Chanoeka vieren wij tegenwoordig door het aansteken van de Chanoekia. Wij steken aan op straat (of naar de straat toe) om onszelf en anderen eraan te herinneren, dat het licht van de Tora ons alles geschonken heeft om ons te meten met hetgeen de buitenwereld te bieden heeft. Nergens ter wereld is het Jodendom tot zo een grote bloei gekomen als in onze dagen in het Heilige Land.
Rabbijn mr. drs. R. Evers, rabbijn van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap
Chanoeka is een relatief jong feest binnen het Jodendom. Het werd ‘slechts’ 2156 jaar geleden ingesteld. Op 25 Kislew 167 voor de gewone jaartelling werd op bevel van de Syrische koning Antiochus Epifanes in de Tempel te Jeruzalem voor de Griekse afgoden geofferd. Antiochus Epifanes meende, dat wanneer de Joden geheel vergriekst zouden zijn, hij hen gemakkelijker aan zijn gezag zou kunnen onderwerpen. Het Joodse kamp was verdeeld in Hellenisten, die de Griekse beschaving met geweld wilden invoeren en met de vijand collaboreerden en de Chassidiem (lett. vromen), die het traditionele Jodendom tot in de dood trouw bleven omdat zij meenden, dat de Griekse geest volstrekt in strijd was met het Jodendom. Er ontbrandde een wrede oorlog, waarin voor het eerst in de geschiedenis door de Maccabeeën, die zwaar in de minderheid waren, de guerilla-taktiek werd toegepast. Precies drie jaar na de ontwijding van de Tempel trok Juda de Makkabeeër op 25 Kislew 164 vóór Jeruzalem binnen en verwijderde alle sporen van de Griekse afgodendienst uit de Tempel. Hierna werd de herinwijding van de Tweede Tempel gevierd.
De meeste bronnen
Alle feestdagen op de Joodse kalender zijn gebaseerd op Tenach (de Bijbel). Chanoeka wordt nergens in Tenach genoemd; toch hebben we van de Chanoekageschiedenis de meeste bronnen. Zo zijn er de vier Maccabeeënboeken, de Rol van Antiochus, die in de dertiende eeuw in Italië tijdens Chanoeka in sjoel werd voorgelezen en het boek Jehoediet, waarin de belegering van het stadje Betoelija door de Syrische veldheer Holofernes wordt beschreven.
De knappe weduwe Jehoediet slaagt erin door de vijandelijke linies heen te dringen en wordt door Holofernes uitgenodigd in zijn tent. Zij bereidt hem melkgerechten, waarvan hij dorstig wordt waarna Jehoediet Holofernes dronken voert en hem in zijn roes onthoofdt. Toen zijn soldaten hem de volgende ochtend dood aantroffen, trokken zij in verwarring terug. Ter herinnering hieraan schrijft de Joodse codex voor om op Chanoeka kaasgerechten te eten.
Ongevoelig?
Chanoeka vieren wij tegenwoordig door het aansteken van de Chanoekia. Vrijwel niets herinnert ons nog aan de heldhaftige strijd van de Maccabeeën. Is het bevechten van de Joodse onafhankelijkheid dan niet de moeite van het herinneren waard? Heeft twee duizend jaar diaspora ons ongevoelig gemaakt voor het belang van een eigen tehuis? Zeker niet! Reeds in de tijd van onze Aartsvaders Awraham, Jitschak en Ja’akov heeft G’d er keer op keer weer op gewezen, dat het Joodse volk slechts kan gedijen in Israel. De exodus uit Egypte was gericht op een eigen, vrije staat. De gebeurtenissen uit de moderne geschiedenis tonen ditzelfde thema: alleen in Israel is er een werkelijke Joodse toekomst. Nergens ter wereld is het Jodendom tot zo een grote bloei gekomen als in onze dagen in het Heilige Land.
