Kie Tisa (Sjemot/Exodus 30:11 – 34:35)
KIE TISA (als je neemt). Er vindt een volkstelling plaats, waarbij arm en rijk ieder een halve sjekel betaalt. Betsaleel wordt aangesteld als architect. Op Sjabbat mag er niet aan het Heiligdom worden gewerkt. Mosjee is 40 dagen op de berg en ontvangt de Stenen Tafelen.
Het volk denkt dat Mosjee niet terugkomt en eist van Aharon dat er een zichtbare god gemaakt wordt. HaSjeem is woedend en wil het volk doden en uit Mosje een nieuw volk geboren laten worden. Mosje gooit de Stenen Tafelen stuk en voltrekt samen met de stam Levie – die niet aan de afgodendienst heeft meegedaan – de doodstraf aan 3000 afgodendienaren. Mosje houwt nieuwe stenen uit waarop G’d nog eens de Wet schrijft: vernieuwing van het Verbond tussen G’d en Israël.
Kie tisa is de 21e parsja van de Tora, de negende van het tweede Tora-boek, Sjemot. Parsja Kie tisa bestaat uit 14 parsjiot, afdelingen waarvan 10 open en 4 gesloten zijn, telt 139 pesoekiem, verzen, 2002 woorden, 7424 letters en is hiermee de 10 na langste parsja. Kie tisa bevat 4 ge- en 5 verboden.
VERDIEPING:
Het verbod om te tellen
De opdracht om het volk te tellen kwam eigenlijk na de zonde van het gouden kalf. Toch staat het in de Tora ervoor: ”Dit is de refoe’a voor de makka – het geneesmiddel wordt beschreven voor de ziekte”.
Velen vragen zich af waarom er geteld moest worden. G’d kende het getal toch? Maar de telling was meer voor de mensheid bedoeld. De volkeren lachten het Joodse volk uit: ”Veertig dagen na ‘wij zullen doen en wij zullen luisteren’ maakten jullie al weer een afgodsbeeld. G’d zal jullie nooit meer in genade willen aannemen”, aldus het smalende commentaar van de verenigde volkeren. Het Joodse volk werd verheven door de bijdrage aan het Misjkan (Heiligdom) van Edoet-getuigenis. Het Misjkan getuigde van G’ds vergiffenis.
De halve sjekkel was tien gera – als verzoening voor de overtreding van de Tien Geboden. Hoe zo’n klein muntje zo een grote overtreding kon verzoenen? G’d liet Mosje een brandende halve sjekkel zien. Met veel hernieuwd enthousiasme voor het Jodendom kan zelfs de zwaarste misstap rechtgezet worden!
Wij tellen geen mensen. Dit wordt afgeleid uit de openingszinnen van deze sidra. Wanneer wij dingen tellen, duidt dat erop dat ze aan verandering onderhevig zijn. Verval, vermindering en veroudering zijn allemaal gevolgen van de zondeval van Adam HaRisjon – de eerste mens. Zodra we gaan tellen, toont dit dat de dood, bederf en verval in één of ander vorm heeft toegeslagen. Dood is het gevolg van zonde en tekortkoming. Daarom is een kappara nodig, een verzoening in de vorm van donatie van een halve sjekkel aan het heiligdom.
Constant hoger
Na de zonde van het gouden kalf lukt het Mosje om Hasjeem, G’d op andere gedachten te brengen. Hasjeem wilde in eerste instantie het Joodse volk doden in de woestijn maar uiteindelijk belooft Hasjeem om Am Jisraeel te blijven begeleiden. Mosje verlangt ten slotte om Hasjeem Zelf te zien (33:18). G’d verzekert Mosje dat een mens G’d niet kan zien en blijven leven. Maar Mosje mocht wel Hasjeems `achterkant’ zien.
Wat dit betekent en wat het verschil is tussen Hasjeems gezicht en Zijn achterkant, is voor een gewoon mens bijna niet te vatten. Maar duidelijk is dat Mosje geen genoegen neemt met een laag niveau van perceptie van Hasjeem. Hij eist van zichzelf een steeds inniger nabijheid tot Hasjeem. Hij wil steeds meer van het G’ddelijk goed deelachtig worden. Hij is nooit tevreden met een eenmaal behaald niveau. Hij wil steeds hoger reiken en stijgen.
Rabbi Mordechai Kamenetzky stelt het kort maar krachtig: als je op de grond staat, moet je proberen op de berg te komen. Sta je op de berg dan moet je bij de wolken proberen te komen. Sta je op de wolken dan moet je proberen bij de sterren te komen. We mogen nooit tevreden met wat we bereikt hebben in spirituele zin. We moeten constant blijven stijgen.
