Restitutiecommissie adviseert tot teruggave vijf kunstwerken

De Restitutiecommissie adviseert Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Medy van der Laan om vijf werken uit de Nederlands Kunstbezit-collectie terug te geven aan de kleinzoons van de oorspronkelijke Joodse eigenaar van kunsthandel Vecht uit Amsterdam. Na zestien adviezen over particuliere restitutieverzoeken is dit het eerste advies van de commissie over teruggave van kunstwerken die deel uitmaakten van de handelsvoorraad van een kunsthandel. De werken maken sinds eind jaren ’40 deel uit van de NK-collectie in beheer van de rijksoverheid.
De Joodse kunsthandelaar, wiens erfgenamen het restitutieverzoek indienden, sloot in 1939 zijn Amsterdamse kunsthandel in verband met de naderende oorlog. Een deel van zijn handelsvoorraad verzond hij naar de VS en Groot-Brittannië, een ander deel sloeg hij op in een Amsterdams pakhuis. Op last van de bezetter werd de zaak in 1941 heropend en werden de in Amsterdam opgeslagen kunstwerken weer teruggebracht naar de onderneming. De bezetter stelde in februari 1942 voor een aantal maanden zogenaamde Verwalters aan, die het beheer van de kunsthandel van de eigenaar overnamen. In november 1942 verkocht de bezetter de kunsthandel aan een Nederlandse zakenman. Deze ondernemer betaalde de koopsom aan een Duitse roofinstelling met een geldlening die naderhand werd afgelost met aan de kunsthandel onttrokken geld. Na de oorlog kreeg de oorspronkelijke eigenaar 68% van deze koopsom uitgekeerd. De discussie die hij na de bevrijding voerde met de Stichting Nederlands Kunstbezit over de teruggave van kunstwerken die oorspronkelijk tot zijn kunsthandel behoorden en inmiddels uit Duitsland waren teruggekeerd, resulteerde niet altijd in de teruggave ervan.

De huidige claim, ingediend door Constant Vecht die de zaak van zijn vader en grootvader voortzet na eerst een loopbaan te hebben gehad bij het dagblad De Waarheid en bij weekblad De Groene Amsterdammer, betreft negen kunstwerken. Na feitenonderzoek concludeerde de Restitutiecommissie dat over de teruggave van vier kunstwerken geen positief advies aan de staatssecretaris kon worden gegeven. Twee schilderijen werden in 1944 door de kunsthandel geveild toen deze al was verkocht. Bij die schilderijen was geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de mogelijkheid dat ze nog door de oorspronkelijke eigenaar van de kunsthandel waren aangeschaft. De commissie hanteert voor elke aanvraag het criterium dat kunstwerken onvrijwillig uit het bezit van de oorspronkelijke eigenaar moeten zijn geraakt door omstandigheden die direct verband houden met het nazi-regime. De twee schilderijen waren hoogstwaarschijnlijk zowel ingekocht als verkocht door de nieuwe eigenaar van de kunsthandel. Van onvrijwillig bezitsverlies door de oorspronkelijke eigenaar was dus geen sprake.
Twee andere schilderijen waren kort na aanvang van de bezetting door de eigenaar van de kunsthandel zelf verkocht aan Nederlandse kopers. Aangezien een kunsthandel verkoop van de handelsvoorraad als doelstelling heeft, is de Restitutiecommissie van mening dat de verkoop van een kunstwerk na de bezetting door de kunsthandelaar zelf aan een Nederlandse koper een vrijwillige handelstransactie was. Om die reden komen deze schilderijen naar het oordeel van de commissie niet voor teruggave in aanmerking.

Reacties zijn gesloten.