Va’era 5771

Va’era (en Ik verscheen). G-d zegt tot Mosjee dat hij het klagen van het volk heeft gehoord en dat hij de Joden moet vertellen dat G-d ze uit Egypte zal voeren, maar ze luisteren niet. Dan beveelt G-d Mosjee naar Farao te gaan en hem te vragen het Joodse volk vrij te laten. Na een geslachtsregister draagt G-d Mosjee weer op naar Farao te gaan, waar Aharon zijn woordvoerder zal zijn. Als ze bij Farao komen, werpt Aharon zijn staf op de grond, waar deze een slang wordt. Echter, de tovenaars van Farao doen hetzelfde. Farao weigert op het verzoek van Mosjee en Aharon in te gaan. Dan strekt Aharon zijn staf over de Nijl uit en al het water verandert in bloed. Desondanks weigert Farao de Joden te laten vertrekken, waarna de plaag van de kikkers volgt. Echter, ook de tovenaars van Farao kunnen kikkers over het land laten komen. Na het verdwijnen van de kikkers slaat Aharon het zand, waarop luizen het land overwoekerden. Zelfs dat konden de tovenaars ook, maar het ongedierte verdrijven niet. Farao wil nog niet naar Mosjee luisteren. Dan ontstaat de plaag van wilde dieren, die het land Gosjen niet bezoekt. Farao staat dan de Joden toe te offeren maar daartoe mogen ze niet Egypte verlaten. Mosjee wil drie dagreizen ver gaan, maar dat staat Farao niet toe. Afwisselend verhardt G-d het hart van Farao of de koning zelf verhardt zich. Daarna volgt de veepest, maar van het vee van de Joden sterft er niet één. Mosjee en Aharon krijgen de opdracht handenvol ovenroet in de lucht te werpen; de stofwolk die dit veroorzaakt brengt huidontsteking te weeg bij mens en dier. Maar nog luistert Farao niet. Dan daalt een zeer zware hagel uit de hemel neer en al wat in het veld is, sterft. Ook het gewas wordt verwoest.

Va’era is de veertiende parsja van de Tora, de tweede van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Va’era bestaat uit 16 parsjiot, afdelingen waarvan 8 open en 8 gesloten zijn; telt 121 pesoekiem, verzen; 1748 woorden; 6701 letters en is hiermee de 20e na langste parsja. Va’era bevat geen ge- of verboden.

 

VERDIEPING:        De tien plagen zijn begonnen. Zelfs Egypte werd op de knieën gedwongen.

Tachtig procent van de Joden bleef echter achter in Egypte en trok niet uit. Hoe weten we zo zeker, dat de rasja – de slechterik – bij de Exodus ook niet bevrijd zou zijn? Misschien zou door alle wonderen zijn houding veranderd zijn?! De Joden die Egypte verlieten, waren toch ook niet allemaal zulke voorbeeldige tsaddikiem (heiligen)?! Toch waren velen in staat om hun negatieve houding te laten varen.

‘U zult weten dat Ik Hasjeem, uw G’d ben, Die u uitneemt (hamotsie) van onder de lasten van Egypte’ (6:7). Volgens de Talmoed (B.T. Berachot 38a) is het woordje hamotsie verleden tijd. Daarom vertaalt de Talmoed het vers als volgt: “Nadat Ik jullie uit Egypte heb gehaald, zal Ik iets voor jullie doen dat jullie ervan zal overtuigen, dat Ik het was die jullie heeft weggehaald uit Egypte”. Dit slaat op het geven van de Tora op de berg Sinaï. Toen konden de joden terugkijken in de tijd en realiseerden ze zich, dat het uiteindelijk G’d was, die achter alle gebeurtenissen bij de Exodus zat.

Onbegrijpelijk! Nadat ze alle tien plagen en wonderen hadden gezien waren de Joden nog steeds niet zeker dat het G’ds hand was, die verantwoordelijk was voor de bevrijding. Pas bij de Sinaï werden ze zich daarvan bewust! Rav Jechezkeel Abramsky (20e eeuw, Jeruzalem) legde uit, dat alle wonderen weggerationaliseerd kunnen worden. Alleen heel gevoelige personen kunnen de Hand van G’d overal in aanwijzen. Het karakter van de rasja is in de eerste plaats vijandig en cynisch: “Wat voor een nut heeft deze dienst voor jullie?”. Met zo’n houding kan men zelfs getuige zijn van alle wonderen bij de Uittocht uit Egypte zonder ook maar iets te veranderen. Voor hen heeft de bevrijding geen betekenis.

