iedereen bij het Jodendom te betrekken. Waarom weigerden ze haar? Onze Aartsvaders worden, zij het zeer subtiel, bekritiseerd voor het feit, dat ze Timna niet in de Jodendom hebben willen opnemen.
Nachmanides (12de eeuw, Spanje) schetst de oorzaak van de Arabische afkeer. Nadat Hagar zwanger was geworden van Jisjma’eel, klaagt Sara. Avraham geeft haar vrij spel:“Sara was hard tegen Hagar en Hagar vluchtte van haar weg” (16:6). Nachmanides stelt, dat “Sara verkeerd handelde toen zij Hagar hard aanpakte. Avraham handelde ook verkeerd omdat hij het toeliet. G’d hoorde Hagars ellende en gaf haar een zoon die uiteindelijk het joodse volk erg zou dwarszitten.” Ongelooflijk! Het toont in ieder geval “hoe de handelingen van de Voorouders bepalend zijn voor de geschiedenis van hun kinderen” – ma’asee avot siman labaniem.
Dezelfde gedachte zien we terug bij de confrontatie tussen Mordechai en Haman. De Midrasj legt een verband tussen de haat van Haman en de manier waarop Ja’akov aan de zegening van de eerstgeborene kwam. In de Megilla van Ester staat dat toen Mordechai doorhad wat besloten was door Haman “Mordechai zijn kleren scheurde en zich hulde in zak en as. Hij ging naar het midden van de stad en liet een luide en bittere schreeuw” (Ester 4:1-2).
Die luide en bittere kreet wordt in verband gebracht met de Esau’s bittere klacht, toen hij merkte, dat Ja’akov er met de zegen vandoor was: “Ja’akov liet Esau vreselijk huilen (27:34). Ja’akov kreeg dit terug in Sjoesjan, toen zijn afstammeling Mordechai een bittere en luide kreet liet vanwege de ellende die Haman, een nakomeling van Amalek, over de Joden bracht”.
Geeft de Midrasj hiermee een rechtvaardiging van antisemitisme? Nee! Maar het legt wel een oud, vrijwel onzichtbaar oorzaak-gevolg verband bloot. In het vijfde boek van de Tora (25:19) wordt gesteld, dat wij “de herinnering van Amalek moeten uitwissen van onder de
Hemel, gij zult dit niet vergeten”. Hoe is het mogelijk de herinnering uit te wissen, terwijl we niet mogen vergeten. Misschien betekent dit dat wij de herinnering aan Amalek moeten uitwissen omdat dit op onze eigenschap duidt, dat we soms iets te ongevoelig omgaan met onze aartsvijanden, waar door we nog meer vijandschap creëren. Vrede kunnen we alleen maken met onze vijanden. Vrede kunnen we alleen bewerkstelligen wanneer wij ongevoeligheden uit vorige generaties niet herhalen. Maar ondanks alle historische achtergrond blijft antisemitisme volslagen verwerpelijk. Uiteindelijk is dit geen Joods, maar een moreel probleem van de antisemieten zelf.
Uit: MOGE UW ZIEL GEBUNDELD WORDEN
Vorige week schreven wij over de grenzen en beperkingen bij het geven van Tsedaka. Nu delen wij met U enkele gedachten over erfrecht.
ERFRECHT EN TESTAMENTEN
Het Joodse erfrecht is gebaseerd op zowel de Schriftelijke als de Mondelinge Leer, die beide geopenbaard werden op de Berg Sinaï en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
De Bijbelse bron voor het Joodse erfrecht staat beschreven in Numeri 27:8-11: ‘En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, als volgt: Wanneer iemand sterven zal terwijl hij geen zoon heeft, dan zult gij zijn erfgoed doen overgaan op zijn dochter. En als hij geen dochter heeft, dan zult gij zijn erfgoed geven aan zijn broers. En als hij geen broers heeft dan zult gij zijn erfgoed geven aan de broers van zijn vader.
