Parsja Naso 5771

Parsja Naso  (Bemidbar/Numeri 4:21 – 7:89)             

In Naso worden verdere opdrachten omtrent het transport meegedeeld.
Daarna wordt opgedragen iedereen die ritueel onrein is, buiten het kamp te plaatsen.
Er volgt een voorschrift voor wie zaken ontvreemd heeft.
Als een man in een vlaag van jaloezie zijn vrouw van ontrouw verdenkt, kan hij haar naar de priester brengen, die een aantal handelingen uitvoert, waaronder het mengen van stof van de vloer van de Tempel met water en het schrijven van G’ds naam op een stuk perkament. Na nog een ceremonie moet de vrouw het vloekbrengende water drinken en zal blijken of ze al dan niet schuldig is; zo ja dan zwelt haar buik op en vallen haar dijen in. Zo nee, dan zal ze (weer) kinderen krijgen.
Voorts worden de wetten van het nazireeërschap vermeld: een nazier is een man of een vrouw, die vrijwillig een gelofte op zich neemt gedurende een zekere tijd. In die periode mag de nazier geen wijn drinken of wat dan ook van de wijngaard eten, dan wel andere sterke drank gebruiken. Voorts mag zijn hoofdhaar niet geschoren worden en mag hij zich niet verontreinigen aan een lijk. Aan het einde van de periode brengt de nazier(a) een offer in de Tempel, scheert het hoofd en hervat het normale leven.
De kohaniem moeten het volk zegenen. Het Heiligdom krijgt van alle stammen dezelfde geschenken, die per stuk worden opgenoemd.

Naso is de 35e parsja van de Tora, de tweede van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Naso bestaat uit 26 parsjiot, afdelingen waarvan 18 open en 8 gesloten zijn, telt 176 pesoekiem, verzen, 2264 woorden, 8632 letters en is hiermee de langste parsja. Naso bevat 18 mitsvot, waarvan 7 ge- en 11 verboden.

Verdieping I:
Wanneer een echtgenoot zijn vrouw waarschuwt zich niet af te zonderen met een andere man en zij dit toch doet, moet hij zijn vrouw als Sota naar de koheen brengen in het Beet haMikdasj. Daar wordt een gersteoffer gebracht zonder olie of specerijen, omdat dit een zeer onplezierige zaak is. Men neemt wat water uit het kijor (wasbassin), aarde van de Tempelgrond en schrijft een stuk over uit de Tora over ontrouw van de Sota. Daarna wordt dit boven het water uitgewist. De koheen laat de vrouw zweren dat zij onschuldig is of vraagt haar toe te geven dat ze schuldig is. De drank zal haar schaden bij overspel maar haar goed doen als ze onschuldig is. De bedoeling van de procedure is de harmonie tussen man en vrouw te herstellen. G’d laat Zijn heilige Naam uitwissen om de huiselijke vrede te bevorderen.

