Jitro 5771

JITRO. De schoonvader van Mosjé heeft gehoord van de wonderen, verheugt zich erover en brengt offers. Jitro ziet dat Mosjé als enige rechtspreekt en raadt aan meerdere rechters aan te stellen voor zaken van geringere omvang, zodat Mosjé de belangrijke zaken kan berechten. Mosjé zoekt 78.600 rechters. De Bné Jisra’eel arriveren bij de berg Sinaï waar G’d een Verbond aanbiedt dat zij aanvaarden. Ze moeten zich 3 dagen voorbereiden op de ontvangst van de Tora. G’d daalt neer op de berg Sinaï en Mosjé moet, als enige, de berg bestijgen. Het volk blijft op afstand. Onder hevig sjofar-geschal geeft G’d de Tien Geboden. Het volk is zo verschrikt dat ze Mosjé vragen met G’d te spreken en als bemiddelaar te functioneren. G’d drukt Mosjé op het hart dat het Joodse volk haar verantwoordelijkheid neemt en trouw aan G’d blijft.

Jitro is de 17e parsja van de Tora, de vijfde van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Jitro bestaat uit 11parsjiot, afdelingen waarvan 4 open en 7 gesloten zijn, telt 75 pesoekiem, verzen, 1105 woorden, 4022 letters en is hiermee de 47e na langste parsja. Jitro bevat 3 ge- en 14 verboden.

 VERDIEPING: Rabbi Jochanan Zweig geeft een paar interessante verklaringen. Pas in deze sidra wordt uitleg gegeven aan de naam van de tweede zoon van Mosje en Tsippora. De eerste zoon heette Gershom: “want ik was een vreemdeling in een vreemd land”. Deze naam wordt al eerder in de Tora uitgelegd. Dat de naam Gershom nogmaals wordt uitgelegd in deze parsja moge duidelijk zijn. Nu Mosje voorgoed vertrokken was uit Midjan en Egypte en op weg was naar Israel nam hij definitief afscheid van zijn vreemdelingenstatus. Maar waarom wordt pas nu de naam van de tweede zoon van Tsippora en Mosje uitgelegd: “De naam van de ander was Eliezer, want de G’d van mijn vader kwam mij te hulp en hij redde mij van het zwaard van Farao” (18:4). Pas hier bij het geven van de Tora wordt Eliezers naam uitgelegd. Mosje was 80 jaar terwijl zijn redding uit de handen van Farao geweest moet zijn toen Mosje ongeveer 18 was. Waarom wordt deze wonderlijke redding pas hier uitgelegd? Als iemand gered wordt uit een levensgevaarlijke of uiterst penibele situatie heeft dat altijd een hoger doel. Dat doel werd Mosje pas nu, vlak voor Matan Tora, duidelijk. Hij zou helpen bij het openbaren van de Tora aan het Joodse volk. Daarom wordt de naam van Eliezer pas nu uitgelegd. Want Mosje realiseerde zich pas nu ten volle, dat hij van het zwaard van Farao gered werd om het Joodse volk op een hoger plan te brengen.

“En Mosje vertelde zijn schoonvader alles wat G’d Farao en Egypte had aangedaan ter wille van het Joodse volk” (18:8). “Jitro verheugde zich over al het goede, dat G’d aan Israel had gedaan” (18:9). We vertalen hier `verheugde’ maar het werkwoord `chadi’ betekent ook rimpels: “zijn vlees raakte vol rimpels want hij had verdriet over de ondergang van Egypte” (aldus Rasji op 18:9, vertaling van Onderwijzer). Rasji vervolgt met de opmerking, dat wij hieruit kunnen leren, dat men in aanwezigheid van een bekeerling zijn vroegere geloofsgenoten nooit mag beledigen omdat dat toch pijn doet.

Egyptenaren waren vroeger geloofsgenoten van Jitro. Maar Mosje vertelt eigenlijk niets beledigends over de Egyptenaren. Hij stelt slechts dat G’d de Egyptenaren doodde om de Joden te redden. Maar dat alleen al is een reden om zich beledigd te voelen. Want G’d deed dit alles “ter wille van het Joodse volk”. Het Joodse volk kreeg een voorkeursbehandeling. En dat op zich was natuurlijk al een degradatie voor de Egyptenaren. Dat deed pijn.

“Welnu, als jullie goed naar Mijn stem luisteren en Mijn verbond in acht nemen, zullen jullie voor Mij het meest dierbare bezit zijn van alle volkeren, hoewel aan Mij de hele aarde toebehoort. Jullie zullen Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk” (19: 5-6).
Rav Onderwijzer verklaart de woorden “hoewel aan Mij de hele aarde toebehoort” anders : “want aan Mij hoort de hele aarde toe”. Er zijn namelijk verschillende manieren om deze pasoek (vers) te begrijpen. Er zijn verschillende benaderingen mogelijk:
1. We kunnen er een belofte van beloning in zien en een verzekering van onze materiele toekomst. “Want aan Mij hoort de hele aarde toe” betekent dan, dat wij deze zware taak om het uitverkoren volk te zijn met veel toewijding en inzet kunnen vervullen zonder ons zorgen te maken over onze inkomenspositie. “Ik kan jullie volledig belonen en verzorgen als jullie je taak maar goed vervullen”.

2. Rasji legt de pasoek nog veel intiemer uit. Hoewel aan Mij de hele aarde toebehoort, is het enige wat Mij werkelijk dierbaar is, de taakvervulling van het Joodse volk. De hele aarde is van Mij maar dat interesseert Mij minder dan het Tora-gedrag van Am Jisraeel
Juist deze benadering benadrukt hoe belangrijk onze missie op aarde is. Maar dan moeten wij wel eerst een echt Joods volk zijn dat zich ook als zodanig identificeert. Dat is een zware opgave en een grote verantwoordelijkheid!

Reacties zijn gesloten.