En als er geen broers van zijn vader zijn zult gij zijn erfgoed geven aan zijn bloedverwant die hem van zijn familie het meest nabij is en die zal het erven; en dit zal voor de kinderen Israëls zijn tot choekat misjpat – rechtsinstelling – zoals G’d Mozes heeft geboden’.
Erfrecht is dwingend recht
De Hebreeuwse woorden choekat misjpat hebben een verstrekkende betekenis. Choekiem zijn wetten die erop gericht zijn om de mens zelfcontrole aan te leren. Deze vormen de basis voor de misjpatiem – sociale wetten – die bedoeld zijn om het leven in de maat¬schappij te regelen.
De term choekat misjpat is een fusie van deze twee begrippen. Volgens Maimonides (Nachalot 6:1) wordt deze term gebruikt in verband met het erfrecht omdat er een algemene regel is in het Joodse recht die zegt dat een beding of rechtshandeling, die direct in strijd is met de Tora-voorschriften, niet geldig is. Op deze regel bestaat één uitzondering, en die luidt: ‘In financiële zaken is in principe ieder beding geldig’. Dit is tevens de mening van Rabbi Jehoeda in vele talmoedische discussies (B.T. Bawa Metsia 51a, 94a, Ketoewot 56a, Kiddoesjien 19b, Gittien 84b, Bawa Batra 126b). In puur financiële aangelegenheden kan men afwijkende bedingen maken, omdat iedereen het recht heeft om financiële privileges kwijt te schelden of niet te accepteren.
Het Joodse erfrecht is gedeeltelijk financieel recht, maar desondanks geldt hiervoor, dat het verboden is om te vererven op een manier die indruist tegen de Tora-voorschriften inzake vererving. De achtergrond van deze gedachte ligt in de filosofie van de Tora omtrent privé-bezit. Gedurende het leven mag een mens vrijelijk beschikken over zijn eigendom – zover als de Tora-wet dit toestaat – en mag men zijn vermogen schenken aan een ieder die men wil begunstigen, zij het met beperkingen. Na het overlijden is dit echter anders; men kan niet meer beschikken over het vermogen. De Bijbelse wet neemt het bestuur over en het erfrecht schrijft voor wat er gebeuren moet met het vermogen van de overledene. Dit erfrecht van de Tora kan niet veranderd of aangetast worden door testamentaire beschikkingen. Desondanks zijn er oplossingen om het Nederlands recht en Joodse recht te harmoniseren.
Vajeetstee is de zevende parsja in de Tora. Het eerste boek Bereesjiet bevat totaal 12 parsjiot. Vajeetstee telt 146 pesoekiem, verzen, 2021 woorden en 7512 letters en is hiermee de 4e na langste parsja. Het bevat geen mitsvot, geboden.
Uit: Achtergronden van de haftaraMoeten de haftarot geschreven worden zoals een Tora rol?
– Volgens sommige meningen moet iedere gemeente a priori profeten en ketoeviem bezitten, op voorgeschreven wijze op perkament geschreven, met de juiste intenties bij het schrijven van de heilige Namen. Verschillende gemeenten en jesjivot volgen dit gebruik.
– Volgens anderen is dit niet noodzakelijk en mag de voorlezing ook geschieden uit een volledig Tenach-boek of volledig profeten-boek (dus het hele boek Jesjaja, het hele boek Owadja, etc.)
– Vandaag de dag is het gebruikelijk te volstaan met een gewoon choemasj of ander gedrukt boekwerk.
De inhoud van de haftara
De inhoud van de haftara houdt verband met de gelezen afdeling uit de Tora (v. Avoedraham), of met een bepaald seizoensgebeuren, zoals “de vier afdelingen”, “de drie weken”, Jamiem toviem, feestdagen e.d.
In de tijd van de Talmoed bestond er kennelijk niet altijd een vaste haftara. Nog heden ten dage bestaan er verschillende versies van bepaalde haftarot.
