Parsja Bo 5771

(Sjemot/Exodus 10:1 – 13:16)   
                              
BO (kom) De hovelingen van Farao zijn wanhopig. Toch blijft Farao weigerachtig. Wel wil Farao de mannen laten gaan, maar dat weigert Mosjee. Daarna overvallen sprinkhanen het land. Wat er nog over was van veldgewas en bomen vreten de sprinkhanen aan. Desondanks volhardt Farao in zijn weigering. Dan daalt een tastbare duisternis over het land maar ook dat verandert Farao’s houding niet. Dan volgt een uitgebreide instructie over het Pesachoffer (waarvan het bloed aan de deuren gesmeerd moet worden) en het wegruimen van het gezuurde (chameets). Tenslotte sterven alle eerstgeborenen van Egypte van zowel mens als dier. Na deze verschrikkelijke gebeurtenis dringt Farao er bij Mosjé en Aharon op aan ogenblikkelijk te vertrekken. Hierna volgen de geboden van Tefillien en het lossen van mens en dier.

Bo is de vijftiende parsja van de Tora, de derde van het tweede  Tora-boek, Sjemot. Parsja Bo bestaat uit 14 parsjiot, afdelingen waarvan 8 open en 6 gesloten zijn, telt 106 pesoekiem, verzen, 1655 woorden, 6149 letters en is hiermee de 29e na langste parsja. Bo bevat 20 mitsvot, 9 ge- en 11 verboden.

VERDIEPING I: Het Pesachoffer werd gegeten met matsa en maror, het bitterkruid, symbool van ellende. De Tora leert ons ook hoe wij moeten omgaan met het negatieve in de wereld. Het eten van maror is op zichzelf geen Toraverplichting meer tegenwoordig nu we geen Pesachoffer meer hebben. Wij kunnen zonder Maror: wij zijn niet uit op lijden. Toch zien wij ook de positieve kanten van de problemen, die wij in de loop der eeuwen ondervonden hebben. Het is een deel van ons feest¬-dankmaal. Wij gaan de moeilijkheden niet uit de weg maar gaan door, door een groeiproces, dat ons uiteindelijk terugvoert tot de Waarheid, de enige, echte emmes. Dit was de totaliteit van de Egyptische ‘experience’.

In de Misjna worden verschillende groenten vermeld, die geschikt zijn als maror. Romeinse sla is te prefereren boven het intens bittere kruid mierik. Romeinse sla is in eerste instantie niet echt bitter, pas later wordt het bitterder. Toch is dit beter omdat het de situatie in Egypte weerspiegelt: eerst waren de Joden hartelijk welkom maar later verbitterden de Egyptenaren hun leven.
Rabbi Mosje Feinstein ziet hierin een symbool voor de wijze waarop G’d met de mensheid omgaat. Wanneer HaSjeem de dwalende mens wil bijsturen, probeert Hij hem met zachte hand te rectificeren. Lukt dit niet, omdat de mens de hints van Boven negeert, dan kan het zijn, dat de mens op veel ‘bitterder’ wijze gecorrigeerd wordt. In symbolische termen stelt de Misjna, dat de “Romeinse sla behandeling” preferabel is.

Volgens Rabbi Ja’akov Kamenetsky representeert de milde Romeinse sla de gulden middenweg in het leven, die boven alles te verkiezen is. Extremisme is uit den boze! Dient G’d in vreugde is ons devies, gesymboliseerd door de “prettige” maror-variant Romeinse sla. Maror wordt ook nog eens in de charoset gedoopt.
In de Talmoed (Pesachiem 114a) stellen de meeste Geleerden, dat charoset geen mitsva is. Waartoe dient charoset dan? Om de bittere smaak van het maror te verzachten. Volgens Rabbi Eliezer bar Tsadok symboliseert charoset verschillende aspecten van de slavernij en is het een mitsva om het ook te eten. Welke betekenis voegt charoset toe?
Het antwoord van Rabbi Levi luidt: ”Het brengt de appelbomen in herinnering, waaronder de joodse vrouwen in Egypte hun kinderen in het geheim baarden, zoals er staat geschreven in Hooglied (8:5): ”Onder de appelboom heb ik u opgewekt”. Hieruit volgt dat het belangrijkste ingrediënt van de charoset appels zijn.