Sota betekent ‘afwijkend’. Het zijn slechts verdenkingen. Ze verlaat de gebruikelijke huwelijkstrouw. Haar man begint aan haar te twijfelen door haar promiscue gedrag. De Joodse ethiek eist, dat een man zich vergevingsgezind opstelt: “Een man mag zijn vrouw niet bang maken. Angst kan tot de ergste wantoestanden leiden” (B.T. Gittien 6b).
De vrouw opsluiten in huis is al helemaal mis. Volgens de Talmoed leidt dit juist tot ontucht: “Handel niet zoals Jehoeda ben Pappos, die zijn vrouw altijd opsloot”. Teveel strengheid leidt tot ontrouw. Daarom begint de afdeling over de sota met de woorden ‘Iesj, Iesj’ – man, man. Wanneer een man een te sterk macho stempel op het huishouden drukt, bestaat de kans dat zijn vrouw het rechte pad verlaat.
Volgens de Italiaanse Seforno (16e eeuw) beschrijft de Tora de verschillende stadia, van kwaad tot erger. De Tora grijpt reeds vrij snel in ter voorkoming van werkelijk overspel. De verleiding is vaak groot, de fantasie slaat op hol. De Tora waarschuwt dat dit huwelijkse kwaad reeds in de eerste fasen moet worden onderzocht.
Twee getuigen zagen dat zij zich afzonderde met een andere man. De Tora helpt met het ophelderen van de twijfelachtige situatie. De man moet haar natuurlijk tevoren hebben gewaarschuwd. Hij moet duidelijk maken dat hij niet wil dat zijn vrouw zich met haar lover afzondert. De verklaarders verschillen van mening over de vraag of deze houding van de man een reine of een onreine geest is.
Allereerst moest de van ontucht verdachte vrouw een gersteoffer brengen. Het wordt het meeloffer van de jaloezieën (meervoud) genoemd omdat zij zowel haar mans jaloezie als G’ds ijverzucht opwekt. Volgens Seforno duidt dit op een zuivere en onzuivere jaloezie van haar man.
Nachmanides (13e eeuw) stelt dat de man dit offer moet brengen en niet de verdachte vrouw, omdat zijn jaloezie gereinigd moet worden. Hij brengt dit offer in een aardewerken voorwerp als teken, dat de jaloezie tot scherven gebroken moet worden. Hij moet zand toevoegen aan het water om zijn nietigheid te benadrukken. Hij was stof en zal tot stof terugkeren. Dit offer dient ter verzoening van de man dat hij de zaken zo op zijn beloop heeft gelaten. De man moet verzoening krijgen want hij heeft indirect veroorzaakt dat de naam van G’d over dat vloekbrengende water moest worden uitgewist.
Wanneer de vrouw ontucht heeft gepleegd merkt men dat haar buik opzwelt en haar heupen invallen. Volgens Nachmanides is dit een duidelijk wonder. Op die manier wordt mamzeroet (bastaarden) voorkomen: “Dit wonder is gestopt toen ontucht zich verbreidde en het Joodse volk niet meer op dit wonder kon rekenen als heilig volk”. Het wonder van de vloekbrengende wateren werkte overigens ook niet wanneer de man zelf ook niet vrij was van overspel.
Maimonides ziet in de voorschriften van de sota meer een opvoedkundig element. De hele procedure heeft invloed op iedere vrouw en dit is voornamelijk een gevolg van het openbare karakter ervan: “Zelfs de dood is beter dan deze grote schande”.
De vraag blijft of de bitterheid van de wateren iets bovennatuurlijks was of iets normaals. Abarbanel (15e eeuw) meent dat het water bitter werd vanwege het zand dat erin gedaan werd of vanwege de inkt, die erin afgeschraapt werd. Ze heten vloekwateren vanwege de kelala (vloek) die over de drinkende vrouw werd uitgesproken indien zij niet rein was gebleven.
De sota werd alleen door de wateren aangetast wanneer haar man volledig vrij is van iedere vorm van overspel. De vrouw is medeschuldig omdat ze verdenking op zich heeft geladen. Door haar ongelukkig gemanoeuvreer moest de G’dsnaam worden uitgewist. De vernedering die zij ondergaat, verzoent dit vergrijp echter.

VERDIEPING II:
De Tabernakel wordt door Mosjé ingewijd, de stamhoofden brengen offers. Wat was de kracht van de Tabernakel? In het Heiligdom konden wij de oneindige G’ddelijkheid ontmoeten. De aardse Tabernakel was de ontmoetingsplaats tussen eindigheid en oneindigheid, tijdelijkheid en boventijdelijkheid, plaatselijkheid en bovenplaatselijkheid. In het Allerheiligste nam het begrip plaats geen meetbare ruimte meer in. Daar werd de mens geconfronteerd met het niets-zijn dat meer werkelijkheid is dan de tastbare wereld.
Het ware geloof houdt in, dat G’d de enige echte realiteit is, hoe vreemd dat in onze belevingswereld ook moge klinken. G’d bestaat echt. Wij zijn slechts afgeleide realiteit, een `spin-off’ van het G’ddelijke willen en denken. De onzichtbare G’dheid bestaat veel meer dan de hele concrete wereld, die in onze ogen van vlees en bloed zo keihard echt lijkt. De afgelopen honderd jaar zijn wij getuige geweest van vele technische wonderen omdat wij ons verdiept hebben in de geheimen van de natuur. Nog veel grotere wonderen zullen ons deel zijn wanneer wij in staat zullen zijn door die sluier van de natuur heen te prikken en direct contact te maken met het G’ddelijke achter de G’dsverduistering van deze wereld.
G’ds `niets-zijn’ gaat elke voorstelling te boven. In de Tabernakel werd de mens geconfronteerd met deze `absolute ondifferentiatie’ en oneindigheid. Alleen daar realiseerde de mens zich dat G’d de vernietiging van alle gedachten is, niet vatbaar voor welke voorstelling dan ook.

