CHOEKAT (WET): Met de as van de rode koe is het mogelijk rein te worden na contact met een dode. Mirjam sterft. Er is geen water. G’d gebiedt Mosjé tegen de rots te spreken. Mosjé slaat met zijn staf op de rots. Er komt veel water uit. Mosjé en Aharon mogen het Land niet binnen. De koning van Edom wil het volk niet doorlaten en dreigt met geweld; daarom kiest men een omweg. Aharon sterft op de berg Hor. Zijn ambt wordt overgenomen door zijn zoon Elazar. Wederom verzet het volk zich tegen Mosjé, waarna giftige slangen veel slachtoffers maken. Ook hieraan weet Mosjé een einde te maken. De Bné Jisraeel trekken verder de woestijn door. Aangekomen bij het gebied van Sichon, koning der Emorieten, weigert deze doortocht. Na een oorlog neemt Israël het land van Sichon in bezit. Ook Og, koning van Basjan voert oorlog met de joden. Og verliest zijn land aan het volk.
Choekat is de 39e parsja van de Tora, de zesde van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Choekat bestaat uit 10 parsjiot, afdelingen waarvan 6 open en 4 gesloten zijn, telt 87 pesoekiem, verzen, 1245 woorden, 4670 letters en is hiermee de 40 na langste parsja. Choekat bevat 3 mitsvot, 3 geboden.
VERDIEPING
De Joden arriveerden in de woestijn Tsien en hadden vreselijke dorst. Ze kwamen in opstand tegen Mosjé en Aharon. Mosjé en Aharon snelden naar de Tabernakel en baden tot G’d. G’d gaf Mosjé de opdracht om tegen de rots te spreken maar uiteindelijk sloeg hij tegen de rots waardoor noch hij noch Aharon het Heilige Land mochten betreden.
Onze Wijzen probeerden de exacte aard van het delict van Mosjé en Aharon te achterhalen. Wat hadden zij misdaan? Sommigen zeggen, dat Mosjé gezondigd had omdat hij niet met voldoende eerbied tegen het volk had gesproken. Maar anderen stellen dat Mosjé tegen de rots had moeten spreken in plaats van te slaan. Het is duidelijk, dat iemand die aan het hoofd staat van het Joodse volk, hen eerbiedig moet behandelen en moet luisteren naar G’d. Wanneer G’d zegt ‘spreek’ dan moet hij niet slaan. Dit maakt duidelijk dat alle natuurfenomenen uiteindelijk afkomstig zijn van Hakadosj Baroech Hoe.
De Maharal van Praag stelt, dat Mosjé’s zonde b estond uit woede. Woede wijst op een gebrek aan geloof. Iemand, die volledig gelooft in de Voorzienigheid en G’ds wereldleiding wordt nooit boos. Hoe het ook komt, alles is goed wat G’d doet. Uit woede sloeg hij op de rots. De rots gaf water. G’d wilde eigenlijk, dat de rots ‘vanuit zichzelf’ water zou geven als voorbeeld voor de mens, die uit zichzelf de Tora moet volgen. Dit was een essentieel punt na de Tora-wetgeving. Onder dwang van Boven was de Tora geaccepteerd. Maar G’d wilde, dat de mens de Tora nu langzamerhand ook uit eigen initiatief zou aanvaarden. De rots moest het voorbeeld zijn. Het liep echter mis. Een kans op een essentiële levensles voor het hele volk was gemist. Daarom mochten Mosjé en Aharon Israel niet binnen.
Aan het einde van de sidra overlijden Aharon de Hogepriester en Mirjam de profetes. Onmiddellijk daarna vielen de Kena’anieten en de Emmorieten het Joodse volk aan. Met veel davvennen en geloften lukte het de vijand in tweede instantie te verslaan.
Aan het einde klagen de Joden over het manna. G’d wordt kwaad en stuurt giftige slangen. Het volk had spijt. G’d gaf opdracht een koperen slang op een paal te slaan zodat iedereen, die daar naar zou kijken G’d zou herinneren en gered zou worden van de slangen (artsen hanteren nog steeds dat esculaapteken. Hoewel dit een Grieks symbool is, heeft het misschien Bijbelse wortels). Een belangrijk aspect vormt ook de rode koe. Wanneer iemand onrein was door contact met een dode, kon hij alleen de Tempel betreden als hij twee maal bespat was met de as van de rode koe, vermengd met water.
Nadat de Joden van een koude kermis aan de grens bij het land Edom terug waren gekeerd, begon het volk te klagen over de uittocht uit Egypte en het Manna. Waarom zagen zij een verband tussen de moeite van het reizen en het ‘lichte brood’? Volgens Rabbi Chaïm ibn Attar heb je stevige kost nodig voor een vermoeiende reis. Manna was zeer licht verteerbaar en daarom niet voldoende voor een lange tocht. Aan de grens van het land Edom hadden ze kennis gemaakt met graan. Ze waren net als kinderen die van de borst af raakten. Ze begonnen brood te eten en de moedermelk was ineens niet meer voldoende. Anderen verklaarden de klachten tegen het manna uit het feit dat het als astronautenvoedsel geen afval produceerde, dat het lichaam moest verlaten. Het manna was bovennatuurlijk en zij kregen het voor niets.
Dat stoorde hen. Zij wilden werken ‘voor de kost’. Op eigen kracht iets verdienen. Daarom noemden ze dit ‘licht brood’. Mensen vinden het onprettig om iets te krijgen; ze willen ervoor werken.
Daarom werden ze ook gestraft door de slangen. Veertig jaar lang waren ze door de woestijn getrokken zonder hinder van deze reptielen. Veertig jaar lang zagen ze slangen maar ze beseften niet dat die ook konden schaden. De Joden zagen het graan van Edom. Ze wilden die bovennatuurlijke levenswijze niet meer. Daarom vielen ze terug tot een normaal aards bestaan. Toen zagen ze ook de slangen en werden ze ook aangevallen door deze dieren. De bovennatuurlijke bescherming was weg. De verandering speelde zich vooral in hun hoofd af. Het is niet zozeer de slang, die bijt, maar de zonde die de slang laat bijten.
