(Wajikra / Leviticus 21:1 – 24:23)
Kohaniem mogen geen contact met doden hebben, niet met een gescheiden vrouw huwen en niet onrein of met bepaalde gebreken dienst in de Tempel doen. Alleen kohaniem mogen van geheiligd voedsel eten. Een dier dat geofferd wordt, mag geen gebrek vertonen. Een rund of schaap mag niet op dezelfde dag als het jong geslacht worden. Nogmaals volgt de eis tot werkonthouding op Sjabbat. Daarna worden de verschillende feestdagen met een aantal bepalingen vermeld. Aharon moet de kandelaar voortdurend brandend houden. In het Heiligdom stond een tafel met 12 toonbroden. Een man die de G’dsnaam vloekt, wordt buiten de legerplaats gestenigd. Allochtonen en autochtonen moeten gelijk behandeld worden.
Emor is de 31e parsja van de Tora, de achtste van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Emor bestaat uit 17 parsjiot, afdelingen waarvan 11 open en 6 gesloten zijn, telt 124 pesoekiem, verzen, 1614 woorden, 6106 letters en is hiermee de 31 na langste parsja. Emor bevat 24 ge- en 39 verboden.
Verdieping I
Bij een lewaja – uitvaart – staan altijd een aantal mensen terzijde. Dit zijn meestal kohaniem, priesters, afstammelingen van Aharon, de eerste Hogepriester. Een koheen mag zich niet aan een dode verontreinigen, behalve wanneer het zijn zeven meest naaste familieleden betreft. De Tora beschouwt een overleden mens als hoogste bron van on¬reinheid. Een stoffelijk overschot kan toema – onreinheid overbrengen door aanraking maar ook door zich op te houden in dezelfde (uitvaart-)ruimte. Daar staan de kohaniem dan achter een mechietsa – afscheiding, zodat ze zich eigenlijk in een andere ruimte bevinden.
Waarom draagt juist een menselijk stoffelijk overschot zo een hoge graad van onreinheid in zich? De mens vormt de bekroning van de Schepping en alleen hij/zij heeft het potentieel zich tot steeds hogere vormen van kedoesja – heiligheid – te verheffen. De mens is een paradoxale combinatie van geest en materie, van dierlijke en verheven neigingen. Het samengaan van deze beide tegen¬gestelde krachten is iets wonderlijks, dat het specifieke en bijzondere van het menszijn bevestigt.
Aan de ene kant heeft de mens trekken van deze materiële wereld in zich, zoals deze ook bij planten en dieren zijn waar te nemen, terwijl hij aan de andere kant door zijn ziel tot de hogere werelden behoort. Daarmee vormt hij de enige mogelijke verbinding tussen Hoger en lager. De lichaamsvorm van de mens spreekt hierbij boekdelen. Zijn hoofd is ver verheven boven zijn lichaam als teken van zijn spiritualiteit.
Alleen de mens kent een hoge graad van toema – onreinheid. De Kabbalistische literatuur geeft aan, dat ‘onreine krachten’ zich voornamelijk aange¬trokken voelen tot objecten waar voorheen kedoesja – heiligheid – huisde. Vandaar, dat onreinheid in religieuze zin vooral aange¬troffen wordt rond het stoffelijke overschot van een mens. Gedurende zijn leven vertegenwoordigde hij het grootst mogelijke ‘heiligheidpotentieel’ op aarde. Rabbi Chajiem ibn Attar legt uit, dat sterven voor verschillende levensvormen op aarde andere consequenties heeft. Lagere vormen van leven trekken na hun dood een veel geringere toema naar zich toe. Men kan dit vergelijken met een honingvat en een vat met pek, die zojuist geleegd werden. Allerlei gedierte, zoals vliegen en wormen, voelen zich aangetrokken tot het voormalige honingvat en niet tot het lege pekvat.
Het Jodendom stelt de ethisch religieuze vrijheid van de mens centraal. Dit vrije deel van de mens – zijn `G’ddelijke deel’ – heeft na het overlijden het lichaam verlaten. Gedurende het leven deelde zelfs het lichaam in de morele vrijheid van de mens. Door het overlijden ondergaat juist het lichaam een enorme verandering. De ziel blijft dezelfde G’ddelijke vonk, die het ook voor de verbinding met het lichaam was.
Aan het eind van het aardse bestaan wordt het contact van het zielelicht met het lichaam weer verbroken. Dan bestaat de persoon weer uit de oorspronkelijke twee delen. Van fysiek aanhangsel aan het eeuwige, bovenaardse en oneindige G’ddelijke licht, dat in de ziel is, verwordt het tot een nutteloos object, dat na de dood volledig is onderworpen aan de natuurelementen. Ontbinding en rotting zijn haar deel. De ‘val’ vanuit haar verheven toestand naar een verachtelijke aardse situatie brengt zelfs de meest standvastige en stabiele persoon aan het wankelen en doet ons twijfelen aan de eeuwige waarden van de psycho religieuze vrijheid.
