BALAK (persoonsnaam): Balak, de koning van Moab vreest Am Jisraeël en zendt afgezanten naar de waarzegger Bile’am met het verzoek met hen mee te gaan om het Joodse volk te vervloeken. Bile’am raadpleegt G’d die eerst nee en dan ja zegt op voorwaarde dat hij alleen zegt wat G’d hem ingeeft. Bile’am berijdt zijn ezelin, die zich echter ongehoorzaam betoont omdat zij wel en Bile’am niet de Engel ziet die de weg verspert. Tenslotte slaat Bile’am de ezelin drie keer, waarna de ezelin in mensentaal vraagt waarom hij zijn trouwe rijdier slaat. Daarop opent HaSjeem Bile’ams ogen en hij ziet ook de Engel staan met getrokken zwaard. Bile’am krijgt nogmaals de opdracht alleen datgene te zeggen wat HaSjeem hem ingeeft.
Koning Balak treft voorbereidingen om offers te brengen zoals Bile’am hem opdraagt maar tot drie keer toe kan Bile’am alleen maar een zegen over het Joodse volk uitspreken, tot woede van koning Balak, die hem tenslotte wegzendt. Echter, nog voordat hij vertrekt profeteert hij over de slechte toekomst van Moab. Het Joodse volk begint ontucht te bedrijven met Moabietische meisjes en werpt zich neer voor hun afgoden. Uit woede beveelt G’d alle schuldigen op te hangen. Op een gegeven moment brengt Zimri, stamvorst van Sjimon, in het openbaar een Midjanietische vrouw naar zijn tent. Pienechas, een kleinzoon van Aharon doorsteekt beiden, waarna de plaag ophoudt, die 24.000 mensen het leven heeft gekost.
Balak is de 40e parsja van de Tora, de zevende van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Balak bestaat uit 2 parsjiot, afdelingen waarvan 1 open en 1 gesloten zijn, telt 104 pesoekiem, verzen, 1455 woorden, 5357 letters en is hiermee de 34 na langste parsja. Balak bevat geen mitsvot, geboden.
VERDIEPING I Waarschuwing voor de andere volken
Don Jitschak Abarbanel (1437-1508) meent dat de zegeningen van Bileam bedoeld waren als waarschuwing voor de omliggende volken. Wanneer deze bang zouden zijn, zou het makkelijker zijn om het land te veroveren.
Balak, die Bileam kende als tovenaar, begreep deze bedoeling van Hasjeem in de zegeningen niet. Hij meende dat hij hem te weinig betaald had om te vloeken, zodat Bileam hen een zegen gaf om een hoger salaris af te dwingen.
Bileam was de grootste profeet onder de volkeren. Wanneer zelfs hij de overwinning van het Joodse volk zou voorspellen, zouden zij allemaal terugdeinzen voor oorlog. Rachav, de inwoonster van Jericho, zei dit ook: “Toen wij dit hoorden, smolt ons hart”. Wat hoorden zij daar in Jericho? De profetie en zegeningen van Bileam! Hasjeem wilde niet dat de Kena’anieten oorlog zouden voeren met het volk omdat iedere oorlog de meest vreselijke gevaren met zich meebrengt.
Opdat men niet zou denken dat de Joden Bileam omgekocht hadden voor meer geld dan Balak, liet G’d de ezelin spreken. Zo werd voor iedereen duidelijk dat Hasjeem uit de keel van Bile’am sprak toen hij het Joodse volk zegende en dit een serieuze profetie van overwinning was.
Nadat Bile’am zijn taak volbracht had, verdween zijn profetische gave. Hij werd weer een zwarte magiër, een tovenaar. Dit staat ook bij zijn dood in het boek Jehosjoe’a. Zijn profetie was slechts een tijdelijke zaak, opgelegd van Boven door Hasjeem.
Geen echte navie
Een werkelijke profeet was hij niet. G’d verscheen hem alleen om klal Jisraeel te zegenen. Bile’am wordt wel eens vergeleken met de ‘kok van de Koning’. Net zoals de minister weet ook de kok exact wat de Koning eet. De ingrediënten van de maaltijd kent de kok zelfs beter.
Zo kan men begrijpen, dat Bileam in sommige opzichten meer toegang had tot ‘de geheimen van het paleis van de Koning’. Zijn neiging tot kwaad en onreinheid belette hem echter om uit te groeien tot een ware profeet, zoals Mosje geworden was.
Voor zijn afscheid profeteert Bileam over andere volken in de regio. Bileams laatste advies was het volk te verleiden tot onzedelijkheid en afgoderij zodat G’d zich tegen de Joden zou keren. Dit plan werkte. 24.000 mensen stierven nadat de Ba’al Pe’or gediend werd. Pinchas verdedigde Hasjeems eer en stopte de plaag.
Davvenen is het wapen
Meestal vecht men oorlogen uit met wapens. Het ‘wapen’ van het Joodse volk is davvenen en lernen (=hun mond). Bileam probeert het Joodse volk met hun eigen wapen aan te vallen. G’d benaderde Bileam met zijn normale wapen, het zwaard van de Engel. Bileam werd uiteindelijk door het zwaard omgebracht.
