Parsja Bechoekotai 5771

BECHOEKOTAI (bij (het aanvaarden van) mijn wetten): 26:3 – 27:34.
Als jullie Mijn wetten uitvoeren dan zal het Land bloeien. Wanneer jullie Mijn wetten overtreden dan zal Ik vreselijke straffen over jullie brengen. Er volgt een huiveringwekkende opsomming wat het volk allemaal zal overkomen: ziekten, oorlog, bezetting, zevenvoudige straffen, de steden zullen ruïnes worden. Dit alles mede als de Sjemittajaren niet gehouden worden. Ook psychisch worden de mensen een wrak, ze worden verstrooid en gaan ten onder temidden van vreemde volkeren, het Land zal woest liggen. Zodra de mensen weer aan het Verbond denken en boete doen, zal God aan het Verbond denken dat Hij met de Aartsvaderen gesloten heeft. Het laatste deel van de sidra is gewijd aan de waarde van mannen, vrouwen en kinderen i.v.m. geloften. Dit betreft ook vee, grond en huizen.

Bechoekotai is de 33e parsja van de Tora, de tiende en laatste van het derde Tora-boek, Vajikra. Parsja Bechoekotai bestaat uit 5 parsjiot, afdelingen waarvan 3 open en 2 gesloten zijn, telt 78 pesoekiem, verzen, 1013 woorden, 3992 letters en is hiermee de 47 na langste parsja. Bechoekotai bevat 7 ge- en 5 verboden.

VERDIEPING I

Vele geloven hebben de Tora aangepast aan hun wensen en zijn een eigen B.V. begonnen. Vaak met aanzienlijk numeriek succes. Wij blijven bij het oude. Succes is voor ons geen criterium! Aan het einde van het derde boek Vajikra stelt de Tora: “Dit zijn de mitsvot, geboden, die G’d Mosje heeft opgedragen voor de Bné Jisraëel op de berg Sinaï” (27:34). Volgens de Midrasj betekent dit dat (zelfs!) een profeet niets nieuws meer mag toevoegen aan de Tora na de Openbaring op de berg Sinaï. Malbiem (19e eeuw) legt uit, dat de woorden ‘dit zijn’ uitsluiten dat er nog andere toegevoegd kunnen worden. De latere profeten hebben de Tora alleen nog maar uitgelegd. Maar zij hebben hier niets aan toegevoegd of afgedaan. Dit is ook logisch. G’d is perfect en kan in Zijn grote wijsheid de tijd overzien. Hij schept zelfs de tijd – doorlopend. G’d voorzag alle moderne ontwikkelingen. Daarom behoeft de Tora geen uitbreiding.
Wanneer een Jood of niet-Jood wonderen doet en zegt dat G’d hem heeft gestuurd om een mitsva aan de Tora toe te voegen of af te nemen of een nieuwe uitleg geeft aan een van de Tora-geboden of zegt dat de mitsvot niet voor eeuwig duren maar van tijdelijke aard zijn, is hij een valse profeet.

Waarom staat er dan (Dewariem 18:18):“Een profeet als u zal ik doen opstaan voor hen vanuit het midden van hun broers…?”. Deze profeet mag geen nieuwe wetten uitvaardigen maar zal de mensen waarschuwen de voorschriften van de Tora niet te overtreden, zoals onze laatste profeet Male’achie heeft gezegd: “Herinnert de Tora van Mosjé, mijn dienaar!” (3:22). Men stelt wel dat verschillende geloven, die domicilie hebben gekozen in Nederland, uiteindelijk afkomstig zijn van het Jodendom, maar dat hieraan veel versleuteld is. Over het algemeen hebben de leiders van die andere geloven een grote hoeveelheid van de mitsvot uit de Tora afgeschaft en daarvoor in de plaats nieuwe ingevoerd.  Het Tora-verbod richt zich ook tegen deze veranderingen.Toch vinden we ook in de Joodse geschiedenis dat profeten tijdelijk mitsvot hebben afgeschaft, zoals Elijahoe op de berg Carmel. Daarom verklaart Maimonides: “Wanneer een ervaren en bekende profeet zoals Elijahoe op de berg Carmel ons vertelt één of meerdere mitsvot tijdelijk te overtreden, of dit nu lichte of zware mitsvot zijn, moeten wij naar hem te luisteren, behalve inzake afgoderij. De overtreding van de mitsva moet wel incidenteel zijn, zoals gebeurde op de berg Carmel toen Elijahoe eenmalig een offer bracht buiten de Tempel.Op dat moment was Jeroesjalajiem al uitgekozen als plaats waar de Sjechina (G’ddelijke Aanwezigheid) rustte. Buiten de Tempel offeren was strikt verboden. Omdat Elijahoe een erkende profeet was, was het een mitsva om naar hem te luisteren. Voor zulke gevallen staat er in de Tora: “Naar hem zullen jullie luisteren”. Zou men tijdens het incident met de 400 Ba’al-priesters Elijahoe hebben gevraagd: “Hoe kunnen wij het Tora-woord `opdat u uw offers niet overal zult brengen’ (buiten de Tempel) naast ons neerleggen?”, dan zou hij hebben geantwoord, dat het verbod uit de Tora alleen maar ziet op iemand die altijd offers buiten de Tempel brengt. Dit was de opdracht van Mosjé Rabbenoe maar Elijahoe bracht incidenteel een offer buiten de Tempel in opdracht van HaSjeem om de priesters van de Ba’al terecht te wijzen. Zoiets geldt ook in het algemeen. Wanneer ware profeten een mitsva tijdelijk opheffen, is men verplicht naar hen te luisteren. Maar wanneer een profeet stelt, dat een mitsva nooit meer geldt, dan is het een valse profeet, want in de Tora wordt duidelijk gesteld dat de mitsvot “voor ons zijn en voor onze kinderen tot in de eeuwigheid” (Devariem 29:28).

