Teroema 5771

Parsja Teroema (Sjemot/Exodus 25:1 – 27:19)        Inhoud: de Bnee Jisraëel moesten een heffing inzamelen: goud, zilver, koper, blauw purper, rood purper, scharlaken, fijn linnen, geitenhaar, rood geverfde ramsvellen, tachasj-vellen en acaciahout, olie voor het licht, specerijen voor de zalfolie en voor het welriekend reukwerk, bepaalde stenen voor het Efod (het schort van de Koheen gadol, hogepriester) en het borstschild. Hiermee moesten de Joden een Heiligdom maken en o.a. ook een Ark van acaciahout, 2.5 el lang, 1.5 el breed en 1.5 el hoog. Die moest overtrokken worden met louter goud. Aan de Arke moesten draagstokken bevestigd worden. In de Arke moest men de Tafels van Getuigenis neerleggen.   

Teroema is de 19e parsja van de Tora, de zevende van het tweede  Tora-boek, Sjemot. Parsja Teroema bestaat uit 9 parsjiot, afdelingen waarvan 4 open en 5 gesloten zijn, telt 96 pesoekiem, verzen, 1145 woorden, 4692 letters en is hiermee de 42 na langste parsja. Teroema bevat 2 ge- en 1 verbod.

VERDIEPING: Misjkan, mens en halacha: structuur en flexibiliteit ineen
‘Maak Mij een heiligdom – Misjkan – zodat Ik in jullie hart kan wonen’ (25:8). G’d wil in en bij de mens wonen.
De voorwerpen van het Misjkan deden denken aan verschillende organen in het menselijk lichaam: de draagbomen komen overeen met de ribben, gordijnen lijken op de huid. De kior, het wasbekken komt overeen met het lichaamsvocht, de ketoret, het reukwerk met de reuk. De menora symboliseert de geest van de mens, de sjoelchan (de tafel) de maag. De Engelen met hun uitgespreide vleugels doen ons denken aan de longen, de Aron, heilige Arke lijkt op het hart.

Zo was het heiligdom een symbool voor de mens in zijn aardse opdracht. Vastigheid maar ook veranderlijkheid. Het Misjkan is een typisch voorbeeld van de halacha, de Joodse wet: vaste bouwvoorschriften, duidelijke afmetingen, voorgeschreven materialen, harde regels. Maar toch stond in de architectuur de mens centraal. Een wonderlijke combinatie van G’ddelijke opdracht en de mens in zijn breekbare vergankelijkheid. Ook het lichaam van de mens is een wonderlijke combinatie van water (70%) en vaste materie. Vastigheid en veranderlijkheid maken onze menselijke flexibiliteit, waar de structuur van de halacha naadloos bij aansluit.

Twee gevende attitudes
Opmerkelijk is dat bij de donaties voor het Misjkan, de Tabernakel sprake is van twee verschillende houdingen: “Neem voor Mij een heffing, van iedereen wiens hart hem aanspoort”. Er waren twee soorten heffingen: verplichte gaven en vrijwillige donaties. Vaste en variabele bijdragen.
De halacha, het geheel van de Joodse voorschriften, is een levend en dialectisch systeem vol spanning. De halacha benadrukt het religieuze belang van het handelen maar verliest daarbij de emotionele en intellectuele inhoud, die de daad moet bevruchten, niet uit het oog.
Het Jodendom is erin geslaagd verheven geloofsbeginselen om te zetten in een nauwkeurig gereguleerde gedragscode met religieuse en ethische inhoud. In het gedrag wordt voortdurend in concrete vorm uiting gegeven aan theologische ideeën, ethische waarden en normen en religieus historische beginselen.

Abstract geloven te zweverig
De praktische halacha – kern van het Jodendom – is gebaseerd op het idee, dat abstract geloven, zelfs als dit een intens persoonlijke ervaring is, te zweverig is en dat religieus gevoel, dat niet stevig verankerd is in de praktijk, onwerkelijk is.

De halacha streeft ernaar spiritualiteit en conformisme   twee begrippen, die doorgaans als elkaars tegengestelde worden ervaren te verenigen.
De nadruk op deze eenheid van schijnbare tegenstellingen   wet en profetie, institutionalisering en charisma, het aardse en het bovenaardse   creëert een dialectische spanning, die karakteristiek is voor vele basisprincipes van het Jodendom.

Een schoolvoorbeeld van deze creatieve spanning is tefilla, het gebed, dat innerlijke ervaring probeert te combineren met een vaststaande tekst. Het gebed komt tegenwoordig in plaats van de offers. Gebed is spontaniteit en emotie in een gereguleerde bedding van vaste teksten en formulieren. In de halacha wordt een synthese gezocht tussen spontaniteit in een diepgevoelde relatie met het Opperwezen en een gestandaardiseerde, uniforme formulering van de gebeden.

Institutionalisering en eigen inbreng
De institutionalisering van tsedaka, liefdadigheid in onze religie is eveneens een illustratie van deze dialectische structuur. Een opwelling van medemenselijkheid, een spontane uiting van medelijden wordt gedefinieerd en gereguleerd. Liefdadige bijdragen, gedaan uit vrijgevigheid, worden verplicht gesteld en in een halachisch keurslijf gedwongen.

Ondanks objectivering en concretisering van de praktijk blijft de halacha hameren op de juiste geestesgesteldheid van de donateur. De halacha poogt een spontane opwelling naar de ander toe te combineren met de antithese hiervan: regulering en wetgeving.
De daad blijft subjectief hoewel gekwantificeerd, geïnspireerd door regelmaat, intiem maar toch formeel. Zoals bij elke synthese is ook bij tsedaka de spanning tussen beide grootheden aanzienlijk. Soms dreigt de synthese te vervallen ten gunste van één der antithesen, waaruit deze is opgebouwd.

Het gedrag kan inhoudsloos worden, de spontane actie vormloos. De spanning tussen vorm en inhoud ligt ook ingebed in de verschillende betekenissen van het woord tsedaka: rechtvaardigheid en liefdadigheid, recht en moraal, gedrag en attitude. Beide blijven belangrijk, bij het offeren, het gebed, liefdadigheid en eigenlijk alles wat wij in ons korte leven ondernemen.

Reacties zijn gesloten.