MATOT (staven): Numeri 30:2 – 32:42. Als iemand een eed of een gelofte aflegt dan moet die precies uitgevoerd worden, maar een vader of een echtgenoot kan eventueel de eed of de gelofte van dochter of echtgenote teniet doen. De oorlog met de Midjanieten begint. De vrouwen worden gespaard. Daarover is Mosjé kwaad, want juist de vrouwen vormden de valstrik. Alleen de kleine meisjes mogen blijven leven. De buit wordt geteld. Daarna moeten de mannen zichzelf en objecten van onreinheid bevrijden, buiten de legerplaats. De buit is voor de helft voor hen die ten strijde waren getrokken, de andere helft is bestemd als gewijde gave. Omdat alle soldaten uit de oorlog weerkeerden, gaf men uit dankbaarheid goud als gewijde gave. De stammen Gad en Re’oeween hebben veel vee en willen ten oosten van de Jordaan blijven, omdat daar veel weidegrond is. Mosjé vreest dat de andere stammen bang zullen worden en dat Hasjeem boos zal zijn, maar de beide stammen beloven plechtig dat ze eerst Het Land zullen helpen veroveren en pas daarna terugkeren naar hun kudden. Als Mosjé dat hoort is hij tevreden. Later voegt de halve stam Menasjee zich bij hen.
Matot is de 42e parsja van de Tora, de negende van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Matot bestaat uit 9 parsjiot, afdelingen waarvan 4 open en 5 gesloten zijn, telt 112 pesoekiem, verzen, 1484 woorden, 5652 letters en is hiermee de 30 na langste parsja. Matot bevat twee mitsvot, een gebod en een verbod.
VERDIEPING I De drie weken
We zijn deze week begonnen met drie weken van treur om het verlies van de Tempel in Jeruzalem. Nog steeds moeten wij rouwen om het gemis aan Joodse inspiratie. Tot de herbouw van de Derde Tempel blijven wij sjiwwe zitten om het verlies van het Heiligdom, dat eens het centrum van onze geestelijke verlichting vormde en Jeruzalem haar speciale status verleende.
Rabbi Chaim van Wolozhyn, de leider van de Litouwse Jodendom uit de 19e eeuw, illustreert onze ontroostbaarheid met een Midrasj. Nadat de broers Joseef hadden verkocht, vertelden zij hun vader Ja’akov, dat Joseef door een wild dier verscheurd was.
Ja’akov bleef ontroostbaar en rouwde 22 jaar. Ja’akov liet zich niet troosten omdat hij intuïtief aanvoelde, dat zijn zoon Joseef nog in leven was. Zolang er nog hoop is, laat men zich niet troosten.
Idealen zijn onverwoestbaar
Hetzelfde geldt, legt Reb Chaim uit, voor onze Tempel. De Romeinen konden misschien het aardse Jeruzalem vernietigen maar de idealen en geestelijke waarden, die de Tempel uitstraalde zijn onverwoestbaar. Voor hen, die niet meer kunnen rouwen om Jeruzalem, is ook deze spirituele betekenis verloren gegaan. Voor hen is het kind met het badwater weggespoeld. Jeruzalem is echter meer dan alleen de hoofdstad van de staat Israël; het is de smeltkroes van alle individuele aspiraties. Jeruzalem is de stad waar het Joodse volk een wordt.
Religieuze inspiratie
Toen God opdracht gaf een Tempel te bouwen en de offerdienst tot in de details regelde, wilde Hij hiermee op heel concrete wijze aangeven hoe iedere Jood tot ware religieuze inspiratie zou kunnen komen, hoe hij zijn hart tot een altaar G’ds zou kunnen ombouwen. De oudste verklaarders wijzen ons op deze diepere betekenis. God heeft onze dieroffers niet nodig. Wat God wil is, dat het hart in volle overgave op Hem gericht wordt. Wanneer een dier geofferd werd, moest degene, die het offer bracht zich hierbij voorstellen alsof hij zijn lagere driften en instincten, die hem op het verkeerde been hadden gezet, voor God bracht vanuit een diep verlangen hiervan bevrijd te worden. Offeren was loutering van de geest. Daarzonder waren dieroffers slechts inhoudsloze rituelen.
Babylonische en Romeinse soldaten konden de Tempel slechts verwoesten omdat de G’ddelijke aanwezigheid, Sjechiena het Heiligdom verlaten had. De Sjechiena was verdwenen omdat het Joodse hart de Goddelijke opdracht vergeten was en nog slechts vervuld was van blinde haat. De vreugde van Jeruzalem is meer dan alleen de vestiging van ambassades van vreemde mogendheden. Het is de vreugde van G’ds aanwezigheid, die eerst gerealiseerd moet worden in ons gevoelsleven, waarna de vestiging van G’ds Koninkrijk op aarde nog slechts een formaliteit zal blijken. Lesjana haba bieRoesjalajiem habenoeja!
