Vajisjlach 5771

 (Bereesjiet 32:4 – 36:43)

Samenvatting: Op weg naar huis stuurt Ja’akov gezanten om zijn broer Esau gunstig te stemmen. Het blijkt dat Esau onderweg is naar Ja’akov met 400 gewapende mannen. Hij zendt nu gezanten met geschenken voor Esau. In de nacht worstelt een man – een Engel, met Ja’akov. Aan het einde van de strijd vertelt de man dat zijn naam in het vervolg Jisraëel zal zijn wat betekent dat hij met G’d en mensen gestreden heeft en heeft overwonnen. Het blijkt dat Ja’akov een gekwetste zenuw in zijn heup heeft (daarom mogen wij een deel van de achterbout niet eten). Ja’akov verdeelt zijn vrouwen en kinderen. Als er een ramp zou gebeuren, zouden niet allen ten onder gaan. Bij de ontmoeting vallen de broers elkaar om de hals en huilen. Ja’akov gaat niet in op het voorstel van Esau om bij elkaar in de buurt te wonen.
Ja’akov koopt het land waar hij zijn tenten heeft opgeslagen van Chamor, de vorst van Sjechem. Enige tijd later wordt Dina, Lea’s dochter, verkracht door Sjechem, de zoon van Chamor. Hoewel Sjechem met haar wil huwen en zijn vader voorstelt beide volksstammen met elkaar te vermengen, zijn de zonen van Ja’akov zeer beledigd door de ontering van hun zuster. Zij stellen voor dat huwelijken pas kunnen plaatsvinden als alle mannen van de stad besneden zijn.

Daarna doden Sjimon en Levie, twee broers van Dina, alle mannen van Sjechem. G’d beveelt Ja’akov naar Beth-El te gaan en daar een altaar te bouwen. Hij verschijnt Ja’akov weer en bevestigt de naamsverandering in Jisraëel. Onderweg sterft Rachel tijdens de bevalling van haar zoon Benjamin. Ja’akov begraaft haar en richt daar een gedenksteen op. Izak sterft op de leeftijd van 180 jaar.

Dina en Sjechem, een tragisch verhaal
Ja’akov had zijn belofte om een tiende af te staan aan Hasjeem, nog niet ingelost. Wanneer men nog tienden schuldig is, worden de Hemelse Boeken geopend.
G’d was ontevreden over het feit dat Ja’akov zijn dochter Dina geweigerd had voor zijn besneden broer Esav. Als straf hiervoor werd zij genomen door de onbesneden Sjechem ben Chamor. G’d beschermde Dina niet, zoals Hij Sara beschermde in het paleis van Farao en Avimelech.

Wat was er gebeurd? Sjechem stuurde wat meisjes die muziek maakten in de buurt van Ja’akovs tenten. Ja’akov zat te lernen en merkte niet dat Dina het spektakel ging bekijken. Toen Sjechem Dina in het vizier kreeg, begeerde hij haar. Hij verkrachtte haar en probeerde haar er van te overtuigen dat zij bij hem moest blijven.
Ja’akov stuurde mensen om Dina te bevrijden maar ze werden verdreven. Sjechem kreeg spijt dat hij Dina gekidnapt had. Sjechems vader Chamor werd erop af gestuurd om te onderhandelen over een huwelijk.
Chamor kwam bij Ja’akov om met hem te spreken. Ja’akov zweeg tot zijn zoons van het veld kwamen. Ja’akovs jongens waren bijzonder boos. Er was schande gedaan aan Israël. Zoiets had niet mogen gebeuren.

Chamor kwam met een voorstel: ”Sjechem, mijn zoon, verlangt naar uw dochter. Geef hem haar tot vrouw. Als u familie wordt van ons, zullen wij onze dochters aan u geven en u zult uw dochters aan ons geven. U kunt wonen in ons land. Wat de prijs ook is, ik zal het u geven.”

Met name Sjimon en Levi waren bijzonder kwaad. Kidnapping was op straffe des doods verboden volgens de Noachidische wetten. Sjimon en Levi konden de ontering niet verdragen: ”We kunnen niet ingaan op dit voorstel onze zuster te geven aan een man die nog een voorhuid heeft. Dat is een schande voor ons. Maar we willen u wel ter wille zijn als u alles wat mannelijk is laat besnijden.” Chamor en Sjechem vonden het een goed voorstel.

De inwoners van Sjechem hadden er wel oren naar. Zij besneden zichzelf. Maar ze hadden de prins voor kidnapping van Dina voor de rechter moeten slepen. Ze overtraden hiermee het zevende Noachidische gebod van het instellen van een rechtssysteem. Bovendien waren ze nog steeds afgodendienaren.

