De rechter heeft bepaald dat een joods gezin voorlopig niet naar Irak mag worden uitgewezen. Eerst moet een andere rechter beoordelen of zij er gevaar zullen lopen.
Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan de noodzaak bestaan om de regels met betrekking tot uitzetting niet onverkort toe te passen. Een Irakees-Joods gezin heeft een beroep gedaan op artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat luidt: “Niemand mag worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.”
Op grond van deze regel uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft de rechtbank geoordeeld dat het Joods-Irakees gezin voorlopig niet mag worden uitgewezen naar Noord-Irak. Daar komt het gezin vandaan, maar terugkeer is te gevaarlijk. Vanwege hun joods-zijn. De rechter erkende de gevaarlijke situatie op grond van een UNHCR rapport over Noord-Irak. Uit het van april vorig jaar daterende rapport blijkt dat de levensomstandigheden voor joden in Noord-Irak drastisch zijn verslechterd.
Daarom heeft de rechter besloten dat het gezin met jonge kinderen de behandeling van nog lopende beroepsprocedures in Nederland mag afwachten omdat de rechter in die beroepsprocedures een beroep op artikel 3 van het verdrag wel eens zou kunnen honoreren, en tot dat moment niet mogen worden uitgezet.
