Parsja Bemidbar (Bemidbar/Numeri 1:1-4:20)
BEMIDBAR (in de woestijn). Bij telling blijken er meer dan 600.000 mannen van 20 jaar en ouder te zijn. De Levieten worden apart geteld: vanaf één maand. Het vervoer van het draagbare Heiligdom is hun taak. De stammen worden in een vierkant gelegerd rondom het Heiligdom: drie stammen per windrichting, ieder met zijn eigen banier. Zo moeten ze ook optrekken. De stam Levi wordt rondom het Heiligdom gelegerd. De stam Joseef wordt verdeeld in Efraïm en Menasjé. De rol van de eerstgeborenen wordt overgenomen door de Levieten omdat zij het gouden kalf niet hadden gediend. De Levieten worden verdeeld in de drie belangrijkste families: de Gersjonieten, de Kehatieten en de Merarieten. De draagtaken van de onderdelen van het Misjkan worden verdeeld.
Bemidbar is de 34e parsja van de Tora, de eerste van het vierde Tora-boek, Bemidbar. Parsja Bemidbar bestaat uit 30 parsjiot, afdelingen waarvan 23 open en 7 gesloten zijn, telt 159 pesoekiem, verzen, 1823 woorden, 7393 letters en is hiermee de 4 na langste parsja. Bemidbar bevat geen ge- of verboden.
Verdieping I: Tellen is een uiting van liefde
Nadat het Misjkan – de Tabernakel – was opgericht kreeg Mosje Rabbenoe weer opdracht om het Joodse volk te tellen. Tellen is een uiting van liefde. Rasji begint zijn commentaar op elk van de vijf boeken van de Tora met een midrasj, die de liefde van G’d voor volk en land benadrukt. In het eerste boek van de Tora, Bereesjiet, laat G’d in de eerste vers al zien hoe Hij het Joodse volk en het land Israël liefheeft. In het tweede boek van de Tora, Sjemot, toont Hij Zijn liefde voor het Joodse volk door de Exodus. In Vajikra toont G’d Zijn liefde voor profetie. In het vijfde boek van de Tora, Devariem, laat G’d Zijn subtiele en sympathieke wijze van vermanen en waarschuwen, zien. En aan het begin van het vierde Tora-boek Bemidbar toont Hij Zijn liefde door het feit dat zij allemaal apart geteld worden.
Volgens Rasjie (1040-1105) was dit tellen een uiting van liefde: ”Toen de Joden uittrokken uit Egypte heeft Hij ze geteld. Toen ze gevallen waren door het gouden kalf heeft Hij ze geteld en nu dat Hij Zijn Sjechina (Zijn G’ddelijke Majesteit) op hen wil doen rusten, telt Hij hen weer. Uit liefde voor het Joodse volk telt Hij hen elk ogenblik. De Joden worden vergeleken met de sterren die met getal tevoorschijn worden geroepen en met getal en naam weer naar binnen worden geroepen. Zoals er geschreven staat: ”G’d brengt hun leger met getal tevoorschijn; elk roept Hij met naam”.
Wat is er zo bijzonder aan het leger van sterren? Bij een aards leger is het zo dat de grote generaals met naam bekend zijn. De gewone soldaat heeft alleen een nummer maar geen naam. Hij wordt geïdentificeerd en identificeert zich met een nummer. Soldaten hebben geen individueel belang. Alleen samen stellen ze wat voor. Daarom worden ze met nummer opgeroepen, omdat hun hele gewicht hun grote getal is. De generaals moeten het beleid uitstippelen, de oorlogstactiek bepalen en plannen alle acties. Zij zijn heel belangrijk. Daarom worden ze met naam genoemd. Hoewel men in de Middeleeuwen in Europa dacht dat er maar twee- of drieduizend sterren waren (omdat men meer met het blote oog niet kon waarnemen), zegt de Talmoed dat er minimaal tien tot de achttiende sterren bestaan in het heelal. Er zijn ontelbaar veel sterren. Elke ster heeft een nummer. Sterren zijn vele malen groter zijn dan de aarde. Iedere ster is een wereld op zich. Daarom staat er aan de ene kant: G’d voert het leger van de sterren met getal uit, maar aan de andere kant dat Hij ze allen bij naam noemt.
G’d belooft de Aartsvaders dat het Joodse volk als sterren aan de hemel zou zijn. Dit betekent dat ze zich zouden vermeerderen als sterren. Desondanks zou ieder individu zijn eigen unieke persoonlijkheid behouden. Iedereen is als een ster aan de hemel. “Een hele eigen unieke wereld”, zegt Rabbi Elchanan Wasserman.
Waarom moeten wij dit weten? Om onze taak op aarde beter te kunnen vervullen. In de Misjna staat (Sanhedrien 4): ”Hoe waarschuwen wij getuigen, dat ze geen valse verklaringen afleggen?”. Hoe weten wij dat zij niet bereid zijn om iemand ter dood te laten veroordelen omdat ze hem haten? Misschien zijn de getuigen nog veel erger dan degene, die ze willen laten veroordelen. Hoe weet men zeker dat zij geen valse getuigenis afleggen?
