Parsja Sjelach lecha 5771

Mosje stuurt twaalf mannen, één van iedere stam, om Kena’an te verkennen. Ze keren na veertig dagen terug en vertellen dat het land inderdaad overvloeit van melk en honing. De vruchten zijn groot en als bewijs tonen ze een druiventros die aan een draagstok door twee man gedragen moet worden. Maar de mensen in dat land zijn groot en de steden versterkt. Tien van de twaalf verkenners raden aan om niet op te trekken omdat het volk daar te sterk is en ze vrezen dat vrouw en kinderen krijgsbuit zullen worden. Alleen Kalev en Jehosjoe’a pleiten ervoor wel op te trekken omdat G’d met hen is. Het volk jammert dat het terug wil naar Egypte. Hasjeem wordt geweldig boos en wil het volk vernietigen, maar Mosje weet dat door gebed te voorkómen. Voor elke dag van verkennen moet het volk echter een jaar in de woestijn blijven en zij die HaSjeem geminacht hebben, zullen het land niet zien maar in de woestijn sterven, met uitzondering van Jehosjoe’a en Kalev. Sommigen van het volk, met spijt over hun houding, trekken toch op maar worden smadelijk teruggeslagen. G’d geeft Mosje instructies over uiteenlopende offers en gewijde gaven die gebracht zullen worden als het volk in het land gevestigd is. Een man die hout sprokkelde op Sjabbat moest ter dood gebracht worden. De mitsva van Tsietsiet (schouwdraden) volgt.
 
Sjelach lecha is de 37e parsja van de Tora, de vierde van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Sjelach lecha bestaat uit 10 parsjiot, afdelingen waarvan 7 open en 3 gesloten zijn, telt 119 pesoekiem, verzen, 1540 woorden, 5820 letters en is hiermee de 27 na langste parsja. Sjelach lecha bevat 3 mitsvot, waarvan 2 geboden en 1 verbod.