Sjechem was zo gehecht aan Dina, dat hij en Chamor de mannen van Sjechem een besnijdenis voorstelden:”Deze mannen willen vrede met ons. Hun dochters zullen wij ons nemen tot vrouwen en onze dochters zullen wij hun geven. Maar ze willen alleen één volk worden als wij ons besnijden. Let op, al hun bezittingen zullen ons eigendom worden.”

Meer dan 600 volwassenen en 200 kinderen werden besneden. Ze deden dit alleen om de grote kudde van Ja’akov te bemachtigen. Toch waren er inwoners die het niet eens waren met Sjechems voorstel. Uiteindelijk kregen alle inwoners spijt van hun besnijdenis en beloofden de dissidenten dat ze Ja’akov zouden aanvallen, zodra ze hersteld waren. Dina stelde Ja’akov via een boodschapper op de hoogte van deze plannen.

De nog jonge Sjimon en Levi vielen op de derde dag van de besnijdenis aan. Iedereen was zwak. Niemand kon zich verdedigen. Alle mannen werden gedood. Twintig man konden vluchten en alarmeerden de andere Kena’anitische koningen, die een enorm leger op de been zetten om Ja’akov en zijn kinderen een lesje te leren.

Ja’akov maakte Sjimon en Levi een ernstig verwijt. Hij besefte dat de Kena’anieten, die wel wisten dat het land was toegezegd aan de afstammelingen van Avraham, zich nu plotseling realiseerden dat er een begin was gemaakt met de verovering van het land. Ja’akov was bang dat de Kena’anieten alles zouden doen om hem te elimineren.

Sjimon en Levi bleven volhouden dat zij het recht hadden doen zegevieren. Anders zou men denken dat de Joodse meisjes gemakkelijke prooien waren. Jehoeda verdedigde Sjimon en Levi en sprak iedereen moed in. Zij stuurden boodschappers naar Jitschak dat hij voor hen zou davvenen. De hele familie en alle dienaren maakten zich gereed voor een oorlog.
De koningen van Kena’an hadden Ja’akov omsingeld. Maar raadgevers adviseerden hun uiteindelijk geen oorlog te voeren tegen Ja’akovs familie omdat G’d altijd aan hun kant stond. Uiteindelijk dropen de vijanden af . Ja’akov was op het nippertje gered.

Vajisjlach is de achtste parsja in de Tora. Het eerste boek Bereesjiet bevat totaal 12 parsjiot. Vajisjlach telt 9 parsjiot, 9 afdelingen, waarvan 6 open, petoechot en 3 gesloten, setoemot, 153 relatief korte pesoekiem, verzen, 1976 woorden, 7458 letters en is hiermee de 4e na langste parsja. Vajisjlach bevat het eerste van de 613 verboden uit de Tora – gied hanasje, de verwrongen spier die wij niet mogen eten.

Uit: Achtergronden van de haftara:

Haftara lezen door een minderjarige.
• Een minderjarige mag in principe de haftara met de berachot voordragen. Hij wordt dan ook voor de Tora opgeroepen, en zegt ook de berachot over de Tora.
• Het is niet zeker of een minderjarige voor een bijzondere haftara opgeroepen mag worden. Deze haftarot, in jaarlijkse volgorde, zijn: rosj hasjana, sjabbat sjoeva, jom kippoer, de afdeling ‘jitro’, ‘de vier afdelingen’, de zevende dag van pesach, sjavoe’ot en sjabbat chazon.
• Volgens sommige meningen echter moet een volwassene de berachot over de Tora uitspreken, en de minderjarige over de haftara. Hiermee toont men aan dat de Tora belangrijker is. Anderen zeggen dat ook de berachot over de haftara door een volwassene moeten worden uitgesproken, terwijl de minderjarige alleen maar de haftara voorleest. Iedere gemeente volge hierbij de aloude bestaande gewoontes.
• In Amsterdam is het gebruikelijk dat de haftara van de Jamiem Nora’iem, Hoge Feestdagen (rosj hasjana en jom kippoer) niet door een ongehuwde mag worden voorgedragen.
• Volgens een andere mening mag de haftara juist niet door een minderjarige (voor de bar mitsva) worden voorgedragen, maar moet dit juist gebeuren door een geleerde, daarmee aantonend hoe geliefd en belangrijk de haftara wel is.
.
CHANOEKA  Vorige week deelden wij met U enkele gedachten over erfrecht. De komende drie weken wijden wij u in de achtergronden en voorschriften van Chanoeka.