Wanneer de mens zich identificeert met dit G’ddelijke aspect, dat actief was in de Tabernakel, is men in staat zichzelf totaal te vergeten, tijd en plaats te overstijgen en op te gaan in een spirituele wereld. Zolang we nog gehecht zijn aan deze materiële wereld en denken dat we ‘iets’ zijn, kan G’d zich niet aan ons hechten omdat G’d oneindig is. Daar begreep de mens dat de essentie van het dienen van G’d bestaat uit een toestand van ontvankelijke nederigheid. Onze beslotenheid in de Schepper betekent, dat we geen enkele onafhankelijkheid bezitten. Dit is de essentie van ontzag voor G’d. Toen Mosjé geconfronteerd werd met het G’ddelijke in de wereld bij het brandende braambosje bedekte hij zijn gezicht. Hij ontdekte dat hij geen onafhankelijke identiteit was omdat alles deel uitmaakt van het G’ddelijke in de  wereld.

Niemand kan de ware essentie van G’d schouwen. In het hele heelal is er geen Engel te vinden die precies weet waar G’d verblijft. Dit zeggen wij ook dagelijks in het gebed `Kedoesja’, waarin de Engelen vragen “waar is de plaats van Zijn heerlijkheid?”. Alle aardse, menselijke beschrijvingen over G’ds activiteiten in deze wereld betekenen niet dat G’d een lichaam heeft, noch dat Hij de Tabernakel of Tempel nodig had als Woning.
Wanneer G’ddelijke dingen in aardse termen worden beschreven, lijkt de essentie van de zaken toch niet op de essentie van de menselijke voorstelling daarvan. Hoewel wij naar G’ds evenbeeld geschapen zijn, is er absoluut geen gelijkenis in vorm of structuur tussen G’d en ons. Wanneer G’d ons bepaalde vormen voorschrijft in de Tabernakel hebben al deze `keliem’ – attributen en voorwerpen – slechts een symboolfunctie. Alles in de Tabernakel verwijst naar hogere werelden.
Vergelijk deze gedachte met de functie van het alfabet. Wanneer iemand met letters schrijft Ja’akov, zoon van Jitschak, dan vormen de letters niet de structuur of essentie van de werkelijke Ja’akov, zoon van Jitschak maar alleen een geheugensteuntje. De woorden zijn een symbool van de achterliggende eenheden. Omdat G’d ons wilde zuiveren schreef Hij ons de bouw van de Tabernakel voor als `mikrokosmos’ voor het totaal van het heelal, als symbool van al het geschapene, dat gewijd werd aan de Allerhoogste.
Hetzelfde geldt voor ons lichaam. In de midrasj wordt de Tabernakel vergeleken met het menselijk lichaam. G’d schiep in ons lichaam verschillende organen en ledematen die op een bepaalde wijze symbolen voor de G’ddelijke structuur vormen. Wanneer wij hier op aarde erin slagen ons lichaam, dat een soort wandelend Misjkan, Tabernakel moet zijn, te reinigen, heiligen en te zuiveren, wordt de Hemelse structuur die in ons lichaam wordt weerspiegeld en ook in de Tabernakel werd gereflecteerd, verheven. Dit was de bedoeling van de architectuur van de Tabernakel en de werking van de Tempeldienst.

Reacties zijn gesloten.