Verdieping II Hatarat nedariem, opheffen van geloften
In de parsja wordt gesproken over het afleggen van geloften en het opheffen daarvan. Wanneer men zich realiseert, dat het onmogelijk is om een gedane gelofte te vervullen, kan men naar een grote geleerde gaan of naar drie leken om de gelofte te laten opheffen. Men moet dan verklaren dat men op het moment van het afleggen van de gelofte niet volledig de implicaties daarvan realiseerde. Had men zich dat wél gerealiseerd, dan had men deze gelofte nooit afgelegd. Daarom is de gelofte in dwaling afgelegd en kan hij opgeheven worden.
Een praktische toepassing van het opheffen van geloften is het geval van afwijking van schenkingsbestemming. Stel, dat iemand zijn tienden altijd besteedde aan het ondersteunen van armen in Israël. Enkele van zijn familieleden raken plotseling in ernstige financiële problemen doordat een kostwinner wegvalt. In een dergelijk geval heeft deze donateur niet alleen het recht maar ook de plicht om een groot deel van zijn tienden (tsedaka) aan zijn familieleden te spenderen in plaats van aan armen in Israël.
Omdat een onverplichte religieuze daad de status van een gelofte krijgt, moet men opheffing van geloften aanvragen bij de bevoegde Rabbinale autoriteiten alvorens van tsedaka‑bestemming te veranderen. Toch mag dit er niet toe leiden, dat men geloften licht neemt. Daarom wordt deze sidra (Tora-afdeling) ook gericht aan de stamvoorzitters. Normaal richt G’d zich tot de Kinderen Israëls of de Kohaniem (Priesters).
Waarom is het hier anders? Nachmanides (1194-1270) stelt, dat deze voorschriften niet direct voor het gewone volk bedoeld waren. Wanneer de mensen zouden horen dat men zelf zomaar een gelofte zou kunnen opheffen, zouden ze de zaak niet serieus nemen. Daarom werd deze wetgeving alleen gericht aan de stamoudsten.
Rabbi Mosjé Sofeer (1762-1839, Hongarije) geeft echter een ander antwoord op deze vraag. Hij citeert het verhaal van de Richter Jiftach, die te snel een offer aan G’d beloofde na een overwinning op de Ammonieten. Het offer bleek uiteindelijk zijn dochter te worden. Waarom is Jiftach niet naar de Hogepriester uit die tijd, Pinchas, gegaan om zijn gelofte te laten opheffen? Pinchas wachtte tot Jiftach bij hèm zou komen en Jiftach wachtte, omdat hij de leider was van het volk, tot Pinchas bij hèm zou komen.
Iedereen probeerde zijn eigen “kowed” te koesteren. Dat kostte het levensgeluk van de dochter van Jiftach. Beiden werden gestraft. Pinchas verloor zijn inspiratie en Jiftach stierf een jammerlijke dood. Soms wordt het welzijn van hele families en stammen opgeofferd aan het ego van één persoon. Triest maar waar.
VERDIEPING III Touwelen in een mikve
In de oorlog met Midjan werd allerlei eetgerei buitgemaakt. De Tora geeft twee voorschriften, die niet zo duidelijk uit de tekst blijken. Om treife (niet kosjere) voorwerpen kosjer te maken, moesten zij door vuur gehaald worden om ze kosjer te maken en daarna nog een keer in een mikwe worden ondergedompeld om ze als het ware Joods te maken.
Het mikwe wordt ‘water van nida’ genoemd, omdat beide reinigingsprocedures – van de nida-vrouw en van eetgerei dat van elders komt – van dezelfde disharmonie met de omgeving blijk geven.
Het kosjer-maken door uitbranden noemen we in het Nederlands ‘kasjeren’, waardoor de treife resten en absorpties uit het voorwerp gekookt of gebrand worden. Het proces waarbij niet-Joods vaatwerk geschikt wordt gemaakt voor gebruik in een Joods gezin noemen wij ‘touwelen’. Wanneer men gebruikte voorwerpen van niet-Joden koopt, moet men ze normaliter eerst kasjeren (indien het voor voedsel is gebruikt) en pas daarna touwelen. De touwelplicht geldt ook voor nieuwe voorwerpen die men in de winkel koopt.
