Parsja Tetsawee 5771

TETSAWEE (beveel): Mosjee krijgt de opdracht ervoor te zorgen dat de Menora brandend gehouden wordt en Aharon en zijn zonen aan te stellen als priesters (kohaniem). Ook moeten er kleren voor hen geweven worden, die gedetailleerd beschreven worden: o.a. een borstschild, een voorhoofdsplaat, een schoudermantel (efod), een tulband en een gordel. Er moeten ook twee stenen waarin de namen van de stammen gegraveerd worden, aan de schouderstukken gehecht worden. Voorts een borstschild ‘’voor bijzondere beslissingen’’ met speciale stenen die Aharon op zijn hart moet dragen. Onderaan de mantel moeten belletjes aangebracht worden.Voor de aanvaarding van het priesterschap moeten er offers gebracht worden en de nieuwe priesters moeten zich zeven dagen voorbereiden, Aharon wordt ook gezalfd met olie, met een meeloffer, olie en wijn. Ook andere offers worden voorgeschreven.

Tetsave is de 20e parsja van de Tora, de achtste van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Tetsave bestaat uit 10 parsjiot, afdelingen waarvan 2 open en 8 gesloten zijn, telt 101 pesoekiem, verzen, 1412 woorden, 5430 letters en is hiermee de 23 na langste parsja. Tetsave bevat 4 ge- en 3 verboden.

VERDIEPING: “Aharon en zijn zonen zullen de Menora in orde brengen van avond tot ochtend…en jij, breng Aharon je broer nader tot jezelf en zijn zoons met hem” (27:21).
Rav Mosje Feinstein zatsal legt uit, dat Aharon al beroepen was tot het aansteken van de Menora nog voordat hij uitverkoren was als koheen. Ook zonder koheen te zijn was hij met zijn pure karakter de uitgelezen persoon om het zuivere olielicht van de Menora aan te steken.
Om de Menora aan te steken moest men de zuiverste olie gebruiken. De olie voor de Menora moest zuiverder zijn dan de olie die gebruikt werd bij de offers. De Menora staat symbool voor het Toraleren. Daarbij moet de grootste oprechtheid betracht worden.
G’ds evenbeeld

“Ik zal wonen temidden van de kinderen van Israël en hun tot G’d zijn. Ze zullen weten dat Ik hun G’d ben, Die hen uit Egypte heeft gevoerd om in hun midden te wonen, Ik, hun G’d” (29:45-46).

G’d woont in ons. Wat houdt dat G’ddelijke in de mens in, hoe is dat kenbaar?.

1. Allereerst is er de vrije wil: ”Zie, vandaag leg Ik u zegen en vloek voor, de zegen als u zult luisteren en de vloek als u niet luistert” (Deut.11:26-29). Hasjeem leidt ons wel maar dwingt ons nergens toe. Het zou geen zin hebben om marionetten en robotten te scheppen. Maimonides zegt dit ook heel expliciet (tesjoeva 5:2):”Als u mocht denken, dat G’d van tevoren bepaald heeft, dat iemand goed of slecht wordt, dan heeft u het mis. Ieder mens kan zo rechtvaardig worden als onze leraar Mosje of zo slecht worden als Jerove’am. Ieder mens kan wijs of dom, barmhartig of wreed, gierig of vrijgevig worden als hij wil. Zo geldt het ook voor alle andere eigenschappen. Niemand dwingt de mens van tevoren tot een keuze. Die keus is geheel vrij.”

2. Een andere uiting van het G’ddelijke in de mens is zijn scheppingsdrang. Of het nu een kleine privé aangelegenheid betreft of iets macro-economisch, veel mensen voelen de behoefte om de wereld te verbeteren.

3. Ten derde is de mens in staat om afstand te doen van egoïstische eigenbelangen. Hij kan altruïstisch anderen helpen. Met gevaar voor eigen leven kunnen wij andere mensen te redden.

4. Dit G’ddelijke beeld uit zich ook in de afkeer van slechts en de voorkeur voor het goede. Zelfs de mensen die veel kwaad doen, schamen zich daarvoor en geven voor goed te zijn. Zij huichelen en dat is een uiting van eerbied voor het goede. De meeste mensen zijn van mening dat het onderdrukken van anderen slecht en het steunen van zwakken goed is.

5. Een andere uiting van G’ds eenheid in ons is de mogelijkheid om abstract te redeneren. De mens kan zich losmaken van de aardse realiteit. Hoewel ons denken altijd begint met het analyseren van een probleem, zoekt men daarna een hogere en nieuwe eenheid. Van these komt men tot antithese. Daaruit ontstaat de synthese. We zoeken doorlopend in de grote verscheidenheid de eenheid en grootste gemene deler.

6. Onze parsja spreekt over priesterkleding. Ook in onze kleding komt het G’dsbesef tot uiting. Sociologen stellen, dat wij ons kleden om ons te beschermen tegen de natuurelementen of om onszelf te verfraaien. De kledingtheorie uit de Tora luidt, dat wij ons naakt schamen. Het woord beged (kleding) komt van de stam `ontrouw’. Wij realiseren ons – sinds de zondeval – dat wij kleren moeten dragen om niet ten prooi te vallen aan allerlei lagere driften door blootstelling aan de verleidingen van het lichaam. Ook hier onderscheidt de mens zich van het dier. Het Jodendom beziet de mens als een paradoxale combinatie van lichaam en geest. Dit samengaan van lichaam en geest wordt iets wonderlijks ervaren, dat het bijzondere van het mens zijn bevestigt.

 Aan de ene kant heeft de mens trekken van deze wereld in zich terwijl hij aan de andere kant tot verhevener sferen behoort. Daardoor vormt hij de enige mogelijke verbinding tussen beide:
‘In drie opzichten lijkt de mens op een engel en in drie opzichten op een dier; in drie aspecten gelijkt hij op een engel omdat hij verstand heeft als een engel, rechtop loopt als een engel en kan praten als een engel. In drie opzichten lijkt de mens echter ook op een dier, want hij eet en drinkt als een dier, plant zich voort als een dier en scheidt de onbruikbare bestanddelen van zijn voedsel uit als een dier (B.T. Chagiga 16a ).

Dit ‘dubbele’ in het menselijk karakter kan ook in zijn uiterlijke gestalte worden waargenomen. De mens vormt de verbinding tussen hemel en aarde. Met zijn voeten staat hij op de aarde en met zijn hoofd steekt hij in de lucht als teken van zijn spiritualiteit. De mens kan zowel met de Hemel als met de aarde omgaan en deze tot hun uiteindelijke bestemming brengen. Verbinding was het doel van het Misjkan (Heiligdom) maar het uiteindelijke doel is de mens.

Reacties zijn gesloten.