VERDIEPING II
Omertellen
We tellen de dagen tussen Pesach en Sjawoe’ot, tussen de lichamelijke bevrijding uit Egypte en de geestelijke bevrijding, het ontvangen van de Tora. Dit heet Omertellen. De Omertelling bereidt ons voor op het ontvangen van de Tora. De Midrasj vertelt, dat de Tora pas werd gegeven, toen alle leden van het Joodse volk elkaar in een verdraagzame eenheid konden aanvaarden. Misschien is het daarom, dat de Tora geen duidelijke datum aangeeft voor Sjawoe’ot. Sjawoe’ot is niet afhankelijk van een vastgestelde datum. Pas na intermenselijke perfectie, dat zijn beslag heeft gekregen in de Omertelling, is men gereed voor het werkelijk ontvangen van de Tora. En dit is de bedoeling van het Omertellen: opvoeden in verdraagzaamheid met als motto “verbeter de wereld, begin bij uzelf”. Maar hoe geschiedt de telling in de praktijk? Wat moeten we tellen?De Talmoed vertelt ons hierover het volgende: “Het is een gebod de dagen te tellen en het is een gebod de weken te tellen” (B.T. Menachot 66a). De meeste Geleerden zijn de mening toegedaan, dat de telling van de dagen en weken geen aparte mitsvot, geboden zijn maar één geheel vormen. Maimonides (Rambam) ondersteunt deze conclusie door de Omertelling inhoudelijk te vergelijken met de telling door het Sanhedrien van een cyclus van vijftig jaren, waarbij het vijftigste jaar werd uitgeroepen als Joweeljaar (Jubeljaar): “Evenals het Sanhedrien verplicht is de jaren van de Joweelcyclus te tellen van jaar tot jaar en van Sjemieta tot Sjemieta (Sjemieta is het “Sjabbat-jaar”, waarin onder andere de velden braak moesten liggen), zo ook is ieder individu verplicht de Omer te tellen van dag tot dag en van week tot week. Evenals de Joweeltelling, ondanks de verschillende componenten, als één gebod geldt, zo ook is de Omertelling, on¬danks de afzonderlijke telling van dagen en weken, één gebod.Hoe tellen we?Men kan zijn gedachten op verschillende manieren uiten of gestalte geven: door te spreken, te denken, iemand anders voor zich te laten spreken (sjome’a ke’one) en schrijven. Al deze wijzen van expressie vormen onderwerp van discussie bij het Omertellen. Tellen doet men normaliter met woorden. Of men ook in gedachte kan tellen is afhankelijk van de vraag in de Talmoed (B.T. Berachot 20b) of denken gelijk gesteld kan worden aan spreken (hirhoer kedibboer) of niet. In de Talmoed gaat het om de vraag of men de mitsva van Sjema, de Eenheidsverklaring van G’d in gedachten kan vervullen. De conclusie luidt dat denken niet gelijk is aan spreken. Daarom stelt Rabbi Chizkia da Silva dat ook bij het Omertellen men de mitsva niet kan vervullen door alleen maar het getal van de Omer te denken.

Kan men de Omer ook schrijven? Zou men het Omertellen ook via schrijven kunnen vervullen? Dit lijkt een vreemde vraag maar het komt geregeld voor. In vroeger dagen was het gebruikelijk om boven een brief de datum van de Omertelling te schrijven. Als men nu vlak na nacht de datum van de Omer boven een brief geschreven heeft, mag men daarna nog een beracha uitspreken bij het Omertellen? Deze vraag vormde een meningsverschil tussen de bekende geleerde Rabbi Akiwa Eger en zijn oom Rabbi Wolf Eger. Hierbij doet zich het volgende probleem voor: bij het opschrijven van de datum van de Omer boven de brief had men absoluut niet de bedoeling om de mitsva (gebod) van het Omertellen te vervullen. Een mitsva zonder kawana (bedoeling om de mitsva te vervullen) heet wellicht geen mitsva, zodat men daarna met beracha nogmaals verbaal de Omer zou kunnen tellen.

Heeft de kawana (intentie) nog invloed?De vraag naar kawana is een veel algemener probleem. Al in de Talmoed wordt de algemene vraag besproken of mitsvot kawana vereisen, de intentie om de mitsva te vervullen. Rabbi Joseef Karo (1488-1575) paskent – beslist, dat Tora-geboden intentie vereisen maar de vraag of Rabbijnse geboden kawana eisen blijft onbeantwoord en is nog steeds een meningsverschil tussen de latere Geleerden. In de praktijk komt het probleem van wel of geen kawana vrij regelmatig voor. Stel, dat iemand mij vraagt: hoeveel dagen moeten er vandaag geteld worden voor de Omer? En ik antwoord zonder bedoeling om daarmee mijn mitsva te vervullen: “vandaag is het zo en zoveel dagen van de Omer”. Heb ik nu de mitsva vervuld of mag ik nog met beracha de Omertellen?

Reacties zijn gesloten.