Het mikwe wordt gezien als een baarmoeder van waaruit alles vernieuwd en verbeterd terug kan keren. Het mikwe bestaat uit water. Water symboliseert verandering, groei en ontwikkeling. In het Scheppingsverhaal wordt verteld, dat er vier rivieren stroomden vanuit het Paradijs, het Hof van Eden. Water is onbestendig en verandert constant. Juist doordat de dingen niet vastliggen in het leven, kan alles ten goede worden gekeerd.
Water, in aardse vorm, kent een geestelijke tegenhanger: berouw. Net zoals water viezigheid kan wegwassen, kan berouw alle geestelijke onzuiverheden opheffen. Water symboliseert geestelijke reiniging. Door het onder te dompelen in het water, wordt het eetgerei verbonden met de volmaakte toestand in het Paradijs. Hierdoor is verandering van status mogelijk. Hierdoor mag het op een Joodse tafel gebruikt worden waar men eet lesjeem Sjamajiem – ‘voor G’d’. Wij eten niet alleen maar om onze honger te stillen, maar om G’d daarmee te dienen en de energie van het voedsel te gebruiken om ons dagelijks leven te verheffen tot een hoger niveau van gewijde dienstbaarheid. Dit is het idee van het touwelen van eetgerei. Zelfs nadat het kosjer is gemaakt doordat alle treife restanten in het voorwerp weggebrand zijn, moet er toch nog een stuk heiliging plaatsvinden.
VERDIEPING IV AGOENA AL IN MOSJE’S TIJD ACTUEEL
Al vele jaren wordt ik achtervolgd door iemand, die meent, dat ik hem de get, de echtscheidingsbrief voor zijn vrouw ontfutseld heb. Hij wilde zijn vrouw agoena, onbestorven weduwe maken door haar een get te weigeren.
In de parsja van deze week staat aangeduid hoe onze Tora-leiders omgingen met zelfs maar een dreiging van agoena-problematiek.
Mosje stelt de stammen Ruben, Gad en half Menasjee voorwaarden om hun erfdeel in Jordanie te krijgen: “Als jullie je zult uitrusten…en van u iedere chaloets (uitgeruste soldaat) de Jordaan zal overtrekken…en het land veroverd zal zijn en jullie daarna zullen terugkeren naar Trans-Jordanië, dan zullen jullie vrij van schuld zijn voor HaSjeem en voor Israël en zal dit land (Jordanië) u tot bezit zijn…” (32:20-22).
De Ba’al HaToeriem (12de eeuw) schrijft op het woordje chaloets – soldaat – dat dit verband houdt met de term chaloets hana’al, “degene die zijn schoen moest uittrekken bij de ontbindingsprocedure van het zwagerhuwelijk” (Deut. 25:10). Hieruit wordt afgeleid dat iedereen, die uittrok in een oorlog van Koning David een echtscheidingsbrief (get) aan zijn vrouw schreef, zodat ze niet als onbestorven weduwe zou achterblijven voor een eventueel zwagerhuwelijk. Uit de Tora-tekst blijkt, dat Mosjé hiermee begonnen is en dat Koning David dit van hem heeft overgenomen.
Volgens Rasjie werd deze ĝet op de voorwaarde gegeven, dat wanneer de man zou sterven in de oorlog, de ĝet met terugwerkende kracht vanaf het moment van het schrijven zou ingaan. Achteraf zou dan met terugwerkende kracht blijken, dat de achtergebleven vrouw reeds tijdens het leven van haar man van hem gescheiden was geweest, zodat zij geen huwelijk met haar zwager zou hoeven aangaan.
Volgens deze uitleg van Rasjie zou de ĝet alleen maar nut hebben wanneer er een binding met een zwager te vrezen viel. Dit geldt alleen wanneer de vrouw kinderloos weduwe is geworden. Voor andere gevallen zou het niet helpen, want als de man niet gestorven was in de oorlog, zou de echtscheidingsbrief geen ĝet blijken te zijn. Als hij echter wel was gestorven, zou het haar ook zonder ĝet toegestaan zijn om te hertrouwen, omdat ze al weduwe was geworden.
Andere Geleerden zijn het hier niet mee eens, omdat de ĝet dan wel een heel beperkte strekking heeft. Daarom leggen Tosafot en Nachmanides (13e eeuw) uit, dat er bij het afgeven van de ĝet door de man gezegd werd dat deze geldig zou zijn, wanneer hij niet terug zou keren uit de oorlog. Wanneer de man gevangen genomen zou worden, zou de ĝet ook geldig zijn, ook al was hij nog in leven. Zo kreeg de ĝet een veel bredere strekking.
Volgens Rabbenoe Tam en Rasjba werd de ĝet echter onvoorwaardelijk afgegeven met onmiddellijke ingang en niet met terugwerkende kracht (d.i. een derde mening).
