Vajeesjev 5771

Vajeesjev  (Bereesjiet / Genesis 37:1 – 40:23) 

VAJEESJEV (en hij woonde). Ja’akovs meest geliefde zoon, Joseef, krijgt van hem een fraai, kleurig gewaad. Joseef vertelt zijn broers van zijn dromen: de ene waarin de graanschoven van de broers buigen voor de zijne, de andere waarin de zon, de maan en de sterren voor hem buigen. De broers krijgen een hekel aan hem en als Ja’akov hem erop uit stuurt om naar de welstand van de elders weidende broers te informeren, besluiten ze hem te doden. Op voorspraak van Re’oeween werpen ze hem echter in een droge put. Jehoeda stelt voor hem aan een juist langskomende karavaan te verkopen. Het gewaad dopen de broeders in het bloed van een geitenbokje en laten het door een gezant aan Ja’akov brengen. Deze veronderstelt dat Joseef door een dier verscheurd is. Hij is ontroostbaar. In Egypte wordt Joseef verkocht aan Potifar, de overste van de lijfwacht. Hoofdstuk 38 onderbreekt het verhaal van Joseef voor de geschiedenis van Jehoeda, zijn zonen en Tamar, de vrouw van zijn eerstgeborene. Zij wordt weduwe van de oudste zoon van Jehoeda. Volgens de regels van het zwagerhuwelijk trouwt ze met de tweede zoon, die echter zijn zaad verspilt om zwangerschap te voorkomen. Ook hij sterft. Tamar ziet dat Jehoeda haar zijn derde zoon niet geeft en besluit nakomelingschap te verwerven via Jehoeda. Dat lukt via een truc. Zij wordt één van de voormoeders van koning David. Weer terug naar Joseef: hij verwerft de gunst van zijn meester en zijn meesteres wil hem verleiden. Hij weigert. Door deze belediging beschuldigt zij hem valselijk, zodat hij in de gevangenis wordt geworpen. Ook daar klimt hij op. Hij duidt de dromen van de wijnschenker en de bakker van Fara’o juist. Na zijn vrijlating vergeet de schenker zijn belofte een goed woordje voor hem te doen bij Fara’o.

Verdieping
DE LIJN VAN DE MASJIE’ACH
De lijn van de Masjie’ach kent een moeizame geschiedenis: G’ds wegen zijn ondoorgrondelijk. De ballingschap, goles van het Joodse volk was begonnen met de verkoop van Joseef naar Egypte. Maar voordat het goles zou beginnen, wilde G’d het licht van de bevrijding scheppen. Jehoeda en Tamar kregen Perets, de voorvader van de Davidische dynastie. Daar zou uiteindelijk de Masji’ach uit voortkomen.
Wat was er gebeurd? De broers hadden genoeg van Jehoeda. Ze verweten hem dat hij de verkoop van Joseef niet voorkomen had. Jehoeda kreeg drie zonen: Eer, Onan, en Sjela. Eer trouwde met een kleindochter van Noach, Tamar de dochter van Sjeem (Sem). Tamar was een zeer ingetogen vrouw. Eer was bang dat een zwangere Tamar aan schoonheid zou verliezen. Hij verspilde zijn zaad buiten haar lichaam. G’d strafte hem. Dit was ook een straf voor Jehoeda. Hij had zijn vader verdriet gedaan door net te doen alsof Joseef gestorven was. G’d zwoer dat ook Jehoeda dit verdriet zou moeten dragen. Ook hier zien we weer het thema `mida keneged mida’ – boontje komt om zijn loontje.

Jehoeda vroeg Onan om de mitsva van jiboem, het zwagerhuwelijk, aan Tamar te voltrekken. Als een broer kinderloos sterft, trouwt de oudst overgebleven broer met de weduwe. Wanneer er dan een kind geboren wordt, kan dat de naam van de overleden broer krijgen. Maar ook Onan verspilde zijn zaad en stierf. Jehoeda stelde Tamar voor dat zij met Sjela zou trouwen maar bedoelde dit niet serieus.

Jehoeda’s vrouw stierf. Na de rouw vertrok Jehoeda om zijn schapen te scheren. Tamar voorzag met profetische geest dat zij kinderen zou dragen uit de stam Jehoeda. Zij deed een sluier om. Jehoeda kwam langs en dacht dat zij een vrouw van lichte zeden was. Hij wilde niks met haar te maken hebben. Maar een Engel dwong hem in de richting van Tamar. Hij herkende zijn schoondochter niet omdat Tamar thuis altijd gesluierd ging.

G’d vond deze ingetogenheid van Tamar een goede reden om haar de Masji’achs voormoeder te maken. Jehoeda vroeg of zij getrouwd was maar zij antwoordde dat zij vrij was. Jehoeda beloofde een geit voor de samenleving. Ook hierin werd Jehoeda `met gelijke munt betaald’. Jehoeda had zijn vader bedrogen met geitenbloed. Daarom werd ook hij bedrogen met een geit. Tamar wilde echter een onderpand. Jehoeda droeg zijn zegelring, zijn snoeren en zijn staf af. Jehoeda trouwde haar met zijn zegelring voor deze korte relatie. De zegelring was een voorteken dat de Davidische dynastie uit deze vereniging zou voortkomen. De snoeren duidden op de leden van het Sanhedrin te Jeruzalem, die altijd een talliet met tsietsiet zouden dragen tijdens de rechtszittingen. Ook die zouden van Tamar afstammen. De staf duidde op de Masji’ach, `de staf van Jisjai’. Jehoeda stuurde Tamar later de geit maar hij kon haar niet vinden.