Plicht om het land te bewonen
Rabbi Jehoeda Halevi (12e eeuw) legt in zijn filosofische werk de Koezari uit, dat gelijk iedere plantensoort zijn eigen fysiek gunstige omstandigheden kent, ook het Joodse volk een ideale groeiomgeving nodig heeft om tot steeds grotere spirituele hoogten te komen. Een klassieke variant van de beruchte ‘Blut und Boden’-theorie? Nee, want wij spreken niet van een incestueuze gebondenheid aan onze geboortegrond en klagen niet over een gebrek aan ‘Lebensraum’. Wij spreken niet over een recht op onze ‘Heimat’ maar over een door G’d opgedragen plicht om het Land te bewonen en daar de geboden uit de Tora na te komen. Het Joodse volk heeft een universele opdracht om als banier der volkeren een geestelijk voorbeeld te zijn van het levende monotheïsme maar kent geen neurotische gebondenheid aan heilige plaatsen en stenen. De conflicten tussen Moslims en Hindoes in India tonen aan tot welke gruwelijke taferelen deze bekrompen, plaatsgebonden religieuze opvattingen kunnen leiden. De Tempel in Jeruzalem zal eens in de dagen van de Masjie’ach het spirituele middelpunt van alle volkeren vormen; de tijd is tot op heden nog niet gekomen. De geschiedenis heeft ons geleerd, dat ons culturele erfgoed voldoende krachtig is om ook op vreemde bodem onze Joodse identiteit levend te houden.
Diaspora-feest
Chanoeka is eigenlijk een Galoet-feest (een diaspora-feest) omdat de vele bepalingen van Chanoeka ons leren hoe het zuivere Jodendom ook in een zware nevel van Galoet-duisternis uitgedragen kan worden. Wij steken de Chanoekia tegenwoordig aan naar analogie van de Tempel-Menora. Toch zijn er grote verschillen. In de Tempel werd de Menora binnen aangestoken, overdag en iedere dag hetzelfde aantal lichten. Onze Chanoekia wordt bij voorkeur buiten (in ieder geval van buitenaf zichtbaar)aangestoken, ‘s avonds en iedere avond één lichtje meer.
Deze verschillen zijn het gevolg van de verschillende omstandigheden tussen toen en nu. Gedurende het bestaan van de Tempel heerste er zowel op materieel als op spiritueel niveau doorgaans voorspoed. Vanaf de tijd van de Griekse overheersing tot op heden was er vrijwel continu sprake van een ongezonde anti-Joodse sfeer, zowel van buitenaf als van binnenuit. In deze tijd van geestelijke duisternis moeten wij de donkere invloeden tegengaan door juist met ons Tora-licht naar buiten te treden. Daarom wordt de Chanoekia tegenwoordig juist buiten aangestoken en niet eerder dan na zonsondergang. Ook moeten wij iedere avond meer lichten aansteken omdat wij in een sfeer van spirituele achteruitgang nooit tevreden mogen zijn met de resultaten van vandaag. Stilstaan betekent in galoet achteruitgang. Oorlog is iets tijdelijks en wordt binnen het Jodendom niet verheerlijkt. Het gaat om de morele boodschap voor de komende generaties.
De Talmoed
In de Talmoed (B.T. Sjabbat 21b) wordt de krijgsgeschiedenis niet besproken en alleen ingegaan op het religieuze aspect van Chanoeka. De Talmoed vertelt over Chanoeka niet meer dan dat de Syrische Hellenisten de Tempel binnendrongen en alle oliën waarmee de Menora aangestoken werd, verontreinigden. Toen de Maccabeeën weer aan de macht waren, onderzochten zij de Tempel op reine olie, maar vonden slechts een kruikje, dat nog het stempel van de Hogepriester droeg. Met dit kruikje olie zou de Menora slechts één dag kunnen branden. Maar er geschiedde een wonder en men kon met dit ene kruikje olie de Menora gedurende acht dagen lang aansteken.
Profaniseren
Opvallend in deze passage is het feit, dat de Syriërs er alleen op uit waren de olie te verontreinigen. Het licht van de Tora, gesymboliseerd in het licht van de Menora wilden zij niet doven. Zij wilden dit slechts profaniseren. De strijd van de Makkabeeën draaide uiteindelijk om de verdediging van een spiritueel goed: de Hellenisten waren er op uit het Joodse volk ervan te overtuigen, dat zij hun monotheïsme moesten verruilen voor een ‘man-made’ filosofie met een heel scala aan goden en halfgoden, vol menselijke trekjes.
