Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap heeft jegens het gemeentebestuur van Zoetermeer van haar verontwaardiging blijk gegeven, over de zaalverhuur op Bevrijdingsdag aan een groep extreem-rechtse jongeren. De groep staat onder leiding van een wegens bekladding van een joodse begraafplaats veroordeelde man.
De jongeren houden er een extreem-rechts muziekfeest. Het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap toont zich diep geschokt door de handelwijze van de gemeente Zoetermeer. Het gemeentebestuur van Zoetermeer toont zich niet opgewassen voor zijn taak. De zorg voor het op fatsoenlijke wijze gedenken van de bevrijding en het inhoud geven aan de viering van de op de Duitse bezetter herwonnen vrijheid is bij een gemeentebestuur dat dergelijke wansmakelijke bijeenkomsten op Bevrijdingsdag niet alleen toelaat maar ook mogelijk maakt, in verkeerde handen.
De gemeente heeft geen gebruik gemaakt van haar recht om de verhuring te weigeren of de beslotenheid van de lokaliteit op te heffen zodat eventueel te uiten racistische gedachten in het openbaar worden gemaakt waardoor er sprake is van strafbaar handelen.”
In april 2001 bekladde en vernielde een van de organisatoren van de bijeenkomst op bevrijdingsdag in Zoetermeer, een joodse begraafplaats met nazistische en antisemitische leuzen. De pleger werd gearresteerd en verklaarde tijdens het proces dat hij geen spijt had van het gebruik van teksten als “Juden raus” en “Wir sind zurück”. Daarop volgde diens veroordeling tot 35 dagen voorwaardelijk en een werkstraf.
Minister-president Wim Kok reageerde destijds onmiddellijk op de bekladding van de Joodse begraafplaats. Kok zei dat de grafschennis kennelijk niet het werk was van baldadige jongeren, maar “dat er een systeem achter zit”. De minister-president sprak over de bekladding als een “gruwelijke intimidatie van burgers”. Kok zei dat er zal alles aan wordt gedaan herhaling te voorkomen.
