Parsja Ekev 5771

(Dewariem/Deuteronomium  7:12 – 11:25) 

EKEV (onderweg naar de beloning): Nogmaals brengt Mosjé de mensen onder ogen dat ze, als ze zich houden aan de geboden, gezegend zullen zijn maar als ze hooghartig zijn, problemen zullen krijgen. Hij brengt het de zonde van het gouden kalf in herinnering en hoe HaSjeem het volk had willen vernietigen. Het lukte Mosjé G’ds woede tot bedaren te brengen. Weest niet hardnekkig maar dien G’d met heel je hart. Mosjé brengt veel gebeurtenissen in herinnering, ook de Stenen Tafelen van het Verbond. Mosjé legt de nadruk op G’ds goedheid en de wonderen die Hij voor het volk verricht heeft. Ze hebben met eigen ogen gezien wat G’d met de Egyptenaren gedaan heeft. Ook Israël zal worden veroverd met de hulp van HaSjeem.
Ekev is de 46e parsja van de Tora, de derde van het vijfde Tora-boek, dat Devariem heet. Parsja Ekev bestaat uit 10 parsjiot, afdelingen waarvan 6 open en 4 gesloten zijn, telt 111 pesoekiem, verzen, 1747 woorden, 6865 letters en is hiermee de 14 na langste parsja. Ekev bevat 8 mitsvot, waarvan 6 ge- en 2 verboden.
VERDIEPING :
Uit de pasoek (het vers): “En u zult eten, en u zult zich verzadigen en zegenen” (8:10), wordt afgeleid dat wij Birkat hamazon zeggen, moeten bensjen ná iedere broodmaaltijd (bensjen is de dankzegging over het dagelijkse brood). Het einde van het vers luidt “en zegenen over het goede land, dat G’d u gegeven heeft”. Toch is bensjen niet aan Israël gebonden. Ook buiten Israël moeten we over iedere broodmaaltijd bensjen.
Heeft G’d onze berachot (zegenspreuken) wel nodig? Rabbenoe Bachja stelt, dat wij die berachot alleen voor onszelf zeggen. Wij getuigen over ons gevoel dat G’d voor ons zorgt en ons dagelijks brood verschaft.

Daarnaast zorgt een beracha er ook voor dat wij weer extra zegeningen ontvangen. De Geleerden zeggen: “Iedereen, die geniet van deze wereld zonder een beracha erover uit te spreken, wordt vergeleken met iemand, die G’d en het Joodse volk besteelt”.
Men besteelt G’d omdat men de G’ddelijke Voorzienigheid ontkent. Maar men steelt ook van het Joodse volk omdat die beracha, die niet wordt uitgesproken, had kunnen zorgen voor een extra stroom van goeds vanuit de Hemel.

Toch geeft de Tora zelf een andere reden voor het bensjen: “Dat u zich niet zult verzadigen, hoogmoedig zult worden en G’d zult vergeten”. De mens meent al snel dat hij op eigen kracht al zijn inkomsten verwerft. Daarom worden wij geacht in het openbaar van ons geloof te getuigen, zoals koning David zei: “Want vanuit U is alles afkomstig en uit Uw hand hebben wij weer gegeven”.

Reacties zijn gesloten.