Eén psychologische stimulans is hen erop te wijzen dat elk mens individuele capaciteiten heeft, die niemand anders met hem deelt. Ieder individu is uniek geschapen. Zo uniek zelfs dat men eigenlijk verplicht is om dagelijks te roepen:”De hele wereld is voor mij geschapen”. Dit is geen hoogmoed. Dit benadrukt alleen hoe waardevol elk individu is: ”Laat de mens tegen zichzelf zeggen: ik ben zo belangrijk als een volledige wereld. Ik zal mij niet door kleinzielig winstbejag laten verleiden om vals te gaan getuigen”. Door dit besef zal men zijn slechte plannen laten varen en meewerken aan de tikoen olam, de verbetering van de wereld. Wanneer een potentiële moordenaar dit realiseert, zal hij zijn kwade plannen direct laten varen. Ook van een ander kan je pas houden als je eerst van jezelf houdt.
Verdieping II: Bron van antisemitisme
In de aanloop naar Sjavoe’ot is het belangrijk na te gaan wat onze speciale rol is in het wereldgebeuren en wat de betekenis is van alle kritiek, die wij als Joods volk over ons uitgestort krijgen. Antisemitisme is weer salonfähig: `het kan weer’. Neem Thomas von der Dunk. Die vindt, dat hij de Israëli’s ervan mag beschuldigen, dat zij zich gedragen als een Herrenvolk en Joden wel mag kwetsen. Kritiek op het politieke Jodendom – het Zionisme – mag wel, kritiek op de politieke islam mag niet want dat is kritiek op alle moslims. Het is juist deze selectieve houding, die ik als antisemitisme ontmasker.
Waar komt dat antisemitisme vandaan? Er zijn vele theorieën maar de Joodse luidt, dat antisemitisme in de woestijn de Sinai is ontstaan. Sinai komt van sin’a – haat, vergelijk het Nederlandse kinnesinne – nijd en haat.
Bemidbar betekent in de woestijn. In de woestijn Sinai kregen wij de Tora en werden wij een speciaal volk, althans een volk met een speciale opdracht. Het Joodse volk heeft meer ge- en verboden ontvangen dan andere wereldburgers. Het Joodse volk heeft als zodanig de rol van een priester ten opzichte van de rest van de wereld. Ook binnen het Joodse volk wordt – in deze parsja met name – onderscheid gemaakt tussen gewone Israëlieten, de kohaniem of priesters en de levi’iem, de levieten. Kohaniem en levi’iem hebben veel meer plichten en rechten dan een gewone Israëliet. Deze onderverdeling betekent echter niet, dat er een principieel verschil bestaat tussen de verschillende groepen. Het zijn slechts verschillende niveaus in gradaties van kedoesja of heiligheid.
Het betekent echter wel, dat leden van de ene groep zich niet rechten en plichten van een andere groep mogen aanmatigen. Een bekend voorbeeld van mensen, die hun beperkingen en grenzen niet kenden, vinden we in de geschiedenis van Korach. Tezamen met 250 vorsten van de gemeente vocht Korach de kehoena – het Hogepriesterschap – van Aharon aan. Korach heeft dit echter duur moeten bekopen. Hij en zijn familie werden verslonden door de aarde en een Hemels vuur verteerde zijn 250 aanhangers (we lezen dit iets verderop in Numeri 16:32 e.v.).
Hoogmoed zou ons volledig vreemd moeten zijn omdat wij eigenlijk alleen maar meer plichten hebben gekregen. Daarom werd de Tora gegeven in de woestenij. Want “wil je Tora leren dan moet je jezelf als een woestijn maken”.
Dit impliceert, dat we moeten werken aan nederigheid. Hoogmoedigen doen geen moeite voor de Tora. De G’ddelijke aanwezigheid rust alleen op iemand die nederig is. Dat kan ook niet anders want hoogmoed betekent `vol zijn van jezelf’. Er is dus geen plaats meer voor G’d. De woestijn is een plaats waar met je met weinig genoegen neemt.
De Tora van de woestijn leert ons tevredenheid. Een nederig mens is tevreden en leert veel makkelijker Tora. De woestijn-Tora leert ons leven met tegenslagen. Een nederig mens kan leven met minder dan hij verwacht had van het leven. Het leert ons vriendelijkheid. Nederige mensen maken vrienden en verspreiden zo de Tora. Het leert ons eenvoud. Iemand die de Tora wil leren moet luxe kunnen opgeven. Niemand kan zowel in spiritueel als in materieel opzicht succesvol zijn. De woestijn-Tora cultiveert gerichtheid op kedoesja want alleen als je hoofd niet vol is van andere dingen is het mogelijk, dat Tora concepten postvatten.
De woestijn is niet de bewoonde wereld. Daar geldt een heel andere way of life. Jodendom vereist vaak van ons, dat wij het anders doen dan de rest van de mensheid. De woestijn-Tora eist, dat wij bij tijd en wijle bereid zijn tegen de stroom in te gaan. Vaak leert de Tora het omgekeerde van wat gebruikelijk, gewoon en normaal is.
Waarom staat hier aan het begin van Bemidbar een opgave van plaats en datum terwijl G’d honderden keren sprak met Mosje zonder specificatie? De uitverkiezing en de eeuwige relatie tussen G’d en Am Jisra’eel kreeg pas hier duidelijk gestalte. Daarom worden plaats en tijd vermeld als in een huwelijkscontract (ketoewa).