Joodse benadering
Rav A. Scheinman wijst op een interessante midrasj, waarin onze Wijzen het Hellinisme met duisternis vergelijken. Zo op het eerste gezicht is dit vreemd: heeft de Griekse beschaving niet het zaad van de rede geplant? Vergeleken met het moeras van afgoderij en onkunde dat daaraan voorafging, lijkt het Hellinisme eerder een lichtvonk in een donkere oudheid dan een sluier van duisternis. Bovendien hebben veel van de grote Joodse geleerden zich met filosofie beziggehouden, vanaf de tijd van Sa’adja Gaon in de 10e eeuw tot diep in de 16e eeuw. Maimonides schrijft zelfs, dat “Aristoteles in alle sub-metafysische zaken gelijk heeft”. Bovendien meent hij, dat “Aristoteles bijna de status van een profeet had bereikt”! Het is weliswaar juist, dat de conclusies van de filosofen-Rabbijnen vaak zeer afweken van die van de Griekse denkers maar toch was de Joodse benadering vaak gebaseerd op dezelfde denkvormen en terminologie.
Twee soorten filosofie
Er bestaat echter een groot verschil tussen filosofie als een gedisciplineerd denksysteem om gebeurtenissen te verklaren en te categoriseren en filosofie als een levenshouding, als parameter van het bestaan. De eerste soort is hetgeen de Tora in Genesis 9:27 de ‘schoonheid van Griekenland’ noemt, dat binnen het kader van de Tora past en als zodanig door vele middeleeuwse geleerden gebruikt werd bij de exegese van de Tora. Deze vorm van filosofie is beschrijvend van karakter.
Normatief
De tweede soort filosofie is normatief van aard; het berust op de stelling dat niets bestaat dat niet begrepen kan worden door de rede en dat iets dat niet begrepen kan worden door de logica van het menselijk verstand, niet bestaat.
Terwijl het uitgangspunt van Israel een theocentrische wereld is (een wereld geconcentreerd op de G’dsgedachte) en het denken en de logica gebruikt worden om te kunnen begrijpen wat hiervoor toegankelijk is, is het uitgangspunt van Griekenland gebaseerd op een homocentrische wereld (de mens centraal), waarbij de rede gebruikt wordt om de grenzen daarvan te bepalen.
Duisternis
Terwijl wij geloven dat G’d de mens schiep, is het naar hun inzicht de mens die met zijn begrip G’d schiep! In feite is de Griekse filosofie een duisternis, die in een bepaald opzicht verwerpelijker is dan oprechte afgodendienst. Een afgodendienaar immers neemt aan, dat de wereld op een G’ddelijk beginsel berust en als hij lang genoeg zou nadenken en doorzoeken, zou hij het Oorzakelijk Beginsel wel vinden, zoals de conclusie in het debat, dat onze Aartsvader Avraham zo een 3800 jaar geleden voerde met Nimrod, de vuuraanbidder: “Dien het water, want dit is sterker dan vuur; dien de wolken, want zij zijn sterker dan water; dien de winden enz. enz.”
Nog even levend en reëel
Bij het aansteken van de Chanoekalichten lezen wij een opmerkelijke verklaring: “Deze lichten, die wij aansteken, zijn er slechts om er naar te kijken”. Het aansteken van het Chanoekalicht dient geen praktisch doel van verlichting. Het doel is de aanwezigheid van de lichten zelf. De lichten symboliseren het licht van de Tora, die de mensheid bevrijd heeft van allerlei vormen van afgoderij, de zelfverering van de mens voorop.
Door het aansteken van de Menora worden wij ervan doordrongen, dat de bijdrage van het Jodendom aan de spirituele en religieuze verheffing van de mensheid nog even levend en reëel is als twee- of drieduizend jaar geleden. De Tora maakt ons weerbaar tegen al die man-made filosofieën van weleer, die grote ideologieën, die juist aan het einde van de 20e eeuw vallende sterren zijn gebleken. Wij steken aan op straat (of naar de straat toe) om onszelf en anderen eraan te herinneren, dat het licht van de Tora ons alles geschonken heeft om ons te meten met hetgeen de buitenwereld te bieden heeft.
