Parsja Vajikra 5771

(Vajikra/Leviticus 1:1 – 5:26)  
VAJIKRA: Derde boek van de Tora. Wajikra heet ook Torat Kohaniem – Leer van de Priesters. Een groot deel is gewijd aan de taak van de kohaniem in het (draagbare) Heiligdom. Daar moesten brand-, vredes- eerstelingen-, zonde- en schuldoffers en meeloffers gebracht worden.
Bij alle offers komt zout te pas. Wie een offer brengt, legt de handen op de kop van het dier. De offers worden soms geheel, soms gedeeltelijk verbrand. In het laatste geval is wat overblijft deels voor de koheen, en soms ook voor de aanbieder van het offer.

Vajikra is de 24e parsja van de Tora, de eerste van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Vajikra bestaat uit 21 parsjiot, afdelingen waarvan 13 open en 8 gesloten zijn, telt 111 pesoekiem, verzen, 1673 woorden, 6222 letters en is hiermee de 27 na langste parsja. Vajikra bevat 11 ge- en 5 verboden.

ACHTERGRONDEN I:
Met de bouw van de Tabernakel en de offerdienst werd vergeving mogelijk. Hoe is het mogelijk dat wij vergeving krijgen voor onze zonden? Hoe werkt die verzoening? Is er verschil tussen intermenselijke vergeving en verzoening tussen mens en G’d? Welke functie heeft vergeving voor het slachtoffer en voor de dader? Kunnen we eigenlijk wel echt vergeven? Of wordt het uiteindelijk een zaak van genade?

De excuus-cultuur
In “Herdenking en Verzoening” werd op woensdag 8 maart 2000 duidelijk, dat de Roomse kerk excuses aanbood voor alles wat zij in haar tweeduizend jarige geschiedenis verkeerd had gedaan. Vele staatshoofden gingen hieraan vooraf of volgden. Inmiddels heeft de Paus ook aangegeven, dat wij geen godsmoordenaars zijn. Eindelijk gerechtigheid?
Het excuus geniet een ongekende populariteit. Het is een machtig ritueel als het maar gemeend is.

Aandacht voor doen
Wat betekenen verzoening en vergeving in de Joodse traditie?
Laat mij beginnen met een duidelijk verschil tussen christendom en Jodendom. Christendom concentreert zich voornamelijk op geloof (sola fide). Het Jodendom concentreert zich daarentegen vooral op het handelen, het concrete doen. Natuurlijk zijn emoties, intenties en gedachten voor de Joodse religie belangrijk; niettemin ligt de nadruk op het doen.
De materiële wereld werd geschapen om daarin het G’ddelijke te openbaren. Daarmee werd het doel van de mens aangegeven: het verheffen van het materiële deel van de wereld. Daarom werd deze wereld zo fysiek geschapen. De wereld is opgebouwd uit vijf opklimmende lagen:
de mineralen, de plantenwereld, de dierenwereld, de mensenwereld en G’d. Wanneer een lagere wereld opgaat in een hogere wereld, verheft men die wereld.
Het verdwijnen van de offerdienst met de verwoesting van de Tempel in het jaar zeventig na de gewone jaartelling, betekende dat de mens de lagere werelden – mineralen, flora en fauna – niet meer zo makkelijk kon opwaarderen tot een hoger religieus niveau. Hoewel in de seculiere wereld het verdwijnen van de offerdienst als een progressief moment wordt gezien, ervaren wij het als een terugval, een gevallen toestand.
Hoe verder wij in de tijd verwijderd raken van de Openbaring op de berg Sinaï, des te zwakker is onze geest.

Twee kanten
Verzoening – eenwording – kent twee trajecten: verzoening tussen mens en medemens en verzoening tussen mens en G’d.
Verzoening tussen mens en medemens betekent herstel van een relatie.
De intermenselijke gebrokenheid kon niet goed gemaakt worden door offers. Wanneer er iets tussen mens en medemens verkeerd gaat, moet men dit met de naaste zelf weer in orde brengen.
Op Jom Kippoer – Grote Verzoendag – staat de G’d-mens-relatie
centraal: men komt in het reine met G’d, de mens wordt schoongewassen van de meeste overtredingen tegenover G’d. Maar eerst moet men het goed maken met de medemens.
Vergeving gaat vooraf aan verzoening en mag volgens Maimonides, een van de grootste Joodse filosofen en wetschrijvers (1135-1204), niet geweigerd worden. Uit vergeving vloeit verzoening voort. Zelfs wanneer iemand gestorven is, kan men nog verzoening tot stand brengen door staande aan het graf schuld te belijden en tesjoewa te doen – tot inkeer te komen.

De verzoening tussen mens en G’d werd vroeger zichtbaar door het offeren. Een offer gold alleen als verzoening bij een overtreding, die per ongeluk begaan was. Voor opzettelijke overtredingen gold een offer niet als verzoening. Voor een overtreding die willens en wetens werd begaan, moest men zelf – door introspectie en zelfverbetering – met G’d in het reine komen.
Alleen voor een onopzettelijke en onbewust begane overtreding gold de offerdienst. De idee daarbij was dat de neiging tot kwaad – ook indien er niet met opzet gezondigd was – naar voren was gekomen en dus verzoend en gezuiverd moest worden.

De offerdienst was met strikte regels omgeven. Men mocht niet op een willekeurige plek offeren maar alleen op de centrale plaats in de Tempel te Jeruzalem. De verwoesting van de Tempel in het jaar zeventig van de burgerlijke jaartelling heeft daaraan een einde gemaakt.
Sindsdien werden er geen offers meer gebracht. Daarom bestaat er ook geen onderscheid meer tussen onopzettelijke en bewuste zonden: beide vergen een intense inkeer.

