Parsja Mas’ee 5771

(Bemidbar/Numeri 33:1 – 36:13)   

MAS’EE (tochten): Een lange rij van plaatsen wordt opgenoemd waar de Bnee Jisra’eel hun kampen opslaan in de 40-jarige woestijntocht. Als ze het Land binnentrekken moeten ze alle bewoners verdrijven en de afgodsbeelden vernietigen. Zo niet, dan zullen ze ‘tot doorns in je vlees worden’. Aharon moet de berg Hor bestijgen, alwaar hij sterft. Nog eens wordt besproken hoe de verdeling van Het Land moet verlopen en ook worden de grenzen genoemd. De Levieten krijgen 48 eigen steden en grond eromheen. Alle Levietensteden zijn ook vluchtsteden maar zes ervan zijn de asielsteden waarin iemand die per ongeluk een moord gepleegd heeft, gratis kan wonen. Drie van de zes belangrijkste vluchtsteden liggen aan de ene en drie aan de andere kant van de Jordaan. Enkele stammen zien in dat, als de dochters van Tselofchod trouwen buiten de eigen stam, ze hun grondbezit mee zullen nemen naar die andere stam. Hasjeem stelt vast, dat de dochters binnen de eigen stam moeten trouwen. Hiermee eindigt het vierde boek van de Tora.

Mas’ee is de 43e parsja van de Tora, de tiende van het vierde Tora-boek, Bamidbar. Parsja Mas’ee bestaat uit 8 parsjiot, afdelingen waarvan 6 open en 2 gesloten zijn, telt 132 pesoekiem, verzen, 1461 woorden, 5773 letters en is hiermee de 12 na langste parsja. Mas’ee bevat zes mitsvot, 2 geboden en 4 verboden.

VERDIEPING I :
De parsja begint met de woorden: “Dit zijn de tochten van de kinderen Israëls, die zij vanuit het land Egypte gemaakt hebben onder leiding van Mosjé en Aharon” (33:1).

De Tora is geen geschiedenisboek. De reizen waren historisch absoluut juist, maar dat is nog niet voldoende reden om ze te vermelden in de Tora.

Deze tochten staan hier beschreven om de weldaden van G’d duidelijk te maken. Hoewel Hij over de Bnee Jisra’eel besloten had, dat zij moesten zwerven in de woestijn, kan men toch niet  zeggen dat ze uiteindelijk veel gezworven hebben. Want er waren niet meer dan 42 tochten. Trek daar 14 van af, die alle in het eerste jaar hadden plaatsgevonden, vóór het besluit dat ze nog 39 jaar in de woestijn moesten dolen. En er resteren maar 28 tochten in 39 jaar.

Wat is de les die uit deze beschrijvingen spreekt? De zwerftochten door de woestijn waren uiteindelijk een straf voor de zonde van de verspieders. G’d wilde de straf matigen met aftrek van het eerste jaar, dat ze al door de woestijn hadden gereisd. G’d probeerde het reizen zoveel mogelijk te beperken. Ze waren dus niet doorlopend op reis, van tocht tot tocht, gedurende die veertig jaren. Ze hadden zeker wel rust.

Maar er is meer…De reizen van de Bnee Jisra’eel onder G’ds Majesteitelijke vleugelen worden wel eens vergeleken met de tochten van een koning, wiens zoon ziek was. Samen met zijn zoon ging de koning op weg naar een ver ziekenhuis. Toen ze terugkeerden begon de vader al de tochten op te sommen. Hij zei tegen zijn zoon: hier hebben we gegeten, hier hebben we geslapen, hier hebben we uitgerust, hier had je hoofdpijn, hier werd je misselijk, etc. etc.”.

G’d heeft onze reizen niet alleen beperkt maar Hij was als een vader bezorgd om ons welzijn. De Joden waren ziek en verdienden G’ds extra aandacht, als een Vader die zijn zieke zoon verzorgt. Onze ervaringen samen met G’d in een verafgelegen oord vormden uiteindelijk de basis van onze geschiedenis. De opsomming van de reizen toont G’ds liefde. Het wil een gevoel van dankbaarheid bij ons opwekken om G’ds nabijheid te blijven zoeken. Ook een negatieve herinnering kan positief geduid worden.

De oorspronkelijke reis is te vergelijken met de ervaringen van het Joodse volk in de woestijn, met al zijn ups en downs. De terugreis kun je vergelijken met de Joden die al deze reizen nalezen, nadat ze het land Israël waren binnengetrokken. Wanneer men veilig onder zijn wijnstok en vijgenboom zit, vergelijkbaar met de periode na de genezing, leest men het nog een keer na en beseft men hoe dankbaar men moet zijn. Als wij alles teruglezen, worden wij herinnerd aan G’ds liefde en bezorgdheid.

