Door Opperrabbijn Jacobs
Hoewel we aan de vooravond staan van Pesach wil ik toch nog even terugdenken aan Poerim. We hebben dit jaar een schrikkeljaar en in een schrikkeljaar wordt er een extra maand Adar ingevoegd. Poerim wordt dan gevierd in Adar II en niet in Adar I, opdat de bevrijding van Poerim en Pesach zo kort mogelijk na elkaar gevierd worden.
In de rol van Ester lazen we: Mordechaj zit in de poort van de koning. Als geschiedenis alleen maar geschiedenis is, wordt die niet opgenomen in Tenach, onze heilige geschriften. Iedere gebeurtenis, ieder woord, iedere letter heeft een les voor toen en voor nu en is meer dan alleen maar geschiedschrijving. Omdat Mordechaj in de poort van de koning zat, een hoge positie bekleedde in het toenmalige Perzische rijk, kon en moest hij van zijn positie gebruik maken om de Joodse gemeenschap te helpen. En zo benaderde hij zijn nichtje Ester en gaf haar opdracht om de koning, tot wie zij als geen ander toegang kon krijgen, te beïnvloeden om het snode plan van Haman, de genocide op het Joodse volk, te voorkomen.
Ik vroeg mijzelf vroeger vaak af wat ik met al die contacten in de niet-joodse wereld moest doen. Hier een monument, daar een receptie, een concert……qualitate qua bevind ik me vaak in de poort van de koning. Ieder van ons, in welke poort hij zich ook bevindt, zit daar niet zomaar en ook niet alleen voor zichzelf. De plaats is hem van Hogerhand toebedeeld om er goed mee te doen, om een positieve bijdrage te leveren ten behoeve van onze Joodse Gemeenschap, ten behoeve van Israel en ook om een bijdrage te leveren aan de samenleving waarvan wij een onderdeel vormen. En of mijn plaats is in de poort van de Tweede kamer, of in het bestuur van een school, in een Comité van Aanbeveling, een adviescommissie, van een bridgeclub, een schietvereniging of van mijn eigen gezin en mijn eigen huis…….steeds is de opdracht om vanuit de positie die je hebt verkregen op te komen voor het welzijn van onze Joodse Gemeenschap en van de samenleving in z’n totaliteit.
Ester, geïnspireerd door haar neef Mordechaj, weet de Joden dusdanig te beïnvloeden dat ze allen, zonder uitzondering, weigeren voor Haman te knielen. Dat knielen zou hun fysieke redding zijn geweest. Haman was geen antisemiet en wilde niet de Jood vermoorden vanwege zijn Jood-zijn. Als de Jood bereid was om voor hem, Haman, te knielen en te buigen, dan was er geen vuiltje aan de Perzische lucht en zou er van genocide geen sprake meer zijn. En toch weigerden alle Joden om voor Haman te buigen. Ze wisten zich met elkaar en met het Jodendom verbonden. Geïnspireerd door Mordechaj en Ester, vormden ze vanuit het diepst van hun nesjomme, vanuit hun pointe juive, een hechte eenheid en waren ze collectief bereid voor hun Jood-zijn te vechten en te sterven. Die eenheid was de directe basis van hun redding.
Op dit moment is er in ons land sprake van een mogelijk verbod op de sjechita. En als dit verbod er, G’d behoede, doorkomt, wordt dan de brit mila de volgende aanval op onze G’dsdienstvrijheid? En dan ons Joods onderwijs?
Maar aan deze negatieve aanval op onze G’dsdienstvrijheid, zit ook iets heel moois en positiefs: we voelen ons één! Of we zelf nu wel koosjer eten of (nog) niet: vanuit het diepst van onze nesjomme weten we ons één en voelen de aanval op onze Joodse identiteit vanuit een collectiviteit. Het is een soort eenheid die in de tijd van Poerim heeft geleid tot de nederlaag van Haman en die de redding heeft gebracht.
In dat Joodse oergevoel, die pointe juive, zijn we allen gelijk. Het is een gevoel dat ons verstand overstijgt, het is het gevoel dat ons bindt, dat we krijgen als we in het buitenland geheel onverwacht een Jood ontmoeten of een sjoel zien. Het is ook dat gevoel dat velen aanspoort om, zelfs als ze thuis (nog) niet helemaal koosjer eten, toch een koosjere maaltijd te bestellen als ze gaan vliegen…..
Maar pas op: een gevoel kan zomaar overwaaien en verdwijnen.
En daarom willen we Poerim zo dicht mogelijk bij de uittocht uit Egypte vieren.
Na de nederlaag van Haman waren de Joden weliswaar gered, maar nog niet bevrijd. Ze waren nog steeds onderworpen aan de heerschappij van koning Achasjwerosj en leefden nog steeds in zijn koninkrijk.
Bij de bevrijding uit Egypte voelden de Joden zich niet alleen één, maar ze wisten zich één! Doordat ze de wonderen zagen. En als ik iets weet en gezien heb, dan ben ik er niet meer vanaf te brengen en wordt daardoor de redding veranderd in een bevrijding.
Eerst moeten we ons aan elkaar verbonden voelen, vanuit het diepste van onze nesjomme. Maar daarna moeten we verder stijgen op de spirituele Joodse ladder. De Egyptische afgodendienst moet er uit. Mitsrajim (Egypte), betekent: grenzen. We moeten grenzen doorbreken, weg uit de beperktheid van de Egyptische afgodendienst. Niet voor niets memoreren we dagelijks de Uittocht uit Egypte en Gij zult geen afgoden dienen, ook niet de afgod IK.
Maar hoe pak ik de afgod IK aan? Als ik in de poort van de koning zit, zit ik er dan of zit IK er? We moeten op bijna fanatieke wijze al dat gerezen is uit ons bezit verwijderen en mogen uitsluitend ongerezen brood, matzes, tot ons nemen.
Gerezen staat voor hoogmoed en de matze demonstreert bescheidenheid. De IK moet plaatsmaken voor een bescheiden ik, opdat de redding van Poerim bimhera wejameenoe, spoedig in onze dagen, zal veranderen in een totale en ultieme bevrijding, een periode waarin we niet meer strijden voor onze vrijheid van G’dsdienst en we allen, zonder uitzondering en niet alleen in het vliegtuig, koosjer zullen eten en alle mitswot zullen naleven, omdat we niet alleen vanuit ons nesjomme-gevoel ons Jodendom beleven, maar G’d als het ware dagelijks ervaren en zien.
Een koosjere Pesach namens het IPOR Rabbinaat!
Binyomin Jacobs, opperrabbijn
Pesach 5771