In galoet blijven
“Terwijl Israël in Sjittiem verbleef, begon het volk ontucht te plegen” (25:1). In de Talmoed staat, dat de term ‘verblijven’ een negatieve bijbetekenis heeft. Rabbi Chaim Hager uit Kossov (1795-1844) geeft deze uitspraak een actueel tintje door zijn stelling, dat wanneer wij in `goles’ blijven wonen zonder hoop en uitzicht op alija en verlossing en wij ons goles als een vaste woon- en verblijfplaats gaan zien, het inderdaad slecht met ons gesteld is.
Rabbi Menachem Mendel van Kotsk (1787-1859) vroeg zijn chassidiem (volgelingen) eens waarom Bile’am niet zelf Joods geworden is toen hij zich het goede voor het Joodse volk aan het einde der tijden (24:17-19) realiseerde: “Het woord ‘geer’ komt van de Hebreeuwse stam garar, dat meegaan betekent. Wil iemand Joods worden dan moet hij/zij zich aanpassen aan klal Jisraëel. Bileam was een ‘ba’al gawe’, een trots en hoogmoedig mens. Hij zou nooit met het Joodse volk kunnen meegaan, zich veranderen en zich aanpassen aan de eisen van het Jodendom.
VERDIEPING II Religie en poëzie
Aan het einde van parsjat Choekat (Numeri 21:17 e.v.) wordt het lied van de Bron gezongen. In Balak spreekt de heidense profeet Bile’am zijn lofpoëzie uit over het Joodse volk. Wat betekent de Joodse poëzie voor de religieuze mens?
Als wij het in de religieuze traditie over poëzie hebben, gaan onze eerste gedachten uit naar de 150 Psalmen van koning David. Gedeelten uit Tehilliem, Psalmen behoren sinds mensenheugenis tot de traditionele liturgie. Het enige oorspronkelijke muzikale aspect van de Psalmen bestaat uit een bepaalde spraakmelodie, die besloten ligt in de lees- en zangtekens van de Masoretische (traditionele) tekst. In deze tekst heeft bijna ieder woord een leesteken om de plaats ervan weer te geven in zijn verhouding tot het vorige en volgende woord. Ieder van deze scheidende of verbindende leestekens stelt bovendien een bepaald notencomplex voor. Opvallend is, dat de Tenachboeken Psalmen, Spreuken en Job een afzonderlijk accentensysteem hebben.
Niettemin is het geen gebruik geworden Tehilliem cantilerend naar de toon‑ en zangtekens voor te dragen of te lezen. Tehilliem worden ‘gezegd’, waarbij meer aandacht wordt besteed aan de inhoud dan aan mogelijke rijmvormen of muzikale voordrachtskunst. Slechts voor enkele Psalmen, die onderdeel zijn gaan vormen van onze liturgie, ontstonden speciale melodieën. Zo bestaan er vele verschillende melodieën voor Psalm 126, die gezongen wordt voor het begin van het ‘bensjen’ (de dankzegging na de maaltijd).
Stemmingsbepalend
De verschillende melodieën voor de feest‑ en treurdagen uit de joodse traditie zijn zeker stemmingsbepalend. Ook in de synagoge worden de toepasselijke Psalmen gezongen of op een bepaalde melodie voorgedragen. De Psalmen 95, 96, 97, 98, 99, 29, 92 en 93 vormen de ‘intrede van de Sjabbat’ en de wijze van voordragen in samenspraak door de chazzan (voorganger) en de gemeente – vers om vers – is een belangrijk ingrediënt bij het intreden in de Sjabbatsfeer vanuit ons jachtig dagelijks bestaan.
Aan het einde van de Sjabbat worden in vele sjoels de Psalmen 144 en 67 gezongen voor het avondgebed. Ook deze melodieën geven een bepaalde kleur aan het moment van afscheid van onze wekelijkse rustdag. Voor de Tehilliem die opgenomen zijn in het ochtendgebed gelden afzonderlijke melodieën voor Sjabbat, feestdagen en gewone werkdagen.
Het Halleel (lofprijzen), dat bestaat uit de Psalmen 113, 114, 115, 116, 117 en 118 kent aparte melodieën voor Rosj Chodesj (de Nieuwe Maandsdag) en de feestdagen en wordt tijdens de Seideravond op Pesach (Joods Pasen) ook in huiselijke kring gedeeltelijk gezongen, waarbij ook Psalm 136 door de hele familie op de speciale Pesachmelodie van begin tot eind als een bevrijdingslied ten gehore wordt gebracht.
Nood
Over de Joodse poëzie, de Tehilliem bestaan veel tradities.‘Boven de legerstede van David hing een harp. Zodra het middernacht was, speelde de wind door de snaren en de harp zong vanzelf. Dan stond David op en vervaardigde zijn heerlijke Psalmen (B.T. Berachot 3b; vgl. L.D. Staal, Verhalen en Legenden van Israël, Zutphen 1925, 170). Het geheim van Davids houding lag in de werking van de harp. Hoe harder men de snaren beroert, des te luider de muziek, des te voller de klanken. Hoe zwaarder G’d David beproefde met pijn en tuchtiging, des te fraaier waren zijn gezangen.