Rabbi Jochanan was het hier niet mee eens en stelde dat de charoset leem en cement symboliseert, waarmee de Joden in Egypte moesten werken. Maimonides beslist aldus. Volgens hem bestaan de ingrediënten van charoset dan uit droge vruchten, die het mengsel dik maken. Hij laat de appels als ingrediënt weg. Tosafot meent, dat charoset allerlei vruchten moet bevatten, die in Hooglied beschouwd worden als symbolen voor het Joodse volk, zoals granaatappels, vijgen en dadels (Rema, Orach Chaim 473:5). Half gemalen, langgerekte specerijen zoals kaneel en gember gaan er ook in omdat zij het stro, waarmee de Joden moesten werken, symboliseren.
De symboliek spreekt voor zich: de harde slavernij werd verzacht door wonderlijke expansie van het Joodse volk in Egypte. Israël werd een volk in een vreemd land. Alle rechten werden ons ontzegd. De toekomst leek verloren. De baby’s werden in de Nijl geworpen. Wij werden geboren in bloed en zouden blijven voortgaan te leven bij bloed. Het symbool van een leven vol zelfopoffering en zelfverloochening ter verkondiging van de enige waarheid.

De Tora (Sjemot 12:2) vertelt ons uitdrukkelijk, dat de maanden van het jaar geteld moeten worden vanaf Nisan. G’d wilde, dat de Exodus zo’n voorname plaats zou innemen in het leven van de joden, dat iedere keer dat ze een datum noemden, ze automatisch hun hele perspectief op het dagelijks leven zouden centreren rond deze gebeurtenis. De Exodus vormde  de vervulling van de Schepping. Toen werd de betekenis van G’ds schepping pas volledig begrepen door de mens.
VERDIEPING II
Mensen zijn maar beperkt. Wij kunnen ons niet tegelijkertijd concentreren op twee dingen. Maar het Opperwezen kan Zijn aandacht wel verdelen.
Na deze inleiding wordt een moeilijke passage duidelijk: “G’d zei tegen Mosjé: `Spreek tot het volk dat zij zullen vragen, iedere man van zijn vriend en iedere vrouw aan haar vriendin, om zilveren en gouden voorwerpen” (11: 2).

Waarom moest G’d, merkt de Gerrer Rebbe op, de Joden verzoeken om goud en zilver aan te nemen? Als wij gevraagd zouden worden om ergens geld op te halen, zouden we ’s ochtends vroeg al in een lange rij voor de deur staan.
De Gerer Rebbe meent, dat men zich realiseerde, dat geld ook veel negatieve kanten heeft. Rijkdom is een enorme uitdaging. Daarom moest G’d vragen ‘neem alstublieft dat geld aan’, omdat welstand en overvloed de mens in morele en religieuze problemen kunnen brengen. Daarom staat er ook, dat de Joden het geld moesten lenen. Want wanneer wij het gevoel hebben dat alle bezit in deze wereld slechts geleend is en niet ons eigendom is, zijn we beter af.
Wanneer wij realiseren dat onze overvloed slechts een G’d gegeven deposito is, dat we vroeg of laat moeten teruggeven en waarover we rekening en verantwoording moeten afleggen, gaan we er veel voorzichtiger en meer verantwoord mee om.

Rabbi Zalman S. Sorotskin (1881-1966) beziet het vanuit een andere hoek. Na afloop van de Sjoa voelde hij feilloos aan waarom de Joden zo negatief stonden tegenover het ontvangen van zilver en goud na de slavernij. Een van de bitterste meningsverschillen in de vijftiger jaren was de vraag of men Duitse Wiedergutmachung zou aannemen. Velen waren voor omdat men het geld hard nodig had en men de Duitsers geen voordeel zou hoeven gunnen van hun moordpartijen:“Zul je moorden en ook nog erven?” (I Koningen 21:19). Wiedergutmachung was in de ogen van de voorstanders natuurlijk nooit een compensatie voor de vermoorde levens maar diende slechts als betaling voor geroofde eigendommen.
De tegenstanders voelden dat het Duitse bloedgeld gezien zou worden als een boetedoening voor hun misdaden. Door hun ‘schuld af te kopen’ zou het Duitse volk weer toegelaten worden binnen de kring van de beschaafde volkeren. Het zou de indruk wekken alsof vele nullen kunnen dienen als verzoening voor de grofste moordpartijen: `zand erover’. Hoe oprecht zijn onze vijanden van weleer? Hadden de voor- of tegenstanders na de Sjoa gelijk? De toekomst zal het leren.