VERDIEPING II :
Daarna vervolgt de Tora met een opsomming van de reizen:
“Ze trokken dan op van Ra’meses in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand. Op de dag na het Pesach-offer trokken de Bnee Jisra’eel weg met de opgeheven hand vóór de ogen van heel Egypte. 4. En de Egyptenaren begroeven, wat Hasjeem onder hen verslagen had, alle eerstgeborenen” (33:3-4).

Dat de Egyptenaren hun doden begroeven na de tiende plaag mag bekend worden verondersteld. Egypte was bekend om zijn begraafriten, zoals we tot op de dag van vandaag kunnen zien aan de geweldig grote pyramiden. De vermelding dat de Egyptenaren hun doden aan het begraven waren, is overbodig en daarom problematisch.

Maar let op de context. De Egyptenaren moesten de Joden laten gaan. De Bnee Jisra’eel vertrokken triomfantelijk uit Egypte, ‘vóór de ogen van de Egyptenaren’. De Egyptenaren waren gepreoccupeerd met andere belangrijke zaken: het begraven van hun doden en het rouwproces. Zij waren te druk bezig met hun rouw, dan dat ze zich druk konden maken over het vertrekkende slavenvolk.

VERDIEPING III:
“Wanneer jullie in het land Kena’an komen, dan zal het land zijn naar de – hier volgende – grenzen” (34:2). De toezegging van Israël loopt als een rode draad door Tenach. Uiteindelijk hebben we Israël na 2000 jaar teruggekregen. De vraag is wat de filosofische invulling van ons landbezit is. Maar waarom hebben wij als Joden een speciale invulling van ons landbezit nodig? De Nederlanders vragen zich toch ook niet af of en waarom zij recht hebben op Nederland? Zij wonen er gewoon!

Geen normale natie
Toch is dat bij ons anders. Wij kregen onze grondwet in de Sinai-woestijn en hielden Israël in onze gedachten vast ondanks de 210 jaar slavernij in Egypte. Israël is geen normaal land en het Joodse volk is geen normale natie. Wij hoopten dat wij in Israël geen last meer zouden hebben van anti-semitisme. Helaas is dit niet waar gebleken. Het omgekeerde lijkt de realiteit geworden. Tegenwoordig is antizionisme de belangrijkste achtergrond van antisemitisme: een staat met een andere cultuur wordt niet geduld in de regio. We hebben een normaal leger, een normale regering en een normale bevolking, maar toch zijn we geen normaal volk geworden.

Juist tegenwoordig is de pasoek (Bemidbar 23:9): ’Israël woont alleen en wordt niet meegerekend met de volkeren’ bewaarheid. Wij zijn geen normaal volk. Onze grootste fout is dat wij een normaal volk willen worden, geaccepteerd willen worden door de wereldgemeenschap.

We hebben speciale eigenschappen en opmerkelijke prestaties geleverd. Wij hebben de wereld de Bijbel, de mensheid Messiaanse hoop en het individu waardigheid en verantwoordelijkheid gegeven. De grootste profeten kwamen uit ons midden voort. Onze ideeën en moraliteit beïnvloeden nog steeds alle grote volkeren. Wij hebben een bestemming. Wij hebben een missie die totaal kan verschillen van alle andere volkeren. Wij zijn een eeuwig volk met een eeuwige boodschap.

Onze geschiedenis is in een aantal opzichten (extreem) abnormaal. We kunnen niet leven met een geleende identiteit. Onze poging om ‘normaal’ te zijn is uiteindelijk de grootste bedreiging voor het `Joodse’ van de Joodse staat.

Sommige segmenten van de Israëlische maatschappij proberen zich los te maken van hun historische wortels. Het gevolg daarvan is dat ze geen positieve toekomstverwachting koesteren. Men begint te twijfelen aan onze claim op de Joodse bodem…

Toch is er een duidelijke kentering gaande. Men zoekt langzamerhand toch weer de Joodse roots op. Wat wij nodig hebben is onze Joodse trots. Wij zijn vaak heel anders. Wij hebben een andere bestemming. De Marranos in het Spanje van de 15e eeuw moesten zich uiterlijk gedragen alsof zij een ander geloof hadden. Maar wij hebben de vrijheid en de keuze om onze eigen bestemming te bepalen in de lijn van onze traditie, geschiedenis en opdracht.

Reacties zijn gesloten.