Westerbork, en de betekenis voor het nageslacht

In een artikel (Volkskrant, 31 oktober 2007) over de vraag wat er moet gebeuren met het huis van de voormalig kampcommandant van Westerbork wordt mr. Sal Boas, bestuurslid van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, geciteerd die in de jaren ’60 heeft gezegd: “Een monument in Westerbork zal zeker voor het nageslacht geen enkele betekenis hebben.”
In een reactie plaatst NIK-secretaris Ruben Vis die ogenschijnlijk in de ogen van de hedendaagse lezer verrassende uitspraak in perspectief. Zijn opmerking blijkt gebaseerd te zijn geweest op de overtuiging dat een monument elders, meer in het centrum van waarvandaan Joden woonden en werkten, op z’n plaats zou zijn geweest. Een ook in deze tijd heel goed te begrijpen gedachte.

Het voormalige doorgangskamp Westerbork heeft voor de Nederlands-Joodse gemeenschap grote betekenis. Via dat kamp is het gros van haar leden weggevoerd. De opstelling van Sal Boas is daarmee niet in tegenspraak. Boas was oud-gevangene van Westerbork en lid van de Permanente Commissie (het bestuur) van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap, de overkoepelende organisatie van Joodse Gemeenten in Nederland.

In welke context moet een dergelijke uitspraak worden geplaatst? Uiteraard in het kader van zijn tijd. In 1960 ontstaat het initiatief tot het oprichten van een gedenkteken op het voormalig kampterrein van Westerbork. Het initiatief komt van niet-Joodse zijde. De middelen komen in eerste instantie uit een overgeschoten budget voor de oprichting van het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam en van de provincie Drente. Het uiteindelijke monument is er gekomen, in de vorm van de omgebogen spoorrails, ontworpen door Ralph Prins, die de oorlog voor een groot deel op eendere wijze als Boas heeft doorgemaakt (Barneveld-Westerbork-Theresienstadt).

Wat was het volledige oordeel van Boas en zijn medebestuurders van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap? “Een monument ter nagedachtenis van de weggevoerde Joden, zou, wanneer vanwege officiële Nederlandse zijde, opgericht, op grote sympathie kunnen rekenen. Het monument zou beter niet in Westerbork worden opgericht, aangezien uit zichzelf daar niemand komt”, oordeelt de Permanente Commissie in april 1961. De Permanente Commissie formuleert deze opvatting nadat het Nieuw Israëlietisch Weekblad zich in beginsel al positief had geuit over het plan en het dus lastig werd geacht om daaraan geheel voorbij of zelfs tegen in te gaan.

Boas, als lid van de Permanente Commissie, is dus niet zozeer tegen een monument op zich als wel tegen de gedachte het nationale monument voor de weggevoerde Joden juist in Westerbork op te richten. Hij en zijn toenmalige collega-bestuurders beargumenteren dit met de volgende woorden, die ik ontleen aan de notulen van een vergadering van de Permanente Commissie in april 1961, en die vrijwel zeker aan Boas zijn toe te schrijven, omdat hij aan het einde van het navolgende betoog, aanbiedt een brief van die strekking op te stellen:
“Wat de plaats betreft waar het gedenkteken zou dienen te worden opgericht, zal worden medegedeeld (het betreft het formuleren van een antwoord op de vraag om zitting te nemen in een erecomité), dat naar dezerzijds oordeel Westerbork daarvoor niet de aangewezen plaats is. Evenals het nationaal monument is opgericht op een plaats, welke als symbool kan gelden voor die, waar in de Tweede Wereldoorlog gevallen Nederlanders hebben geleefd en gearbeid, dienen de in de Tweede Wereldoorlog omgekomen Nederlandse Joden eveneens op een dergelijke plaats te worden herdacht, indien van officiële zijde tot herdenking van hen wordt overgegaan. Hierbij wordt gedacht aan een gemakkelijk toegankelijke plaats in Amsterdam.”

Een meer cynische en scherpe overweging wordt in de vergadering wel geuit, in de notulen ook opgenomen, maar nadrukkelijk met de inleidende woorden deze ‘buiten beschouwing’ te laten: “Hierbij wordt dan buiten beschouwing gelaten dat het kamp Westerbork – dat door de Duitse bezetter voor zijn heilloze doeleinden is misbruikt – ook daarom als plaats voor de oprichting minder geschikt is, omdat dit kamp door de toenmalige Nederlandse regering is gesticht, ondanks de bezwaren welke daartegen bij de Joodse bevolking bestonden, en in het Parlement tot uiting zijn gekomen. (Het kamp werd gesticht om de Duits-Joodse vluchtelingen te interneren.)”

Kortom, de gedachte was destijds gestoeld op een aantal wel overwogen grondslagen. Wanneer de overheid er toe zou overgaan een monument op te richten, dan niet met middelen van Joodse zijde. Voor Westerbork was al betaald en voor de eigen deportatie ook. Dit algemene monument voor de weggevoerde Joden zou niet in Westerbork moeten staan, maar daar waar de Joden hebben gewoond, geleefd en uit het hart van de samenleving waren weggerukt.
Veel later, in een ander tijdsgewricht en nadat er op andere plaatsen meer centraal gelegen monumenten waren onthuld, heeft het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap bijdragen geleverd aan de totstandkoming van herinneringstekens in Westerbork. De op zichzelf afgelegen plaats van het kamp, die door de Nederlandse regering welbewust met dat doel was gekozen, was niet bevorderlijk voor de keuze een monument daar op te richten. Dat later het hele kamp is afgebroken en er dus nauwelijks iets tastbaars is waar te nemen, heeft daaraan alleen nog maar bijgedragen. Een halve eeuw later in een tijd van meer mobiliteit, zijn de afstanden korter geworden en daarmee de bereisbaarheid van het herinneringscentrum in Drente vergroot. Maar de afstand tot ’40-’45 is steeds verder toegenomen en daarmee ook het belang van ‘Westerbork’.

Reacties zijn gesloten.