Dit idee ligt ten grondslag aan de doctrine, dat een overledene tamé – onrein – is. De beste vertaling van het begrip toema is wellicht ‘een toestand, die de waarheid en waarde van de ethische en morele vrijheid van de mens overschaduwt’. In confrontatie met de dood gaat de mens twijfelen. Het duurt enige tijd voordat hij zijn twijfels te boven komt. De¬gene, die in de buurt van een overledene kwam, mocht daarom het Heiligdom – het levende symbool van de G’ddelijke aanwezigheid onder Israël – niet betreden. Hij/zij moest een tijd wachten, zich bezinnen en een ritueel bad nemen voordat men het Heiligdom weer mocht betreden. Want alleen bezinning en me¬ditatie konden degene, die begon te twijfelen aan de waarheid van de vrije menselijke keus, weer op het rechte spoor zetten. Dit is de diepere achtergrond van de toema – onreinheid, een concept, dat een bijzondere plaats inneemt binnen het morele en metafysische denken binnen het Jodendom.
Verdieping II
De Datumgrens
“Dan zult u voor uzelf tellen van de dag na de Sjabbat, van de dag waarop u de Omer van de beweging brengt: zeven volle weken zullen het zijn; tot de dag na de zevende Sjabbat zult gij tellen, vijftig dagen” (23:15).
Wanneer iemand van Oost naar West of van West naar Oost vliegt, passeert hij de datumgrens. Waar de datumgrens volgens de halacha precies ligt is een meningsverschil tussen de Chagamiem (Wijzen). Volgens sommigen ligt hij tussen China en Japan en was het voor de Joden in de Tweede wereldoorlog die met de Mirrer Jesjieva gevlucht waren naar Sjanghai een vraag of zij volgens de halacha de datumgrens al over waren gestoken en dus op een andere Joodse datum zaten dan de plaatselijke bevolking.
Uiteindelijk werd voor de praktijk besloten volgens de tweede mening die stelt, dat de datumgrens in de Beringstraat loopt. Stel dat men midden in de Omertelling over de datumgrens heengaat en zo een dag verliest of wint.
Over deze vraag bestaan drie meningen.
1. Rabbi Betsaleel Stern, de auteur van het werk “Betseel haChogma” (5:96-98) is van mening dat wanneer men één dag extra krijgt op zijn vlucht over de datumgrens, men op die extra dag nogmaals de Omertelling van gisteren moet herhalen, maar zonder beracha (hij is immers al geteld). Zonder beracha (vermelding van de G’dsnaam) betekent niet echt werkelijk tellen. De rest van de dagen telt men mét beracha mee met de plaatselijke bevolking. Er ontbreekt immers niets aan de telling.
Als men onderweg een dag verloren heeft, is men echter uit de Omertelling. De keten van dagen is verbroken. Zodra men de datumgrens oversteekt, telt men de nieuwe dag zonder beracha – men telt immers geen hele dag – en daarna telt men door met de lokale Joden maar zonder beracha want uiteindelijk is de heelheid van de negenenveertig dagen tellen verbroken.
2. Rabbi Menasjee Klein uit New York is in zijn magnum opus Misjne Halachot (10:121) echter van mening dat wanneer men één dag verliest door het oversteken van de datumgrens men die ene gemiste dag wel telt maar zonder beracha. Maar daarna telt men wèl gewoon mee met de plaatselijke bevolking en met beracha omdat men uiteindelijk in de telling niks gemist heeft omdat men gewoon doorgeteld heeft, zij het één dag zonder beracha.
Als men later terugkomt op de plaats van oorsprong en het nog steeds Omertijd is (dwz. tussen Pesach en Sjavoe’ot), men een dag te veel heeft en over die dag al een beracha heeft gezegd, telt men die dag toch maar zonder beracha en de overige dagen telt men weer verder mét beracha.
3. De Lubavitscher Rebbe, Rabbi Menachem Mendel Schneursohn stelt echter dat men zich totaal niet moet bekommeren om de plaatselijke telgewoonte. Tellen is een puur subjectieve aangelegenheid. Eenmaal begonnen telt men gewoon door zoals men tot nu toe geteld heeft. Men slaat geen dag in de telling over en men verdubbelt geen dag. De Omertelling is een privé aangelegenheid. Het heeft niets te maken met de plaats waar men is.
Omdat Sjavoe’ot (het Wekenfeest) het enige feest is in de Tora dat geen vaste datum heeft maar gewoon 50 dagen na Pesach valt, tellen de reizigers tot de vijftigste dag en vieren dan Sjavoe’ot. Het kan dus zijn – volgens de Lubavitscher Rebbe – dat men Sjavoe’ot viert op een andere datum dan de mensen op de plaats van bestemming en men 3 dagen Jomtov moet houden (bijv. 5, 6 & 7 Sivan).
Men moet in de gebeden wel oppassen met de frase dat het vandaag `het feest van het geven van de Tora’ is. Dat was een gemeenschappelijke ervaring en dat kan men alleen zeggen bij de lokale gemeenschappelijke viering van Sjavoe’ot.
Als men er onderweg een dag bij gekregen heeft en eerder is begonnen met het vieren van Sjavoe’ot (5 Sivan), zegt men alleen op zijn tweede dag Sjavoe’ot (de eerste dag Sjavoe’ot van de lokale gemeenschap) dat het vandaag het feest van het geven van de Tora is. Als men onderweg een dag verloren heeft, zegt men “Het is vandaag het feest van de Tora” op de lokale tweede dag.
Hoe het ook zij: voorkom problemen, overschrijdt de datumgrens niet in de Omertijd!
