Wat is Tasjliech?

We gaan naar de zee of naar een rivier en werpen als het ware onze zonden in het stromende water. Opperrabbijn Jacobs legt de betekenis van dit Rosj Hasjana-element uit.
Omdat de eerste dag Rosj Hasjana op sjabbat viel zijn we gisteren niet naar Tasjliech gegaan, maar doen we dat vanmiddag na mincha. 
Toen onze aartsvader Awraham zijn zoon Jitschak moest offeren, hetgeen zich zou afspelen op Rosj Hasjana, kwam de Satan in het geweer. Alles heeft hij in het werk gesteld om het te voorkomen. De Satan heeft o.a. een wilde woeste rivier doen ontstaan als hindernis. Awraham en Jitschak lieten zich echter niet afleiden en liepen verder terwijl het water bijna boven hum hoofd uitsteeg, ze bijna verdronken…..maar ze weken niet af van de Joodse door G’d aangewezen weg.

Ook de Keri’at haTorah van vandaag behandelt de offerande van Jitschak
Wat was er zo speciaal aan deze geschiedenis?
Kie ata jadatie kie jiree El-lokiem ata – want nu weet Ik dat jij G’dvrezend bent.
Awraham was het prototype van chessed, van liefde. Liefde naar de Allerhoogste en liefde naar de medemens. De eerste daad die een Joods bruidspaar verricht is plaats nemen onder de choepa. De choepa staat symbool voor het Joodse huis, een huis zonder muren dat aan alle vier de kanten open is opdat gasten ten alle tijden en vanuit alle windstreken binnen kunnen komen, gelijk de tent, de woning van Awraham.

Awraham was dus het summum van chessed, van liefde. Waarom wordt hij dan pas als het ware door G’d geaccepteerd wanneer zijn G’dvrezendheid kie jiree El-lokiem ata zichtbaar wordt?
Awraham was van nature een iesj chessed – een mens van liefde. Maar juist omdat dit zijn natuur was, het bij hem hoorde, was het nog niet duidelijk voor G’d dat hij werkelijk een vroom mens was. Zijn positieve gedrag zat namelijk in hem, hij was chesed! Toen het echter zichtbaar werd dat hij ook jiree El-lokiem – G’dvrezend was, een eigenschap die geen onderdeel vormde van zijn natuur, had hij de test van de offerande doorstaan en was zijn vroomheid bewezen.

Als we dadelijk naar een stromende rivier gaan en de gebeden van Tasjliech uitspreken hebben we de gewoonte om onze zakken binnenste buiten te keren en eventuele broodkruimels in het water te gooien terwijl we zeggen:
we tasjliech bimetsoelot jam, kol chatotam – Moge Hij al onze zonden in het diepst van de zee werpen (Micha 7, 18-19)
Wat hebben broodkruimels te maken met zonden? Het probleem is het gist..
Gist doet rijzen, het staat symbool voor lustgevoelens, zelfingenomenheid, verhevenheid, egoïsme en hoogmoed…..Symbolisch en emotioneel werpen we dit in de diepte van de rivier, we nemen afstand van de dierlijke hoogmoed, het gist in onszelf.

We gaan op de sjofar blazen .Ook de sjofar, de ramshoorn, herinnert ons aan de offerande van Jitschak. Aartsvader Awraham bracht in plaats van zijn zoon Jitschak een ram als offer.

Geen kunstige muzikale tonen. Geen gebeden met diepgaande betekenissen. Maar het geschreeuw vanuit het diepste van onze nesjomme waarin we verklaren dat we bereid zijn onszelf te veranderen, ons gist in zee te werpen en ook dat te doen dat wellicht we van nature niet in ons hebben.

Maar waarom zouden we tegen onszelf ingaan?
Omdat U G’d dat van ons verlangt en omdat de gemeenschap daaraan behoefte heeft en omdat jezelf wegcijferen uiteindelijk innerlijke rust en sjalom zal brengen voor jezelf, voor je naaste omgeving en voor de gehele mensheid.

Moge het ons gegeven zijn om met deze gedachte de klanken van de sjofar tot ons te nemen opdat het voor ons allen en voor het gehele Joodse volk in ons aller Israël, elders in de wereld en ook gewoon hier in onze eigen Joodse Gemeente Amersfoort een sjana towa oemetoeka zal mogen worden, materieel een geestelijk!

Binyomin Jacobs, opperrabbijn
Amersfoort, tweede dag Rosj Hasjana 5770 – 2009

Reacties zijn gesloten.