Minder dan 3 maanden later werd bekend dat Tamar zwanger was. Ze was nog trots op haar zwangerschap ook en ging er prat op dat zij de voormoeder was van de Masji’ach. De plaatselijke rechtbank veroordeelde haar ter dood vanwege prostitutie. Tamar wilde Jehoeda echter niet vernederen. Zij stierf liever dan hem in het openbaar te beschamen. Via een gezant liet zij weten dat zij zwanger was van de man aan wie de zegelring, snoeren en staf toebehoorden en er geen sprake was van prostitutie. Tamar bezigde de woorden: “Herken toch van wie deze zaken zijn”.

Jehoeda werd diep getroffen door de overeenkomst met de woorden die hij gebruikt had toen hij zijn vader bedroog met het besmeurde kleed van Joseef: “Herken toch of dit de kleren zijn van uw zoon”.
Jehoeda gaf toe en maakte hiermee een kiddoesj Hasjeem. Maar er kwam een stem uit de Hemel die verklaarde dat dit allemaal door G’d in scène was gezet. Niet voor niets is de vier letterige G’dsnaam in de naam Jehoeda verwerkt. Tamar bleek Perets te dragen. De voorgeschiedenis van de Davidische dynastie moest weinig eervol zijn. De vereniging van Jehoeda en Tamar verdiende niet de schoonheidsprijs.

Koning David stamde af van de Moabitische Ruth. Koning Salomon werd geboren uit Batsjeva. Door hun nederige oorsprong regeerden de Joodse koningen in bescheidenheid en onderdanigheid aan Hasjeem.

Vajeesjev is de negende parsja in de Tora. Het eerste boek Bereesjiet bevat totaal 12 parsjiot, grote afdelingen. Vajeesjev telt 4 parsjiot, kleine afdelingen, waarvan 3 open, petoechot en 1 gesloten, setoema, 112 pesoekiem, verzen, 1558 woorden, 5972 letters en is hiermee de 24e na langste parsja. Vajeesjev bevat geen ge- of verboden uit de Tora.

CHANOEKA 
Dit is de tweede week van achtergronden en voorschriften van Chanoeka.
 
De naam Chasjmona’iem. De Makkabeeërs worden in de klassieke joodse bronnen en in de Chanoeka-gebeden doorgaans Chasjmona’iem genoemd. Zo staat in Misjna Middot (l: 6) “de zonen van Chasjmonaï” en wordt de term het Chasjmonaïsche koningshuis verspreid in de Talmoed aangetroffen (Sjabbat 21b, B.Kamma 82b). Waar komt deze term vandaan?

Rabbi David Kimchi (1160 – 1235) geeft in zijn verklaring op Tehilliem (68:32) aan dat dit niets anders dan “notabelen” of “vorsten” betekent.
Anderen willen in het woord “Chasjmonaï” een acrostichon zien. Chasjmonaï zou dan opgebouwd zijn uit de beginletters van essentialia uit onze religie, waartegen de Hellenistische Syriërs zich keerden in de tweede eeuw voor de gewone jaartelling:

De CH staat dan voor Chodesj, de joodse kalender;
de SJ is de beginletter van Sjabbat;
de M staat voor (Briet) Mila;
de N voor Nida (de joodse reinheidswetten) en
de Alef vormt het begin van Isjoet, de huwelijkswetgeving, die werd ontheiligd door het “ius prima nocta”, het ‘recht’ van de heidense gouverneur om de eerste huwelijksnacht met een pas getrouwd joods meisje door te brengen.

Een derde verklaring wil dat de Makkabeeërs afkomstig waren uit het plaatsje Chasjmon in het erfdeel van Jehoeda, dat in het boek Jehosjoe’a (15:27) vermeld staat.

Waarom lezen we geen megillat Chanoeka?
In feite bestaan van geen enkel feest zoveel geschreven bronnen als van Chanoeka. Juist daarom is het opvallend, dat er geen “Megilat Chanoeka” wordt voorgelezen op het Inwijdingsfeest.

Rabbi Jisraël uit Tsjortkov (19e eeuw, Polen) stelt deze vraag aan de orde en geeft het volgende antwoord: “De spirituele oorlog tegen het Hellenisme bleef niet alleen beperkt tot de generatie van de Makkabiem. In iedere generatie kleedt het heidense Griekse gedachtegoed zich in nieuwe schaapskleren om zijn gif te spuien”.