In het verleden werd de Tora in een cyclus van drie jaar voorgelezen, hetgeen 154 afdelingen met 154 haftarot meebracht. Zo is te begrijpen dat er bijv. nog vier verschillende haftarot voor “Bereesjiet” bestaan.
Uit halachisch oogpunt: Als men reeds over een bepaalde haftara de beracha heeft uitgesproken, en pas daarna opmerkt dat men een fout heeft gemaakt, dan leze men daarna de juiste haftara zonder opnieuw de beracha te zeggen. Dit geldt zelfs voor het geval wanneer men reeds de na-berachot heeft uitgesproken.
Haftara tijdens het mincha gebed van Sjabbat?
In bepaalde tijden werd bij mincha van Sjabbat een haftara gelezen, waarschijnlijk uit de ketoeviem. Volgens anderen waren het 10 pesoekiem uit Jesjaja en Jirmija, die vertroosting inhielden. Deze haftara heette “nechemta”.
Volgens een andere mening werd ditzelfde gebruik niet alleen Sjabbat middag, maar ook iedere ochtend na het davvenen, het gebed gehandhaafd. Door armoede gedwongen werd dit gebruik opgeheven en vervangen door de twee pesoekiem van “oewa letsion”, op Jesaja hoofdstuk 59 gebaseerd (zie Likoete pardes).
Aangezien het de gewoonte was de profeten en geschriften in het openbaar te bestuderen, met het houden van een leerrede daarbij, werd daardoor het grootste deel van de Sjabbat reeds in heiligheid doorgebracht. Hierdoor werd de haftara bij mincha “teveel”. (Bovendien werd het tijd voor de mitsva van de derde Sjabbat-maaltijd).
Misschien hangt het lezen van Pirkee Avot, en van Tehiliem, op Sjabbat middag hiermee samen. De “vaderen” aan het begin van ‘Pirke Avot’ vermeld, waren immers de opvolgers van de profeten en van ‘de grote vergadering’ die in het begin van pirkee avot vermeld worden.
Profeten ->de grote vergadering -> de geleerden van de misjna.
In tegenstelling tot sjabbat – op een vastendag wordt met mincha wel een
haftara gelezen, met de strekking tot inkeer te komen (Rav Chaim David Halevi).
Hoekje halacha:
1. Wat doe je met geld van onbekenden, dat je in je bezit hebt en waarvan je niet weet hoe je dit ooit moet teruggeven aan de rechtmatige eigenaar?
Als men weet dat men nog geld van anderen onder zich heeft en niet meer weet aan wie het toekomt, of in het geval dat men op een of andere wijze onrechtmatig geld aan de ge¬meenschap heeft onttrokken, hetgeen onmogelijk is terug te geven, moet men dit twijfel¬achtige gedeelte van de bezittingen bestemmen voor een fonds waarmee gemeenschaps¬activiteiten gefinancierd worden.
Omdat de stad Jeruzalem aan het gehele Joodse volk toebehoort, kan men schenkingen doen aan Tora-instituten of andere liefdadige organisaties aldaar, zoals een ziekenfonds of een openbare Synagoge.
2. Mag men kaddiesj ook voor de begrafenis uitspreken?
De nabestaanden kunnen volgens Taz (J.D. 376:4 einde) reeds voor de begrafenis kaddiesj uitspreken. Anderen stellen echter, dat kaddiesj pas na de begrafenis uitgesproken mag worden, omdat eerst na de begrafenis de Hemelse berechting begint.
Daar een oneen op door-de-weekse dagen vrijgesteld is van de gebeden zou men volgens Taz dit kaddiesj slechts op Sjabbat of Jom Tov mogen uitspreken. De Nederlandse minhaĝ volgt de opvatting van Taz en kaddiesj wordt op een Sjabbat en Jom Tov voor de begrafenis door de nabestaanden uitgesproken.