De meeste bronnen
Alle bijzondere dagen in het Joodse jaar zijn gebaseerd op Tenach, de Bijbel. Pesach, Sjawoe’ot en Soekot, Rosj Hasjana en Jom Kippoer vinden we in de Tora, de verschillende vastendagen in Newie’iem (profeten) en Poeriem in de Megilat Ester. Alleen Chanoeka wordt nergens in Tenach genoemd. Wat zijn de bronnen van de Chanoeka geschiedenis die zich nu al zo’n 2176 jaar geleden heeft afgespeeld?
Allereerst zijn er de twee eerste boeken van de Makkabiem. Bovendien hebben we de geschiedenis overgeleverd gekregen in de Megilat Antiochus en de Megilat Ta’aniet. Dan spreekt ook het boek Jehoediet over deze tijd. Behalve deze werken beschrijft ook het in de eerste eeuw geschreven geschiedenisboek van Joseef ben Mattitjahoe (Flavius Josephus) de periode waarin de Chanoeka geschiedenis zich afspeelde. Dit laatste is het enige boek over dit onderwerp waarvan de schrijver met zekerheid bekend is, en daardoor ook de enige waarvan de datum gemakkelijk is vast te stellen.

Sefariem chietsoni’iem
De Makkabeeënboeken en het boek Jehoediet vormen een deel van de zogenaamde apocriefen (sefariem chietsoni’iem). Hieronder verstaan we werken uit de tijd van Tenach en daarna, die niet in de Tenach opgenomen zijn. Deze boeken werden meer als gewone leesboeken gebruikt in tegenstelling tot de boeken van Tenach die door hun hogere kedoesja (heiligheid) echt bestudeerd worden.

De eerste twee van de vier Makkabeeënboeken  vormen geen vervolg maar beschrijven beide de gehele Chanoeka geschiedenis.  Het eerste boek is exacter dan het tweede boek, dat er meer verhalen omheen vertelt. In het eerste boek wordt de naam van G’d niet genoemd en ook spreekt het niet over Zijn invloed op de gebeurtenissen. Maar zijdelings wordt G’d wel vermeld, onder andere als de schrijver Jehoeda Hamakkabie laat
zeggen: “Niet door een groot leger wordt de oorlog gewonnen, maar uit de Hemel komt de kracht”.
In het tweede boek komt de naam van G’d wel voor. Het derde boek beschrijft Jodenvervolgingen in Alexandrië. Dit deel heeft
dus alleen met de Makkabeeën gemeen, dat het onderwerp onderdrukking van Joden is.

Het vierde boek is een soort filosofie, misschien een opgeschreven derasja (speech), die op Chanoeka gehouden is. Het enige dat het met de Makkabeeën te maken heeft is het feit dat de ideeën geïllustreerd worden met gebeurtenissen uit het tweede boek. Jehoediet Ook het apocrief Jehoediet is een werk dat deze tijd beschrijft. De veldheer Holofernes belegerde de stad Betoelia waar de weduwe Jehoediet woonde.

Jehoediet ziet kans om door te dringen tot Holofernes in het vijandelijke kamp. Bij een maaltijd samen met Jehoediet raakt Holofernes in een roes (volgens een apocriefe tekst door wijn, volgens een Midrasj mede door melkkost) en valt in slaap. Daarop onthoofdt Jehoediet hem met zijn eigen zwaard. Ze weet behouden terug te keren naar de stad. Als de volgende morgen de vijanden hun aanvoerder onthoofd vinden, trekken ze in verwarring terug.

Midrasj
Dat deze geschiedenis zich volgens de Joodse traditie in de Chanoeka periode afgespeeld heeft, zien we uit een opmerking in de Sjoelchan Aroech (Orach Chaïm 670:2, Rema), waar gesteld wordt dat er een minhag (gewoonte) bestaat om op Chanoeka kaas te eten omdat het wonder met Jehoediet mede door melk tot stand kwam. Jehoediet gaf de veldheer Holofernes kaas te eten om hem dorstig te maken en hem zo meer wijn te laten drinken. In het boek Jehoediet zelf zijn er echter geen aanwijzingen te vinden, die er op duiden dat het de Chanoeka periode beschrijft. De oorspronkelijke Iwriettekst van apocrief Jehoediet is verloren gegaan. Er is echter nog een Midrasj, die de redding door Jehoediet wel midden in het Chanoeka verhaal vertelt.

Megilat Antiochus
Buiten de Apocriefen beschrijft onder andere de Megilat Antiochus de Chanoeka geschiedenis. Waarschijnlijk is deze Megila één van de later op schrift gestelde werken over Chanoeka. Een aanwijzing hiervoor zijn de historische en geografische onnauwkeurigheden. Deze Megila werd in de 13e eeuw in Italië op Chanoeka in sjoel voorgelezen. In Jemen was dit ook later nog de gewoonte.

Reacties zijn gesloten.