ACHTERGRONDEN II:
Veel rond het Misjkan, de Tabernakel gaat over offeren en heiligheid – kedoesja. Heeft dit ook tegenwoordig nog betekenis? Van ons wordt verwacht dat we ons heiligen door een opofferende en ethische levenshouding. Heiliging is een deel van onze ethiek. Heiliging betekent een relatie met G’d en is een levensprogram. Dingen zijn nooit heilig uit zichzelf. Ook Tabernakel en offers zijn alleen heilig omdat G’d dit zo gewild heeft (Psalmen 132:14).
Wanneer het joodse volk alles in zijn omgeving ontheiligt, is ook G’ds Aanwezigheid uit de Tempel vertrokken en baat geen offer meer. Het Misjkan, de Tabernakel moet in ons hart wonen (Sjemot 25:8). Een mens kan en moet zelf een Heiligdom worden. Dat was de werkelijke bedoeling achter de opdracht om een Heiligdom te bouwen. Echte Tsadiekiem zijn lopende Tempels. Overal dragen zij G’ds heiligheid met zich mee. Dit geldt ook zonder fysieke Tempel.

Het heiligingsprogram is in eerste instantie een individuele aangelegenheid. De opdracht tot heiliging verschilt per persoon. Van een Talmied Chagam (geleerde) wordt meer verwacht dan van een Am-ha’arets (ongeletterde).
Maar telkens wordt opoffering verwacht:“Wanneer iemand als groot kenner van de Tora bekend staat en zich als een heilig mens gedraagt, en niettemin dingen doet, waardoor de mensen afkeurend over hem spreken, dan is dit een chiloel HaSjeem – ontwijding van G’ds Naam, ook al zijn dit geen duidelijke overtredingen van de Joodse wet.
Wanneer hij iets koopt maar niet direct betaalt, ontheiligt hij reeds G’ds Naam” (vgl. B.T. Joma 86a; Maimonides).

Hoe groter de Tora-geleerde, hoe strikter hij ook naar de geest van de Tora moet leven. Zelfs de schijn van een overtreding, ongevoeligheid tegenover de medemens, of gebrek aan liefde en respect voor de omgeving, kunnen al een chiloel HaSjeem – ontwijding van G’ds naam zijn.
Heiliging van G’ds naam is in tweede instantie een groepsmissie. Wat zijn hierbij de essentiele ingredienten? Derech Erets! Dit wordt vaak vertaald als een aards beroep. Maar deze notie van Derech Erets is veel te eng.  Rabbi Ja’akov Emden (18e eeuw, Duitsland) wijst erop, dat ook brede maatschappelijke betrokkenheid onmisbaar is.
Derech Erets richt de maatschappij in naar de ethische richtlijnen van de Tora. De Ge’oela Sjelema – de uiteindelijke verlossing – kan wereldwijd alleen uitgaan van een Tora-staat. Daarom is Derech Erets aldaar van nog veel groter belang dan in de gola, de ballingschap.
Israel moet de Tempel van de wereld worden.
Deze uitdaging wordt ons niet op een zilveren presenteerblad aangereikt.  Op dit moment is de Israëlische maatschappij in de verste verte nog niet zo ver. Maar het is niettemin de kiem van een Bijbelse maatschappij. De taak om dit zaadje te planten en tot bloei te brengen is ontzagwekkend en overweldigend. Het is de uitdaging van het Tora-jodendom vandaag de dag, zoals Rav Dessler (20e eeuw, Gateshead) het verwoordde: “Wee hem, die op de dag van het oordeel verschijnt en nog steeds blind is voor dit concrete feit” (Michtav Me’elijahoe III:
352).
Of zoals Rabbi Elijahoe Bloch, de Rosj Jesjiewa van Telz, het stelde:
“De gezonde elementen van het Joodse volk dragen een grote verantwoording voor de instandhouding van de Joodse land” (Bulletin Union of Students of Yeshivat Telz – Cleveland, Tewet 5747).
Onder deze omstandigheden zijn alle vormen van betrokkenheid van de Toragemeenschap – sociaal, politiek, economisch en intellectueel – acuut noodzakelijk, wil deze “G’ddelijke proefballon”, Israël, slagen als een Tora-staat (slotrede van de vierde Kenessia Gedola van de Agoedat Jisraël in 1954 van Rabbi Joseef Kahaneman, Rosj Jesjiewa van Ponowecz).
De bijzondere omstandigheden, die ons historisch tijdperk kenmerken, vereisen een voortdurend nieuwe afweging van de culturele strategie van de Tora-wereld. Het Derech Erets principe doet hierbij als leidend beginsel dienst.
Tora met Derech Erets betekent, dat wij betrokken zijn bij de wereld om ons heen in sociaal, economisch en politiek opzicht. Dit is overigens niets nieuws. De inzameling van de ballingen in Israel doet een urgent beroep op onze betrokkenheid bij alle aspecten van de
(Israëlische) samenleving. De beslissing is echter aan de geestelijke leiding van het Joodse volk. Onze Geleerden vertelden ons: “Ieder geslacht krijgt een haar passende leider” (B.T. Arachien 17a).
De levende tsaddikiem, heiligen, die zich veel opoffering getroosten voor hun medeburgers, zijn de `offeraars van deze tijd’. Zij vormen het centrum van onze spirituele gerichtheid. Menselijke Tabernakels, die navolging verdienen en de Tora-staat leven inblazen.

Reacties zijn gesloten.