Chanoeka – de stille lichtjes hebben diepe gronden

Rabbijn mr drs R. Evers

Chanoeka is een veelkleurig feest met diepzinnige achter­gronden. Zo is de naam Chasjmona’iem voor de Makkabeërs al vol symboliek. De Talmoed-vraag wanneer wordt de mitswa van Chanoe­ka vervuld? Door het aansteken van de Chanoekia of door het neerzetten van de Chanoekia op de juiste plaats, blijkt ook al een diepere betekenis te kennen, legt rabbijn Evers uit.

Het woord Chasjmonai is een combinatie van de beginletters van de belangrijkste principes van het Joden­dom, die de Hellenistische Syrieërs in de strijd tegen de Makkabiem wilden ver­bieden, twee eeuwen voor de gewone jaartelling:
– de Ch staat dan voor Chodesj, de Joodse kalender
– de Sj is de beginletter van Sjabbat
– de M staat voor (Briet) Mila
– de N voor Nida (de Joodse reinheidswetten)
– en de Alef vormt het begin van Isjoet, de Joodse huwelijkswetgeving, die werd ontheiligd door het “recht van de eerste nacht” van de heidense gouverneur om de eerste huwelijksnacht met een pas getrouwd meisje door te brengen.

Dreidel (draaitol)
Zelfs de draaitol heeft diepere betekenis:
De letters op de dreidel: Noen, Gimmel, Hé en Sjien staan voor de woorden
Nes gadol haja sjam, een groot wonder geschiedde daar. Tevens geven deze letters de speelwaarde aan:
Noen = Niks van de pot
Gimmel = Gans de pot
Hé = Half de pot
Sjien = Sjaleem (betaal)
Maar er zit meer achter de draaitol. De Hellenistische Syriërs hadden ook verbo­den om Tora te leren. Zij die dit verbod negeerden gingen op de grond zitten in een grote kring en veinsden met een tolletje te spelen, zodat de Romeinse soldaten niet door zouden hebben dat zij zaten te lernen.

Aansteken of plaatsen?
Een ander voorbeeld van dubbele betekenislagen is de vraag die in de Talmoed (B.T. Sjabbat 22b) wordt bediscussieerd: wanneer wordt de mitswa van Chanoe­ka vervuld? Door het aansteken van de Chanoekia of door het neerzetten van de Chanoekia op de juiste plaats.
Deze vraag heeft verschillende consequenties. Als we aanne­men dat het aansteken van de menora de hoofdzaak is, dan moge het duidelijk zijn dat wanneer de pit defect is, of er op die plaats veel wind waait of dat er te weinig olie in de Chanoekia gedaan is om een half uur te branden, de mitswa van het aansteken niet vervuld is. In dergelijke gevallen moet men de Chanoekia opnieuw aansteken, echter zonder bera­cha omdat het meestal niet echt zeker is dat de Chanoekia niet voor minstens een half uur had kunnen branden.
Een ander gevolg hiervan is dat men bij het aansteken de juiste bedoeling moet hebben. Men moet de intentie hebben om bij het aansteken van de Chanoekia een gebod te vervullen. Heeft men alleen maar de bedoeling om licht te maken om te kunnen lezen, dan heet dit niet dat men de Chanoe­kalamp heeft aangestoken.
In zo’n geval moet men de lamp uitmaken en specifiek voor Chanoeka weer aansteken.

Volgens de tweede mening (het neerzetten van de Chanoekia is de mitswa) moet de Chanoekia iedere avond speciaal voor de mitswa worden opgetild en neergezet. Zou men de Chanoekia gewoon op zijn plaats laten staan en iedere avond opnieuw aansteken dan zou volgens de tweede mening de mitswa niet vervuld zijn.

Nadat de beide meningen bediscussieerd zijn, komt men in de Talmoed tot de conclusie dat het aansteken de mitswa is en niet het neerzetten van de menorah. Dit blijkt ook uit de beracha (lofzegging) die luidt: “Lehadliek neer sjel Cha­noe­ka”. Dit betekent dat wanneer men lichtjes of kaarsen meer dan 24 uur heeft branden, het niet voldoende is om de menorah alleen maar te verplaatsen. Het licht moet uitge­maakt worden en opnieuw worden aangestoken voor Chanoeka.

De plek
Niettemin blijft de plaats van de chanoekia toch een belang­rijk halachisch onderwerp. De chanoekia mag gedurende het branden niet verplaatst worden. Maar dat heeft niet met voorgaande meningsverschil te maken. Wanneer men iemand met de chanoekia ziet rondlopen, zou de indruk gewekt kunnen worden dat men de Chanoekia gebruikt voor privé-doeleinden. Over het algemeen geldt dat men verd­enking moet proberen te voorkomen. Juist bij Chanoeka moet men deze verkeer­de gedachten van de buitenwacht voorkomen.
De belangrijkste reden dat de Chanoekia wordt aangestoken is, om het wonder daarmee naar buiten te brengen. Dit moet ook naar buiten blijken.
Wanneer de uiterlijke schijn bedriegt en men de menora niet hoofdzakelijk voor de mitswa heeft aangestoken, is er niet voldaan aan de mitswa. Voor de praktijk geldt dat men de Chanoekia niet in de hand moet houden, omdat dat de indruk wekt dat er voor privé-doeleinden gebruik van wordt ge­maakt. Is men toch ge­noodzaakt om de menora naar een andere plaats over te brengen, gedurende het verplichte halfuur, moet de lamp worden uitgemaakt en opnieuw, zonder be­rachot, worden aangestoken.

Uitgaan en weer aansteken
Een derde gevolg van de opvatting dat “het aansteken de mitswa is” zien wij in het geval dat de Chanoekia snel na het aansteken uitgaat. In zo’n geval zeggen wij dat de mitswa toch vervuld is, ook al heeft de menora geen half uur gebrand. Er is immers op de juiste manier aangestoken. Wat er daarna gebeurt is niet echt relevant meer voor ons. Uiteraard stellen de grote Joodse geleerden dat men de menora toch opnieuw, zonder beracha, weer moet aanste­ken.
“Als het licht uitgaat zijn wij niet verplicht het weer aan te steken”. Dit betekent dat wij de opdracht hebben om te beginnen met het aansteken van het geestelijke licht voor de hele wereldbevolking.

De pure intentie
Bovenstaande halachische gegevens kennen zelf ook weer een diepere achter­grond. De idee, dat men de geboden met de juiste intentie moet vervullen, geldt overal. Met name bij Chanoeka wordt deze gedachte nog eens extra benadrukt.
Het Chanoekalicht symboliseert de Tora. Juist wanneer wij met het hoogste goed bezig zijn, is de juiste instelling uitermate belangrijk. Zoals er gewoonlijk geldt, dat hoge bomen veel wind vangen, zo is juist het Tora-leren helaas vatbaar voor onzuivere motieven.

Reacties zijn gesloten.