Rasji en de Talmoed bezien het weer anders. De Joden waren niet erg geliefd in Egypte. Zonder interventie van Boven was het lenen nooit gelukt. G’d had aandacht voor een schijnbaar ondergeschikt detail: gevoel voor de underdog: ”Als je een slaaf wegstuurt, geef hem dan allerlei zaken mee” (Deut. 15: 13-14). Daarmee kan hij weer een eigen toekomst opbouwen. G’d had Avraham bij het verbond tussen de stukken beloofd, dat de Joden rijk uit Egypte zouden vertrekken. De Joden hadden er geen aandacht voor. Ze snakten alleen naar vrijheid. Ze hadden hun hoofd niet vrij. Ze konden zich niet op twee dingen tegelijk concentreren. Goud en zilver interesseerden hen niet. G’d wilde dat Egypte zijn mensenplicht zou vervullen en hen niet zonder aardse middelen zou wegsturen. Aan de kleinste details wordt aandacht besteed, tegelijk met de dramatische Exodus.

Parsja Bo (Sjemot/Exodus 10:1 – 13:16)           8 januari 2011 / 3 Sjewat 5771                Rabbijn mr. drs. R. Evers
               
BO (kom) De hovelingen van Farao zijn wanhopig. Toch blijft Farao weigerachtig. Wel wil Farao de mannen laten gaan, maar dat weigert Mosjee. Daarna overvallen sprinkhanen het land. Wat er nog over was van veldgewas en bomen vreten de sprinkhanen aan. Desondanks volhardt Farao in zijn weigering. Dan daalt een tastbare duisternis over het land maar ook dat verandert Farao’s houding niet. Dan volgt een uitgebreide instructie over het Pesachoffer (waarvan het bloed aan de deuren gesmeerd moet worden) en het wegruimen van het gezuurde (chameets). Tenslotte sterven alle eerstgeborenen van Egypte van zowel mens als dier. Na deze verschrikkelijke gebeurtenis dringt Farao er bij Mosjé en Aharon op aan ogenblikkelijk te vertrekken. Hierna volgen de geboden van Tefillien en het lossen van mens en dier.

Bo is de vijftiende parsja van de Tora, de derde van het tweede  Tora-boek, Sjemot. Parsja Bo bestaat uit 14 parsjiot, afdelingen waarvan 8 open en 6 gesloten zijn, telt 106 pesoekiem, verzen, 1655 woorden, 6149 letters en is hiermee de 29e na langste parsja. Bo bevat 20 mitsvot, 9 ge- en 11 verboden.
VERDIEPING I: Het Pesachoffer werd gegeten met matsa en maror, het bitterkruid, symbool van ellende. De Tora leert ons ook hoe wij moeten omgaan met het negatieve in de wereld. Het eten van maror is op zichzelf geen Toraverplichting meer tegenwoordig nu we geen Pesachoffer meer hebben. Wij kunnen zonder Maror: wij zijn niet uit op lijden. Toch zien wij ook de positieve kanten van de problemen, die wij in de loop der eeuwen ondervonden hebben. Het is een deel van ons feest¬-dankmaal. Wij gaan de moeilijkheden niet uit de weg maar gaan door, door een groeiproces, dat ons uiteindelijk terugvoert tot de Waarheid, de enige, echte emmes. Dit was de totaliteit van de Egyptische ‘experience’.
In de Misjna worden verschillende groenten vermeld, die geschikt zijn als maror. Romeinse sla is te prefereren boven het intens bittere kruid mierik. Romeinse sla is in eerste instantie niet echt bitter, pas later wordt het bitterder. Toch is dit beter omdat het de situatie in Egypte weerspiegelt: eerst waren de Joden hartelijk welkom maar later verbitterden de Egyptenaren hun leven.
Rabbi Mosje Feinstein ziet hierin een symbool voor de wijze waarop G’d met de mensheid omgaat. Wanneer HaSjeem de dwalende mens wil bijsturen, probeert Hij hem met zachte hand te rectificeren. Lukt dit niet, omdat de mens de hints van Boven negeert, dan kan het zijn, dat de mens op veel ‘bitterder’ wijze gecorrigeerd wordt. In symbolische termen stelt de Misjna, dat de “Romeinse sla behandeling” preferabel is.
Volgens Rabbi Ja’akov Kamenetsky representeert de milde Romeinse sla de gulden middenweg in het leven, die boven alles te verkiezen is. Extremisme is uit den boze! Dient G’d in vreugde is ons devies, gesymboliseerd door de “prettige” maror-variant Romeinse sla. Maror wordt ook nog eens in de charoset gedoopt.
In de Talmoed (Pesachiem 114a) stellen de meeste Geleerden, dat charoset geen mitsva is. Waartoe dient charoset dan? Om de bittere smaak van het maror te verzachten. Volgens Rabbi Eliezer bar Tsadok symboliseert charoset verschillende aspecten van de slavernij en is het een mitsva om het ook te eten. Welke betekenis voegt charoset toe?
Het antwoord van Rabbi Levi luidt: ”Het brengt de appelbomen in herinnering, waaronder de joodse vrouwen in Egypte hun kinderen in het geheim baarden, zoals er staat geschreven in Hooglied (8:5): ”Onder de appelboom heb ik u opgewekt”. Hieruit volgt dat het belangrijkste ingrediënt van de charoset appels zijn.
Rabbi Jochanan was het hier niet mee eens en stelde dat de charoset leem en cement symboliseert, waarmee de Joden in Egypte moesten werken. Maimonides beslist aldus. Volgens hem bestaan de ingrediënten van charoset dan uit droge vruchten, die het mengsel dik maken. Hij laat de appels als ingrediënt weg. Tosafot meent, dat charoset allerlei vruchten moet bevatten, die in Hooglied beschouwd worden als symbolen voor het Joodse volk, zoals granaatappels, vijgen en dadels (Rema, Orach Chaim 473:5). Half gemalen, langgerekte specerijen zoals kaneel en gember gaan er ook in omdat zij het stro, waarmee de Joden moesten werken, symboliseren.
De symboliek spreekt voor zich: de harde slavernij werd verzacht door wonderlijke expansie van het Joodse volk in Egypte. Israël werd een volk in een vreemd land. Alle rechten werden ons ontzegd. De toekomst leek verloren. De baby’s werden in de Nijl geworpen. Wij werden geboren in bloed en zouden blijven voortgaan te leven bij bloed. Het symbool van een leven vol zelfopoffering en zelfverloochening ter verkondiging van de enige waarheid.
De Tora (Sjemot 12:2) vertelt ons uitdrukkelijk, dat de maanden van het jaar geteld moeten worden vanaf Nisan. G’d wilde, dat de Exodus zo’n voorname plaats zou innemen in het leven van de joden, dat iedere keer dat ze een datum noemden, ze automatisch hun hele perspectief op het dagelijks leven zouden centreren rond deze gebeurtenis. De Exodus vormde  de vervulling van de Schepping. Toen werd de betekenis van G’ds schepping pas volledig begrepen door de mens.
VERDIEPING II
Mensen zijn maar beperkt. Wij kunnen ons niet tegelijkertijd concentreren op twee dingen. Maar het Opperwezen kan Zijn aandacht wel verdelen.
Na deze inleiding wordt een moeilijke passage duidelijk: “G’d zei tegen Mosjé: `Spreek tot het volk dat zij zullen vragen, iedere man van zijn vriend en iedere vrouw aan haar vriendin, om zilveren en gouden voorwerpen” (11: 2).

