Op Simchat Tora dansen we allen samen in sjoel. De Tora staat centraal en de onderlinge sociale en intellectuele verschillen zijn verdwenen!
Onze Geleerden zeggen:”een berg kan geen andere berg ontmoeten, maar een mens kan wel een medemens tegenkomen”. Wat wordt hiermede bedoeld?
Als een mens niet hoogmoedig is, maar bescheiden, dan komt hij makkelijk in contact met de ander. Het is plezierig om met hem te spreken, hij is een mens onder de mensen. Indien een persoon zich echter voelt als een berg, verheven, hoger dan de ander, dan zal hij niet snel een ander zien, bereid zijn om naar hem te luisteren, bevriend raken: een berg kan geen andere berg ontmoeten.
Van een leider van het Joodse volk, van een bestuurder, van een rabbijn, van een gabbe in sjoel, van ieder wordt verlangd dat hij zichzelf niet verheft boven de gemeenschap en de ander beschouwt als “onder” hem. Er wordt gebracht dat “IK (G’d) en hij kunnen niet samenwonen”. Als de mens zichzelf als G’d beschouwt, dan wil G’d niet met hem vertoeven. En als G’d al niet in zijn nabijheid kan zijn, zoveel temeer zal een medemens het niet kunnen verdragen om met hem te zijn, zoals we lernen in de Pirkee Awoth, de Spreuken der Vaderen, dat “ieder met wie G’d niet tevreden is, ook niet verdragen wordt door de medemens”.
Toen Mozes een opvolger zocht wilde hij een “iesj al haeeda”, een mens als leider over het volk, want één mens kan een tweede mens ontmoeten, maar bergen, zij die vol hoogmoed zitten en zich zwaar verheven voelen, treffen elkaar niet en nooit.
“Vandaag staan jullie allen voor de Allerhoogste van de stamhoofden tot de houthakkers en waterdragers”, allen zijn jullie gelijk. Vandaag, en hiermee wordt Rosj Hasjana bedoeld, staat immers niet centraal de opleiding en de maatschappelijke positie, maar onze essentie, onze nesjomme, onze ziel, en daarin zijn wij allen gelijk.
Dit lezend zult u wellicht denken dat u het bovenstaande volledig onderschrijft want u kent velen die zich boven de gemeenschap wanen. En u weet meteen wie ik bedoel…….
Maar zo werkt het niet. Rosj Hasjana moet ik met mijzelf bezig zijn en niet met de ander. Ik moet mijzelf aan een grondig onderzoek onderwerpen en ieder gevoel van hoogmoed en verhevenheid uit mijzelf bannen. En dan aan het eind van de periode der Hoge Feestdagen, aan het eind van Soekot, komt de test: kan ik de Rosj Hasjana theorie in praktijk brengen? Ben ik in staat om met ieder, ongeacht zijn maatschappelijke status, ongeacht zijn intellectuele capaciteit, ongeacht zijn financiële positie dansend de Tora te omarmen omdat we in essentie, vanuit onze nesjomme bezien, één zijn?
Het klinkt allemaal erg hoogdravend, maar het is toch de essentie van onze samenleving: bescheidenheid, geen berg-gevoel. Alleen als ik mijzelf niet boven de ander plaats, ben ik een aangenaam mens, maak ik vrienden, en heerst er rondom mij een gevoel van gelijkwaardigheid en respect.
Opperrabbijn B. Jacobs