Verdieping I:
Het verhaal van de verspieders was meer dan een historische episode. Vele joden wilden eigenlijk niet meetrekken uit Egypte. Nog in de woestijn was de geringste aanleiding voldoende om te roepen dat men terug wilde keren naar de vleespotten van het eerdere slavenhuis. Het verhaal van de verspieders laat onze twijfel over de keuze tussen een spiritueel leven of een wereld van materiële uitbreiding, efficiency, productie en “steeds meer” zien. Wanneer de spirituele zoektocht dreigt te mislukken, hoeft er maar `dit’ te gebeuren of we vallen weer terug in de aardse zekerheden.
De tocht door de woestijn was een leven vol onzekerheid. Maar het symboliseert ook onze reis op weg naar de toekomstige wereld. De woestijn is eigenlijk een symbool voor de wereld waarin wij nu leven, die van tijdelijke aard is en niet al te lang zal duren. Ons doel is de Olam Haba, de wereld die komen gaat.
De verlossing uit Egypte was de eerste stap op weg naar een geestelijk leven. De woestijn symboliseert de worsteling, de onzekerheid en de onherbergzaamheid van het leven in een arena waarin we doorlopend strijd moeten voeren tegen onze lagere instincten. Pharao, Potifar en koeien speelden een belangrijke rol in Egypte en symboliseren de aardse uitdijing en verbreding. Het grondwoord ‘var’ (koe) in deze drie woorden is het kenmerk van materiële gerichtheid. De kop van een koe is naar beneden gericht en bevindt zich het grootste deel van de dag onder het lichaam. Een mens kan zichzelf niet bevrijden uit zijn geestelijke gevangenis (B.T. Berachot 5b).
De G’ddelijke inmenging bij de Uittocht uit Egypte was een daad van genade omdat G’d Zelf ingreep zonder verdiensten van Am Jisraëel.
Uiteindelijk gaat het om onze verlossing in de Messiaanse richting. Is ook dit weer een ingreep van Boven? Of kunnen wij hier zelf iets aan bijdragen? Kunnen wij de Messiaanse verlossing door goed religieus gedrag versnellen?
Het Jodendom zegt dat wij via handelen het goede in de wereld kunnen bevorderen en de G’ddelijke vonken kunnen verheffen. Dit heet tikkoen. Het verhaal van de verspieders was echter een episode van twijfel omtrent de G’ddelijke leiding. Daarom was het zo ernstig. De mens denkt dat hij door zelf in te grijpen de wereld kan verbeteren. Toch begrijpen we vaak niet waar we mee bezig zijn. Er is een bekende Midrasj waar Mosjé getoond werd hoe alles achter de schermen door G’d geregeld wordt. Mosjé rustte eens uit bij een bron en bekeek het gebeuren van een afstand. Hij zag daar een reiziger aankomen die van het water dronk en zijn portemonnee verloor. De reiziger merkte dat niet en liep verder. Daarna kwam een tweede voorbijganger, die de portemonnee vond en ermee vandoor ging. Later kwam nog een derde persoon aan, die geen enkele weet had van wat er daarvoor was gebeurd. De eerste reiziger kwam boos terug bij de bron. Daar zag hij de derde voorbijganger. Hij nam aan dat deze zijn geld had gevonden. Uiteraard ontkende deze alles waarop degene, die de portemonnee verloren was, de onschuldige voorbijganger doodsloeg. Hij vluchtte weg maar zonder beurs.
Mosjé richtte zich tot G’d en vroeg wat hiervan de betekenis is. Een onschuldige voorbijganger wordt gedood terwijl de eerste reiziger moordenaar is geworden. En de tweede voorbijganger is door een toevallige vondst steenrijk geworden. G’d legt hem de achtergronden uit. De eerste voorbijganger had het geld niet eerlijk gekregen. Het behoorde eigenlijk toe aan de tweede man die het uiteindelijk ook vond en meenam. De derde man verdiende de doodsstraf vanwege een ernstige overtreding waarvoor hij echter niet veroordeeld kon worden omdat er geen getuigen bij waren. Zo was er toch recht geschied. De kosmische disharmonie door overtreding en misdaad was hersteld.
Vele dingen in onze wereld gebeuren achter de schermen en door onze uiterlijke blik hebben wij maar weinig begrip voor G’ds leiding. Door gebrek aan overzicht kunnen we veel kapot maken. Maar van één zaak zijn wij overtuigd:’Alles sal – uiteindelijk- reg kom’!

VERDIEPING II
“Het land, dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert. En het gehele volk dat wij daar gezien hebben, zijn reuzen” (13:32 e.v.). Dit was de reactie van de spionnen. Ook de reactie van het volk was een puur materiële, zonder gevoel voor het grote Mysterie achter de buitenkant der dingen: “Waren wij maar gestorven in het land Egypte of waren wij in deze woestijn maar gestorven. Waarom brengt G’d ons naar dit land waar wij zullen vallen door het zwaard, onze vrouwen en onze kinderen tot buit zullen worden?” (14:1 e.v.). Menselijkerwijs waren de waarnemingen van de spionnen juist. Inderdaad woonden daar reuzen. Maar dit betekent niet dat G’d niet kan ingrijpen. De verspieders waren verblind door de beperkingen van het zichtbare universum. De explosie van materiële kracht en macht bij de Kena’anitische volkeren verblindde hen.
De fout van de verspieders wordt op veel verschillende manieren uitgelegd. Sommige Chagamiem zien het debacle als een gebrek in emoena, G’dsvertrouwen. Anderen stellen, dat de verspieders bang waren onder de nieuwe leider Jehosjoe’a hun topbaantjes als stamvorsten te verliezen. Maar de Lubawitscher Rebbe geeft aan, dat de Joden het in de woestijn geweldig naar hun zin hadden. Manna viel uit de Hemel, water kwam uit de rots van Mirjam, ze werden beschermd door de begeleidende wolken en ze konden de hele dag Tora lernen. In Israël zouden ze de armen uit de mouwen moeten steken:”een land dat zijn inwoners verteert” – en hun spiritualiteit afneemt. Ze vreesden door het aardse te worden opgeslokt en geen tijd meer te hebben voor geestelijke ontplooiing. Dat is ook een letterlijke betekenis van de zin “Het land, dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert”.

Reacties zijn gesloten.