Chanoeka-cadeautjes: imitatie of echt Joods?

Chanoeka valt vaak samen met de Nederlandse Sinterklaas-avond en de vraag is of de gewoonte om op Chanoeka cadeau­tjes aan de kinderen te geven wel een echt Joodse gewoonte is. Chanoeka is een nog relatief jong nationaal-religieus feest binnen het Jodendom. Chanoeka is het symbool van de over­winning van het zuivere monotheïsme op het Griekse heiden­dom. Op 24 kislev, 164 voor de gewone jaartelling, trok Jehoe­da de Makkabeeër Jeruzalem binnen en verwijderde alle sporen van de Griekse afgoden­dienst uit de Tempel.

Systematische poging
De Talmoed licht een tipje van de religieuze sluier op met de stelling dat de hellenisten de Tempel waren binnengedrongen en alle oliën, waarmee de Menora werd aangestoken, onrein hadden gemaakt. Dit was geen toeval maar onderdeel van een systema­tische poging het traditionele Joden­dom te vernietigen. Let wel: de hellenisten wilden de olie slechts verontreinigen, niet vernietigen. Het was niet zozeer hun bedoeling het licht van de Menora, het licht van het Joden­dom te doven.
Nee! Ze waren er op uit om het licht van de Menora aan te steken met ontwijde en verontreinigde olie. Symbo­lisch betekende dit dat de hellenisten, de assimilan­ten en hervormers uit die tijd, best bereid waren de Tora te erkennen als een prachtig literair werk vol wijsheid en filosofie op voorwaarde dat men de Tora zou beschouwen als een schepping van mensenhan­den, zoals de Griekse mytholo­gie. Dit was – in een nutshell – de spirituele strijd tussen de Makka­biem en de hellenis­ten: de zuiverheid en originali­teit van ons Jodendom.

Halachische vraag
Rond Chanoeka bereiken de Rabbijnen vele vragen. Eén van de vragen staat direct in verband met het voorgaande. Chanoeka valt vaak samen met de Nederlandse Sinterklaas-avond en de vraag is of de gewoonte om op Chanoeka cadeau­tjes aan de kinderen te geven wel een echt Joodse gewoonte is.
Is het een vorm van pirsoem hanees – bekendma­king van het wonder met het kruikje olie, valt het misschien onder riboej se’oeda – het feestelijk maken van de Chanoeka-maaltijd of is het gewoon naäperij van een christelijke gewoonte?
Toen ik deze zaak met enkele geleerden besprak, werd mij tegengeworpen dat Sinterklaas niets christelijks was, doch evenals de kerstman, slechts een commercië­le uitvinding zou zijn.

Katholicisme en Protestantisme
Dit is echter onjuist. Uit het werk ‘Nicolaas, de duivel en de doden’ van Louis Janssen blijkt dat Nicolaas door de r.k.-kerk nog steeds erkend wordt als volbloed heilige (Zwarte Piet als knecht was een symbool voor de Satan, die onderwor­pen werd). Sinds 1346 was 6 december in Utrecht een officiële kerke­lijke feestdag. Nadien heeft Nicolaas veel kritiek moeten verduren. Luther meende, dat ‘G’d geen Nicolaasbisschop kent’. Dominees gingen tekeer: ‘dit leidt af van de reli­gie’.
Het Amsterdamse stadsbestuur verbood het feest in 1663 maar er brak een kinderop­roer uit. De vroede vaderen bonden in. Op 6 december 1732 gingen de ruiten aan diggelen bij enkele predikan­ten, die dit ‘paapse’ kinderfeest open­lijk bekriti­seerden. Bezwaren van pedagogische aard werden gehoord in de zestiger jaren van deze eeuw, toen de anti-autoritaire educatie ‘in’ kwam.
Nicolaas werd gezien als exponent van een onderdrukkend opvoedingssysteem: “Sint is anti-kind”. Verschillende dagbladen wisten in de zeventiger jaren te melden “dat de krasse man maar moest worden afge­voerd naar het bejaardenhuis van de folklore”.

Folklore?
Katholiek gebruik of folklore? De pakjesavond was in ieder geval geen oud ge­bruik, want deze ontstond pas in de eerste helft van de 20e eeuw. Nieuwere generaties katholieken hebben de heiligenverering afgeschaft. Maar de vraag blijft: is hier sprake van choekat hagoi, zoals de Tora het stelt: “En in hun instellingen zult u niet volgen” (Lev. 18:3).
Een moeilijk te beantwoorden vraag. Sommige verklaringen stellen dat dit verbod alleen ziet op de gebruiken van Kena’anietische of Egyptische volkeren. Maar andere geleer­den, zoals Rasjba (13de eeuw) en Rabbi Jitschak bar Sjesjet (15de eeuw), breidden dit verbod uit naar de gewoonten van alle andere volkeren. De reden van dit verbod moge duide­lijk zijn: het gaat om het behoud van de eigen, Joodse identiteit, temidden van een woelige, anders denkende maatschappij.

Geestelijke assimilatie
In de Middel­eeuwen streden onze wijzen over de reikwijdte van dit verbod. Sommigen meenden dat de Tora alleen religieuze gebruiken uit den vreemde wilde verbieden en dat hieronder slechts een beperkt aantal, traditionele bekende heidense praktij­ken viel. Maar de meeste Risjoniem (geleerden tussen 1000 en 1500) stellen dat dit verbod veel breder moet worden opgevat en vele uitingen van geestelij­ke assimilatie omvat. Anderen maken onderscheid tussen onbe­grijpelijke gewoonten (choekat van ‘chok’ betekent eigen­lijk ook instelling zonder reden) en gewoon­ten, die een duidelijke achtergrond hebben. Deze laatste praktijken zouden dan toege­staan zijn als men maar niet de bedoeling heeft de omgeving na te apen.

Zweem van imitatie
Hoewel ik mij niet kan onttrekken aan het gevoel dat er toch minstens sprake is van een zweem van imitatie, plagiaat of naäperij onder het motto ‘dat kunnen we onze kinderen toch niet aandoen’, wees een van mijn collega’s mij op een reële, alterna­tieve mogelijkheid als oor­sprong van pakjesavond voor de kinderen op Chanoeka.

Chanoeka-gelt
In chassidische kring bestaat het begrip ‘Chanoeka-gelt’ (de g van gelt als gimmel uitspreken). Voor het eerst werd ik met deze minhag geconfronteerd in Londen, toen wij geld gingen ‘sjnorren’ voor de jesjiewa. In de wijk Stamford Hill aang­ekomen werden wij gastvrij ontvangen in het heren­huis van ‘dikke Herschie’, die zijn nogal fors uitgevallen vuist in een grote bus met ponden stak.
Ieder van ons kreeg een handvol Engelse valuta om daarmee Chanoeka te vieren. Het is dus mogelijk dat onze gewoonte van cadeautjes hier­uit geëvolueerd is, de oud-Joodse gewoonte van Chanoeka-gelt.

Reacties zijn gesloten.