Zo legt hij ook de Talmoedische vraag “wat is dat eigenlijk Chanoeka” uit. Volgens Rabbi Jisraël betekent dit: “Waarom hebben onze Wijzen een feest ingesteld voor een doorlopende strijd, die nog steeds niet beslecht is”. En het antwoord luidt dan dat er juist daarom een speciaal feest is ingesteld om de herinnering aan die strijd levend te houden. Daarom worden de lichtjes ook ‘s avonds aangestoken, buiten en in een oplopende reeks, iedere avond één lampje meer. Juist in deze tijd van duister galoet moeten wij strijden tegen de spirituele duisternis die ons omringt. En hierbij geldt dat we steeds moeten toevoegen aan onze kennis en praktijk als tegenwicht tegen al die donkere invloeden die van buiten die realiteit onze identiteit bedreigen.

Uit: Achtergronden van de haftara:

Het voorlezen van de haftara door de bar mitsva-jongen

In tegenstelling tot vroeger is het vandaag in Israël gebruikelijk dat een bar mitsva-jongen de haftara voorleest. In bepaalde gemeenten is het echter gebruikelijk dat de bar mitsva-jongen ‘maftier’ is juist op de sjabbat vóór zijn bar mitsva, want:
 De sjabbat is de grondslag van de komende week en op sjabbat wordt in de hemel besloten wat er de komende week gaat gebeuren. Deze komende week en dus reeds deze sjabbat, begint de jongen een nieuwe periode in zijn leven, waarbij hij het ‘juk van Tora en mitsvot’ op zich neemt.

Verschillende opmerkingen.

 De omvang van de haftara. Op sjabbat tenminste 21 pesoekiem, tegenover 7 opgeroepenen (3 pesoekiem per persoon) en 15 pesoekiem op de feestdagen, tegenover 5 opgeroepenen. Het aantal pesoekiem van de haftara kan soms minder zijn en is afhankelijk van de behandelde materie.

 Het is aanbevolen de haftara staande voor te dragen.

 Om elkaar niet te storen, leest ieder gemeentelid de haftara stil met de voorlezer mee. Anderen zijn de mening toegedaan dat juist het hardop meelezen aanbevolen is. Volgens Amsterdamse ritus leze men in stilte mee, om iemand die de haftara niet behoorlijk lezen kan, niet te beschamen.

 De haftara wordt niet volgens de regel: ‘tweemaal Tora en éénmaal Onkelos vertaling’ vóór sjabbat gelezen, in tegenstelling tot de parasja van de week waarbij men dat wel doet. Desondanks las men gewoonlijk toch de haftara vóór sjabbat, met het doel zich met de tekst vertrouwd te maken en voor het geval men opgeroepen zou worden voor het lezen van de haftara. De vraag rijst dan: op een sjabbat waarop een bijzondere haftara gelezen wordt, zoals sjabbat rosj chodesj, de dag vóór rosj chodesj of ‘de vier sjabbatot’, leest men dan vóór sjabbat de bijzondere haftara of die haftara die gewoonlijk bij deze parasja behoort? Het antwoord is dat men de gebruikelijke haftara leest, aangezien de bijzondere haftarot alleen voor publiek gebruik ingesteld werden. Volgens anderen leze men thuis alleen de bijzondere haftara die sjabbat gelezen wordt, voor het geval men opgeroepen wordt als maftier.

HALACHA: 

1. Een keuzeprobleem
Het is in principe beter de Chanoeka-lichten met olijfolie aan te steken dan dit met kaarsen te doen. Als men echter niet voldoende geld heeft voor olijfolie maar wel voldoende geld heeft om kaarsen aan te schaffen, dan staat men voor het volgende probleem:
a. men zou olijfolie kunnen kopen en hiermee slechts één lichtje per avond aansteken;
b. men zou kaarsen kunnen kopen en hiermee de mitswa vervullen naar de opvatting van de mehadrien min hamehadrien (iedere avond één kaarsje meer).
De Misjna Beroera en de Chajee Adam beslissen voor de praktijk, dat het bij dit keuzeprobleem beter is kaarsjes te kopen om iedere avond één kaarsje meer te kunnen aansteken.

2. Steken we nu binnenshuis of buiten aan? In Israël, waar we tegenwoordig ons Jodendom zonder belemmeringen kunnen uitoefenen, is het de gewoonte om de Menora bij de ingang van de deur aan te steken.  Ter bescherming wordt de Menora in een glazen huls geplaatst. In de gola – de landen buiten Erets Jisraeel – is het de gewoonte om de Menora in huis aan te steken. In de Middeleeuwen vreesde men namelijk, dat de Menora door onverlaten gedoofd of gestolen zou worden.  De Aroch hasjoelchan meent bovendien, dat het in het Westen om praktische redenen ondoenlijk is de Menora aan te steken en te laten branden. Zelfs, als er geen sprake is van gevaar
(van bijvoorbeeld geloofsvervolgingen) zou men vanwege de weersomstandigheden niet buiten kunnen aansteken. Zonder beschermende huls zou de Menora door wind of regen in de winter gedoofd worden. Vandaar, dat het in het Westen gebruikelijk is – ook in onze liberale maatschappij – de lichten binnen aan te steken.

Reacties zijn gesloten.