Waarom moest G’d, merkt de Gerrer Rebbe op, de Joden verzoeken om goud en zilver aan te nemen? Als wij gevraagd zouden worden om ergens geld op te halen, zouden we ’s ochtends vroeg al in een lange rij voor de deur staan.
De Gerer Rebbe meent, dat men zich realiseerde, dat geld ook veel negatieve kanten heeft. Rijkdom is een enorme uitdaging. Daarom moest G’d vragen ‘neem alstublieft dat geld aan’, omdat welstand en overvloed de mens in morele en religieuze problemen kunnen brengen. Daarom staat er ook, dat de Joden het geld moesten lenen. Want wanneer wij het gevoel hebben dat alle bezit in deze wereld slechts geleend is en niet ons eigendom is, zijn we beter af.
Wanneer wij realiseren dat onze overvloed slechts een G’d gegeven deposito is, dat we vroeg of laat moeten teruggeven en waarover we rekening en verantwoording moeten afleggen, gaan we er veel voorzichtiger en meer verantwoord mee om.

Rabbi Zalman S. Sorotskin (1881-1966) beziet het vanuit een andere hoek. Na afloop van de Sjoa voelde hij feilloos aan waarom de Joden zo negatief stonden tegenover het ontvangen van zilver en goud na de slavernij. Een van de bitterste meningsverschillen in de vijftiger jaren was de vraag of men Duitse Wiedergutmachung zou aannemen. Velen waren voor omdat men het geld hard nodig had en men de Duitsers geen voordeel zou hoeven gunnen van hun moordpartijen:“Zul je moorden en ook nog erven?” (I Koningen 21:19). Wiedergutmachung was in de ogen van de voorstanders natuurlijk nooit een compensatie voor de vermoorde levens maar diende slechts als betaling voor geroofde eigendommen.
De tegenstanders voelden dat het Duitse bloedgeld gezien zou worden als een boetedoening voor hun misdaden. Door hun ‘schuld af te kopen’ zou het Duitse volk weer toegelaten worden binnen de kring van de beschaafde volkeren. Het zou de indruk wekken alsof vele nullen kunnen dienen als verzoening voor de grofste moordpartijen: `zand erover’. Hoe oprecht zijn onze vijanden van weleer? Hadden de voor- of tegenstanders na de Sjoa gelijk? De toekomst zal het leren.

