Metsora (melaatse), Wajikra 14:1 – 15:33
Wie genezen wordt verklaard van tsara’at moet een offer brengen, al het lichaamshaar afscheren, baden, de kleding wassen en nog zeven dagen wachten alvorens terug te keren naar de legerplaats. Uitvoerig wordt beschreven hoe het offeren moet geschieden.
Indien een huis aangetast (b)lijkt door tsara’at dan moet het huis leeggeruimd worden en ook hier moet de koheen een oordeel over geven. Als de aandoening aan het huis zich uitgebreid heeft, dan moet het huis afgebroken worden en al het puin moet naar een onreine plaats gebracht worden. Heeft de uitslag zich niet uitgebreid, dan is het rein. Ook thans moet een offer gebracht worden.
Vloeiingen veroorzaken onreinheid. Als de vloeiing ophoudt moet men in het mikwe gaan, kleren wassen en een offer brengen. Na samenleving moeten man en vrouw baden en ze zijn onrein tot de avond. Een vrouw die buiten de normale periode vloeit is ook onrein, tot het einde van de vloeiing, waarna ze zeven reine dagen telt en een offer brengt.
Metsora is de 28e parsja van de Tora, de vijfde van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Metsora bestaat uit 6 parsjiot, afdelingen waarvan 3 open en 3 gesloten zijn, telt 90 pesoekiem, verzen, 1274 woorden, 4697 letters en is hiermee de 39 na langste parsja. Metsora bevat 11 geboden.
Achtergonden I
De Midrasj legt uit dat het woord Tora vijf keer wordt gebruikt in het verband met de metsora (melaatse). Volgens de Amerikaanse Rav Moshe Lieber leert ons dat iemand die lasjon hara spreekt wordt beschouwd alsof hij alle vijf boeken van de Tora overtreden heeft. Er zijn vijf soorten lasjon hara die verspreid over alle vijf boeken van de Tora behandeld worden.
Genesis: In Bereesjiet leren we over Joseef en zijn broers. Hoewel Joseef goede bedoelingen had toen hij aan zijn vader vertelde over de fouten van zijn broers, heeft zijn lasjon hara toch uiteindelijk geleid tot de slavernij in Egypte. Zelfs goedbedoelde kwaadsprekerij kan uiteindelijk tot tragische resultaten leiden.
Exodus: Toen G’d Mosje aan het begin van Sjemot opdracht gaf het Joodse volk te bevrijden, twijfelde Mosje over hun volgzaamheid: ”Maar zij zullen mij niet geloven”. Mosje mocht het land Israël niet binnen omdat hij het hele Joodse volk te negatief had ingeschat.
Leviticus: In Vajikra wordt er expliciet verboden lasjon hara te spreken en niet als een kletskous rond te gaan om aan iedereen andermans nieuwtjes te vertellen (Vajikra 19:16). Je verdient helemaal niets aan dit soort kwaadsprekerij. Het enige plezier wat je kunt hebben is dat je anderen de grond in boort. Dat is mensonwaardig.
Numeri: In Bemidbar vertelt de Tora over een vierde soort lasjon hara. Mosje stuurde de 12 spionnen het heilige land in om het te verspieden maar ze kwamen terug met slechte berichten over Israël. Daardoor werden de mensen ontmoedigd. Uiteindelijk moesten de Joden nog veertig jaar door de woestijn zwerven.
Deuteronomium: Uiteindelijk vinden we in Devariem dat Mirjam over Mosje, haar broer, kwaadspreekt. Mirjam had ontzettend goed gezorgd voor Mosje, toen hij nog een baby was. Haar enige avera was dat ze een wat minderwaardige opmerking maakte over Mosje tegenover Aharon, die ook haar broer was. Toch kreeg ze de melaatsheid voor haar subtiele lasjon hara.
Zelfs als we thuis zijn met de familie, moeten we ook geen lasjon hara te spreken. Maar melaatsheid was niet alleen negatief, zoals we zien bij huis-melaatsheid.
Achtergonden II
Huiselijke melaatsheid
“Wanneer jullie zullen komen in het land Kena’an, dan zal Ik de ziekte van melaatsheid laten ontstaan aan een huis in het land dat uw bezit is”(14:34).
Rasji vertaalt “dan zal Ik” en niet “wanneer Ik zal laten ontstaan”. Rasji vervolgt: “dit is een toezegging aan de Joden dat de melaatse uitslag hen inderdaad zal treffen (vgl. B.T. Horajot 10a) omdat de Emorieten schatten met goud verborgen hadden in de wanden van hun huizen gedurende de veertigjarige omzwerving in de woestijn, zodat de Bnee Jisra’eel wanneer ze Israël binnen zouden trekken er niet van zouden kunnen genieten. Door toedoen van de melaatsheid haalde men muren omver en vond men de schatten.
De vraag is waarom Rasji de plaag als een goed bericht uitlegt. Over het algemeen geeft de Tora aan dat melaatsheid geen zegen is. Waarom ziet Rasji deze huizen-melaatsheid dan toch als een zegening?
Rav Avigdor Bonchek vergelijkt onze begin-pasoek met andere pesoekiem (verzen) die spreken over melaatsheid,
zoals 13:9: “wanneer de ziekte van melaatsheid aan een mens ontstaat dan zal deze gebracht worden voor de koheen”
of 13:42: “wanneer op de kale plek aan het achterhoofd of die op het voorhoofd een ziekte mocht ontstaan, roodachtig of wit, dan is het melaatsheid die uitgebroken is op de kale plek op zijn achterhoofd of aan die op zijn voorhoofd”.
In 13:29 staat er “een man of een vrouw bij wie er een ziekte aan het hoofd of aan de baard is”, maar er staat nergens “Ik zal die ziekte aanbrengen”.
Alleen bij huis-melaatsheid wordt het woord venatati, “en Ik zal laten ontstaan” (of “geven” zoals letterlijk in het Hebreeuws) gebezigd.
Over het algemeen heeft de werkwoordsvorm natan de positieve betekenis van een cadeau matana geven. De oorspronkelijke inwoners van Kena’an wilden hun waardevolle voorwerpen verbergen omdat ze vreesden voor een inval van de Joden. Huis-melaatsheid legde de verborgen schatten bloot. Een verborgen beracha dus.
Achtergonden III
Waarom eist de Tora dat de melaatse naar de koheen gebracht wordt? De Magied van Dubno geeft een verklaring dat men lesjon hara over het algemeen niet erg serieus neemt als avera (overtreding). Men begrijpt niet hoeveel macht er in de tong ligt. Hoewel de Tora in feite ontzettend precies is over het feit dat men geen kwaad mag spreken en zowel de spreker, de luisteraar en het slachtoffer daarvan slechte gevolgen kunnen ondervinden, zal de kwaadspreker altijd roepen dat hij maar wat zei en niets verkeerds deed.
Daarom stuurt de Tora de melaatse naar de koheen want het lot van de melaatste wordt beslecht door de koheen. Zijn verbale diagnose maakt het hele verschil tussen melaats en gezond. Een metsora zal leren dat “leven en dood in de handen van de tong zijn” (Spreuken 18:21).