Dit is het geheim van Tehilliem: David schreeuwt uit diepe nood, doch jubelzangen vloeien van zijn lippen. Hoe melancholisch en wanhopig zijn woorden ook klinken, toch vult een geest van vreugde iedere lettergreep: ‘Ik ben afgemat van mijn zuchten; elke nacht doorweek ik mijn bed, doe ik mijn bed van tranen vloeien … G’d heeft mijn smeking gehoord, Hij neemt mijn bede aan’ (Psalm 6:7 en 10) werden in één adem gezegd.
Aantrekkingskracht
In de joodse traditie heeft het boek Tehilliem een belangrijke doch geen centrale plaats ingenomen in de liturgie. In het dagelijkse leven hebben Tehilliem vooral sinds de opkomst van het chassidisme een steeds belangrijker positie verworven. In tijden van voorspoed werden religieuze gevoelens verwoord in deze gezangen, in tijden van nood putten velen hoop uit het vallen en opstaan van koning David. Tijdens de Golfcrisis kwamen ‑ nog voor het aflopen van het ultimatum van de Verenigde Naties ‑ meer dan 80.000 mensen bijeen op het plein voor de Westelijke Tempelmuur in de Oude Stad van Jeruzalem om Gods genade af te smeken. Het boek Psalmen werd vele malen gereciteerd. Ook in Amsterdam werden in deze periode speciale sjoeldiensten georganiseerd om Tehilliem to zeggen.
Onbeantwoord is nog de vraag waarom Tehilliem zo een aantrekkingskracht uitoefent op de religieuze mens.
Tehilliempoëzie en Tora
`Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o G’d, mijn Rots en mijn Verlosser’ (Psalm 19:15). De Midrasj (achtergrondverklaring) vermeldt, dat koning David G’d bij de eindredaktie van het boek Tehilliem verzocht dat zijn Psalmen bestudeerd en overdacht zouden worden als gecompliceerde en moeilijke traktaten van rituele reinheid. David verlangde van G’d dat zijn Psalmen niet slechts gewijde poëzie zouden blijven. Hij verzocht G’d om zijn Tehilliem met dezelfde reinigende werking te begiftigen als de gecompliceerde bepalingen van rituele reinheid. Zij zouden een identieke verheffende invloed moeten uitoefenen op Israëls ziel.
`Zimra’ (gezang) verwant aan `zemira’ (snoeien)
Het muzikale aspect van Tehilliem symboliseert ‘s mensen intellect, dat puur is omdat het van de aardse materiële realiteit kan abstraheren. Geen andere vorm van kunst is zo etherisch en verheven als muziek. Het creëert slechts geluidsgolven in de ether, die weer snel wegebben. Het woord `zimra’ (gezang) zinspeelt op het zuiverende effect, dat zang en muziek op de ziel hebben. Velen beweren dat het woord `zimra’ (gezang) verwant is aan `zemira’ (snoeien).
Een boom kan niet gedijen of zelfs overleven als zijn levenskracht wordt weggezogen door dode twijgen of zieke takken. Hetzelfde geldt voor geestelijk ontwikkeling. Een slechte moraal en lage driften doen de ziel rotten. Wellust, jaloezie en hebzucht verspillen veel van de kostbare spirituele energie.
Tehilliem bezit evenals Tora‑studie de capaciteit deze rotting tegen te gaan, snoeit de lagere instincten van de mens en rekent af met zijn animale natuur.
Vijf boeken
David was geen muzikaal genie geworden door intensieve harpstudie. Het was een G’dsgave vanaf het moment dat hij tot koning over Israël was gezalfd: `Spreuk van David, de gezalfde van Jakobs G’d, de lieflijke in Israëls lofzangen’ (II Samuel 23:1).
David verlangde, dat Israël hetzelfde zou ervaren bij het reciteren van zijn Psalmenboek. De Midrasj vermeldt het antwoord van G’d op het verzoek van David niet. Maar de geschiedenis heeft het louterende effect van Davids Psalmen bewezen. Evenals de Tora is Tehilliem ingedeeld in vijf boeken.
Tora en Tehilliem hebben het joodse volk op hun trektocht door de verstrooiing overal begeleid en die geesteskracht geschonken, die het nodig had om zijn eigen identiteit en spirituele flexibiliteit onder alle omstandigheden te bewaren. Tehilliem zijn een `Tora‑variant op noten’, een aanvulling ‑ maar ook niet meer dan dat ‑ op de spirituele kracht, die de Tora overal ter wereld uitstraalt.
Verantwoording
Verschillende geciteerde bronnen zijn in verband met de leesbaarheid niet letterlijk vertaald doch slechts inhoudelijk weergegeven. Veel van dit artikel is gebaseerd op de inleiding op het boek Tehilliem van A.C. Feuer, N. Scherman en M. Zlototwitz, Tehillim/Psalms, Mesorah Publications Ltd., 1969 Coney Islands Ave., Brooklyn N.Y. 11223.