Rasji en de Talmoed bezien het weer anders. De Joden waren niet erg geliefd in Egypte. Zonder interventie van Boven was het lenen nooit gelukt. G’d had aandacht voor een schijnbaar ondergeschikt detail: gevoel voor de underdog: ”Als je een slaaf wegstuurt, geef hem dan allerlei zaken mee” (Deut. 15: 13-14). Daarmee kan hij weer een eigen toekomst opbouwen. G’d had Avraham bij het verbond tussen de stukken beloofd, dat de Joden rijk uit Egypte zouden vertrekken. De Joden hadden er geen aandacht voor. Ze snakten alleen naar vrijheid. Ze hadden hun hoofd niet vrij. Ze konden zich niet op twee dingen tegelijk concentreren. Goud en zilver interesseerden hen niet. G’d wilde dat Egypte zijn mensenplicht zou vervullen en hen niet zonder aardse middelen zou wegsturen. Aan de kleinste details wordt aandacht besteed, tegelijk met de dramatische Exodus.
——————————————————————
Uit: MOGE UW ZIEL GEBUNDELD WORDEN
Vorige week maakten we een begin met zelfbeschikking. Deze week gaan we daarmee verder in het kader van de grenzen van het leven.
 
Gebedssterven

Het Jodendom benadrukt dus het belang van het leven, maar is er zich van bewust dat er omstandigheden zijn waaronder de mensen willen sterven. De redacteur van de Misjna (de Mondelinge Leer), Rabbi Jehoeda (2e eeuw), leed aan een verschrikkelijke ziekte. De Talmoed vertelt dat een dienares van Rabbi Jehoeda davvende (bad) voor zijn dood.
Op basis van dit verhaal stelt Rabbenoe Nissim uit Gerondi (13e eeuw) dat het prijzenswaardig is te bidden voor de dood van iemand die ernstig lijdt. Het is niet tegenstrijdig om in daad de verplich¬ting het leven te verlengen te volgen, maar in gebed te pleiten voor ontlasting van verdere verantwoordelijkheid. De mens mag G’d verzoeken hem van zijn verplichtingen te ontslaan, wanneer de grens van het menselijk uithoudingsvermogen overschreden wordt. Maar de uiteindelijke beslissing ligt bij G’d. Ook een negatief antwoord is een antwoord.
Toen de dienares van Rabbi Jehoeda haar gevoelens mededeelde aan zijn leerlingen, weigerden zij haar in het gebed te volgen. Integendeel, ze bleven davvenen (bidden) om zijn leven. Rabbi C. Palaggi neemt de visie van Rabbenoe Nissim over maar brengt hier een belangrijke restrictie bij aan: alleen degenen, die geen belang hebben bij het over¬lijden mogen hun toevlucht nemen tot het gebed. Aan deze opvatting ligt o.a. ten grondslag de gedachte dat alleen zij, die niet emotioneel of financieel betrokken zijn bij het over¬lijden, zich een objectief idee kunnen vormen, waarin alleen de belangen van de patiënt meetellen.

HAFTARA Jirmijahoe 46:13-28
De overeenkomsten tussen de sidra en de haftara zijn opmerkelijk. In beide wordt Egypte gestraft voor zijn omgang met het Joodse volk. En in beide zal het Joodse volk gered worden, toen en in een glorieuze toekomst. G’d zweert dat Nebuchadnezzar wraak zal nemen en Egypte zal verslaan en onderwerpen. De Egyptische Farao had zichzelf tot god verklaard, de Egyptische adel was rijk en had alleen zichzelf nog op het oog. Nebuchadnezzar, koning van Babylonie, zou ze een les leren.

————–
HALACHA
Vraag: Waarom is de volgorde van de berachot, zegenspreuken bij havdala, het afscheid van de Sjabbat: wijn, besamiem, licht en havdala, scheiding? Antwoord: De Rasjbats, Rabbi Sjimon ben Tsemach Duran (15e eeuw) stelt, dat wij eerst wijn drinken omdat eten en drinken de meest fysieke genietingen zijn. Daarna ruiken wij aan heerlijke kruiden omdat dat een verfijnder genot is en van enige afstand geroken kan worden. Daarna zeggen we een beracha over het licht omdat het zicht veel verder reikt. Men kan zelfs sterren waarnemen. Havdala, onderscheid maken is een spirituele of intellectuele gave, die hoger staat dan iedere aardse genieting.

Reacties zijn gesloten.