De rasja vraagt: “Wat is deze dienst voor jullie – ma ha’awoda hazot lachem”. Het woord ‘awoda’ wordt in de Tora gebruikt om G’dsdienst in het algemeen aan te geven. Er bestaat echter één mitsva, die altijd als zodanig ‘awoda’ wordt genoemd.  Dit is de mitsva van het Pesach-offer (vgl. Sjemot 12:26 en 13:5), waarin wij met enorme opofferingsgezindheid ons in dienst stelden van G’d. Het lam was de afgod van Egypte. Het was levensgevaarlijk de afgod van Egypte te slachten. Dat zou de volkswoede opwekken!

Wat is er zo speciaal aan het offer van Pesach dat dit de awoda (dienst van G’d) bij uitstek is? Rabbi Jitschak Hutner wijst in dit verband op een meningsverschil omtrent de mitsva (gebod) van geloven in G’d. Volgens Maimonides is dit één van de 613 mitsvot terwijl dat volgens anderen niet als aparte mitsva geteld kan worden omdat het bestaan van G’d de basis vormt voor alle andere mitsvot. Geloven in G’d is dus geen onderdeel van de mitsvot maar ‘slechts’ de basis. Hoe het ook zij, de mitsva van geloven in G’d is essentieel anders dan de 612 andere geboden uit de Tora.

Kinjan: beheershandeling. Eigenaar worden versus eigenaar zijn.

Hier gaat het om een ander concept van religie. Een klein halachisch uitstapje kan dit illustreren. Wil iemand eigenaar worden van een bepaald voorwerp dan moet hij hierover een ‘kinjan’ maken, d.w.z. uiting geven aan zijn status van eigenaar door een beheershandeling over het object te verrichten. Hoewel de eigenaar veel met het object zal werken, heeft de eerste beheershandeling toch een speciale betekenis.

De bedoeling is anders. Door de eerste beheershandeling wordt de relatie tussen eigenaar en voorwerp vastgelegd, terwijl alle volgende handelingen slechts manifestaties en uitingen zijn van deze relatie.

Dezelfde verschillen bestaan in onze relatie tot G’d. De eerste mitsva – geloven in G’d – stelt vast, dat wij dienaren van G’d zijn. Alle andere mitsvot zijn uitingen van de eerdere hechting.

Gelijk geloof in G’d de basis vormt voor alle mitsvot, vormt de uittocht uit Egypte op gemeenteniveau de basis, waarop alle latere godsdienstigheid gebaseerd was. Bij de uittocht werden de Joden G’ds dienaar. Ieder jaar worden wij weer even met de neus op de feiten gedrukt: “wij verlengen onze vaste dienst bij het Opperwezen.” De rasja haakt al af bij de fundamentele relatie. Een gemiste kans.

HAFTARA Jechezkeel hoofdstuk 28 en 29

In eerste instantie wordt het Joodse volk beloofd, dat ze veilig zullen terugkeren naar Israel en dat alle volkeren, die hen beschadigd hebben, gestraft zullen worden. Sommigen zien hierin een belofte van herbouw van de Tweede Tempel maar anderen stellen, dat deze profetie ziet op de tijd van de Masjieach.

De profeet Jechezkeel leefde tijdens de nadagen van de Eerste Tempel en woonde in Babylonië toen hij de profetie over de val van Egypte door de handen van de Babyloniers ontving. Jeroesjalajiem was al een jaar belegerd door de Babyloniërs. De inwoners van Jeroesjalajiem hoopten nog steeds op hulp van Egypte. Maar die zou verslagen worden door Babylonië.

Farao wordt beschreven als het monster van de Nijl, dat door sommigen vertaald wordt als krokodil. Gelijk de Farao uit Sjemot waande Farao Chofra zich veilig in de rivier, die het hele land Egypte irrigeerde en vruchtbaar maakte. Beide Farao’s deden aan zelfverheerlijking en benoemden zichzelf tot god en schepper van de Nijl: “Zie Ik sta boven jou, Farao koning van Egypte, het grote monster, dat in zijn rivier ligt, die zegt: `Mijn rivier is van mij en ik heb mijzelf gemaakt’ “ (29:3).

Het grote `voordeel’ van deze eigenwaan is dat men hierdoor meent niet meer onderworpen te zijn aan de G’ddelijke autoriteit. G’d laat deze hoogmoed echter niet ongestraft. Omdat het geen tijd meer was van bovennatuurlijke wonderen werd Egypte’s straf door een gezant van Hasjeem (G’d), een aards vijandelijk leger, uitgevoerd.

Reacties zijn gesloten.