Parsja Behar 5771

(Wajikra/Leviticus 25:1-26:2)

BEHAR (op de berg): 25:1 – 26:2. G’d gebiedt een Sjabbatjaar (Sjemita) voor het Land: het 7e jaar mag het land niet bezaaid worden. Wat vanzelf opkomt mag men eten. Na 7 x 7 jaar is het 50e jaar een Joweel-jaar, waarin het land ook braak moet liggen. G’d zal zorgen voor overvloedige oogsten in de voorafgaande jaren. In het Joweeljaar worden slaven vrijgelaten en krijgt iedereen zijn/haar oorspronkelijke grondbezit terug. Op andere tijdstippen kan familie een slaaf terugkopen. De prijs van grond wordt berekend naar het aantal te verwachten oogsten. Buiten het Joweeljaar om kan grond teruggekocht worden door een bloedverwant of zelfs een ander als de oorspronkelijke eigenaar niet kapitaalkrachtig genoeg is. Je mag geen rente berekenen als je iemand geld leent. Een slaaf moet men menselijk behandelen; de heer mag hem niet met strengheid regeren.

Behar is de 32e parsja van de Tora, de negende van het derde  Tora-boek, Vajikra. Parsja Behar bestaat uit 7 parsjiot, afdelingen waarvan 1 open en 6 gesloten zijn, telt 57 pesoekiem, verzen, 737 woorden, 2817 letters en is hiermee de 50 na langste parsja. Behar bevat 7 ge- en 17 verboden.

VERDIEPING I
Het joodse jaar 5768 was en 5775 zal weer Sjemita-jaar zijn. 5768, drie jaar geleden, was een Sjemita of Sabbatical year. Voor de Joodse boer was het een jaar van ‘de eindjes aan elkaar knopen’ omdat er weinig verdiend werd. Hij kon dit positief oppakken door het Sjemita-jaar economisch goed voor te bereiden, zich te verheugen in de mogelijkheid om zich eens een jaar totaal te kunnen verdiepen in de Tora en niet te hoeven werken en het feit, dat het land herstelde door braakliggen. In Leviticus (25:1 e.v.) staat dat het land volledig moet rusten.Ik heb het Sjemita drie jaar geleden aan de consumentkant mogen meemaken. Een pondje aardbeien kopen was en is een serieus probleem. Groenten of fruit kunnen verboden zijn, politiek ongewenst zijn, toegestaan zijn onder beperkende voorwaarden of helemaal oké zijn. Verschillende manierenWat was er aan de hand? – Sommige boeren hadden hun land niet verkocht en gewoon gewerkt. Hun produkten waren in feite verboden volgens de Joodse wet. Voor boomvruchten willen grote Rabbijnen een uitzondering maken: ze zijn toegestaan voor consumptie maar moeten wel met kedoesjat sjevi’iet – met in acht name van de heiligheid van produkten van het Sjemita-jaar gegeten worden.

– Andere boeren hadden hun land verkocht aan een Arabische sjeik via de organisatie Tsohar (Rabbijnen van Mizrachi-signatuur) of de voormalige Sefardische Opperrabbijn Ovadja Joseef. Met beperkingen mochten zij hun land bewerken. Hun produkten waren toegestaan en mochten zelfs geëxporteerd worden als men het halachisch en politiek correct vond om het land aan een Arabier te verkopen. Het Opperrabbinaat van Israël werkte niet meer mee aan deze verkoop. De Chazon Iesj is zelfs van mening dat de verkoop niet werkt. Hoewel het land niet-Joods eigendom is, hebben de vruchten nog wel kedoesjat sjevi’iet – heiligheid van het zevende jaar en moeten zij op gewijde wijze geconsumeerd worden, aldus de Chazon iesj.

– Een derde groep winkeliers kocht voornamelijk uit Gaza, Jordanië of elders uit het buitenland. Deze produkten kenden geen heiligheid van het Sjemita-jaar en hoefden niet op gewijde wijze geconsumeerd te worden.

– Een vierde groep boeren hanteerde de constructie van Otsar beet dien en overhandigde hun land aan het Beet dien (het Joodse gerechtshof) waardoor de vruchten via het Beet dien op de markt kwamen. De verschillende verboden golden minder streng omdat het land – na overdracht aan het Beet dien – niet meer van privé boeren was. De toevoer van vruchten en andere landbouwprodukten was verzekerd. Deze constructie werd veelvuldig toegepast. Er mocht niet aan de produkten zelf verdiend worden. Wel mochten leveranciers de kosten aan klanten in rekening brengen van het bottelen, verpakken, vervoeren, verzekeren en verzorgen. De produkten hadden de heiligheid van het Sjemita-jaar maar waren niet verboden voor de “gewone” markt. Toch mochten deze produkten niet gewoon verkocht worden en mochten ze alleen op gewijde wijze gegeten worden.
Dit betekent, dat deze vruchten niet vernietigd mochten worden. Etensresten werden thuis in een plastic zakje gedaan tot zij vergaan waren. Pas daarna werden zij weggegooid in een gewone vuilnisbak. De havdala-kaars mocht niet in Sjemita-wijn worden uitgedrukt na afloop van Sjabbat omdat dit nutteloze vernietiging is. Vruchten met kedoesjat Sjemita mochten niet zomaar verhandeld worden in Joodse winkels (in niet-Joodse winkels is dit minder problematisch). Als dat toch gebeurde, kreeg het geld waarmee het betaald werd ook de heiligheid van Sjemita en mocht ook het geld alleen gebruikt worden voor gewijde consumptie.

– En dan zijn er kibboetsiem en boeren, die het Sjemita-jaar heel strikt namen, niet zaaiden, niet oogstten en dus ook niets aan de markt leverden. Sommige kibboetsiem zijn overgegaan op een geoorloofde vorm van hydrocultuur (verbouwen op water) om het verbod van het verbouwen van het land niet te schenden. Hun produkten zijn volledig oké.
Bij iedere concrete Israëlische vrucht of groente in of buiten het Heilige Land moest een gewetensvolle Jood zich afvragen waar die nu vandaan kwam. Omdat dit ondoenlijk is, kon men alleen maar kopen in groentewinkels met een hechsjeer (kosjer verklaring van een erkend Rabbinaat) of van gecertificeerde fabrieken. Pas dan kon men besluiten of de vruchten toegestaan waren en wel of geen heiligheid van Sjemita hadden.

Reacties zijn gesloten.