(Devariem/Deuteronomium 16:18-21:9)
Sjoftiem is de 48e parsja van de Tora, de vijfe van het vijfde Tora-boek, dat Devariem heet. Parsja Sjoftiem bestaat uit 18 parsjiot, afdelingen waarvan 3 open en 15 gesloten zijn, telt 97 pesoekiem, verzen, 1523 woorden, 5590 letters en is hiermee de 36 na langste parsja. Sjoftiem bevat 41 mitsvot, waarvan 14 ge- en 27 verboden.
SJOFTIEM (rechters): Rechtvaardigheid moet steeds betracht worden. Afgodendienaren moeten worden onderworpen aan een grondig onderzoek met twee of drie getuigen.G’d kiest een koning voor je uit; hij moet bescheiden zijn in materiele zaken en hij moet een Tora-rol schrijven die hij altijd bij zich draagt. De priesters krijgen geen erfelijk bezit. Maar zij hebben recht op landbouwproducten. Luister niet naar waarzeggers van welke aard dan ook. G’d zal ware profeten zenden om het volk te leiden en geeft aan hoe valse profeten herkend kunnen worden.
Er worden vluchtsteden ingesteld voor degenen, die per ongeluk een medemens gedood hebben. Dit om aan de bloedwreker te ontkomen. Een moordenaar moet bestraft worden. Als twee mensen een valse getuigenis afleggen, dan ondergaan zij het lot dat zij in petto hadden voor hun slachtoffer. Als er een oorlog ophanden is, dan moet een priester het volk moed inspreken: G’d is met jullie. Wie niet aan de strijd zullen deelnemen zijn zij die pas een huis gebouwd hebben, een wijngaard geplant, een huwelijksbelofte hebben gedaan, en zij die bang zijn.
Als men de vijand nadert moet men eerst vrede aanbieden. Vruchtbomen mogen niet geveld worden in een oorlog. Als er dode wordt gevonden in het open veld, dan moeten de oudsten van de dichtstbijzijnde stad een kalf een dodelijke nekslag toedienen, hun handen erboven in onschuld wassen en verklaren dat zij niet schuldig waren aan de dood van deze mens.
VERDIEPING I: ZINLOOS GEWELD, zo oud als de Tora: DE EGLA AROEFA, HET GENEKTE KALF, de Tora doet er wat aan…
Hoe gaat de Tora om met zinloos geweld? Aan Wikipedia ontleen ik het volgende: ”Het begrip ‘zinloos geweld’ werd in zijn huidige betekenis in 1997 geïntroduceerd door Cees Bangma, districtschef van het politiekorps Midden-Friesland. Voor die tijd werd zo nu en dan over grootschalig oorlogsgeweld gesproken als ‘zinloos’, maar de term had niet de morele lading die het nu heeft.
Bangma schreef een ingezonden brief in de Leeuwarder Courant naar aanleiding van de dood van Meindert Tjoelker op 13 september 1997 in het uitgaanscentrum van Leeuwarden. Hij deed daarin een oproep om op de daarna volgende vrijdag om elf uur ‘s avonds een minuut stilte in acht te nemen “om iedereen duidelijk te maken dat de Friese samenleving niet gedachteloos het oprukkende zinloze geweld aanvaardt”. De reacties op het initiatief waren massaal en voor het eind van de week was het begrip ‘zinloos geweld’ gemeengoed geworden”.
Maar het begrip zinloos geweld is nooit precies te definieren.
Deze publieke aandacht voor een zinloze moord acht de Tora uitermate belangrijk. Als ergens op het veld een dode gevonden wordt met onbekende doodsoorzaak, wordt het Hooggerechtshof te Jeruzalem gealarmeerd (voor Nederland moge dit uitzonderlijk heten: wie heeft hier ooit een lid van de Hoge Raad der Nederlanden persoonlijk zien optreden bij zinloos geweld?).
Vijf raadsleden van het Hooggerechtshof meten de afstand van het lijk naar de dichtstbijzijnde gemeente. Deze krijgt de schuld van deze tragedie symbolisch in de schoenen geschoven.
Was er een grotere stad in de buurt dan werd deze aangewezen omdat er meer kans was, dat de moordenaar uit de grotere stad afkomstig was. Het hoogste gerechtshof van de aangewezen stad begroef de dode en bracht een kalf van onder de twee jaar naar een onbewerkte vallei. Het dier kreeg een nekslag. De ouderen wasten daarna hun handen in onschuld: ‘Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben niet gezien. Vergeef Uw volk Israël’ (21:7-8).
Moreel wakkerschudden
De hele procedure van het nekken van een kalf is een `chok’, een onbegrijpelijk voorschrift. Waar het om gaat is om het volk moreel wakker te schudden (het lijkt een beetje op de boodschap van de sjofar, nu aan het begin van de maand elloel). We raken totaal ongevoelig door de constante stroom met wrede informatie die via de media op ons afkomt. Dagelijks worden wij overspoeld door de meest vreselijke drama’s. Halve steden worden geplunderd en we kijken er nauwelijks meer van op. Orkanen en overstromingen laten ons koud. We vervlakken. Genocide en moordpartijen worden statistiek. Het is allemaal niet meer shockerend.
Het nekken van het kalf schudt ons wakker en laat zien dat het nog steeds vreselijk is wanneer mensen worden vermoord. Dit is de manier waarop de Tora omgaat met zinloos geweld.
Een vreemde verklaring! Wat is de betrokkenheid van de vijf raadsleden van het Sanhedrien, het Hooggerechtshof? Rasji vraagt zich af wie zou kunnen denken dat die bejaarde rechters een moord begaan hadden?
De Tora bedoelt echter, dat de stadsoudsten verklaren geen vreemdeling te hebben gezien, die zij zonder voedsel of begeleiding de stad uit lieten gaan. De kohaniem (priesters) zeggen dan: “Vergeef Uw volk Israël”. Vergeef ons ons gebrek aan sociale verantwoordelijkheid! Het gaat om de sociale zorg.
Ze hadden hem niet opgemerkt. Zijn trieste dood kan de stadsoudsten niet worden aangerekend. Met “onze handen hebben dit bloed niet vergoten” bedoelen zij, dat zij hem niet in zijn eentje met lege handen hebben laten vertrekken. Met “onze ogen hebben niet gezien” zeggen zij, dat zij hem niet hadden opgemerkt, zodat zij hem ook nergens van konden voorzien. Zij benadrukken hiermee ieders sociale en morele verantwoordelijkheid.
Een openbaar excuus is zeker op zijn plaats. De noodzaak om te verklaren dat ze hem van al het nodige hadden moeten voorzien, ligt in het probleem van ieder mens zonder bestaansmogelijkheden. Hij gaat stelen en roven om aan zijn eten te komen. Daardoor ontstaan vechtpartijen. Het kan zijn dat hij daardoor vermoord werd. Dit legt de morele verplichting van iedere georganiseerde gemeenschap bloot. Zij hadden er voor moeten zorgen, dat armen niet in de problemen zouden komen. Hadden zij voor hem gezorgd dan zou er niets gebeurd zijn.
Er loopt nog ergens een onbestrafte dader rond. Daarvoor vragen de kohaniem (priesters) verzoening: “Schenk verzoening aan Uw volk Israël”. Dit gaat het hele volk aan. Een perfecte maatschappij had geen moordenaar voortgebracht. De leiders van de gemeenschap zijn verantwoordelijk voor handhaving van morele standaarden. Dit is ook de betekenis van de meetprocedure naar de dichtstbijzijnde stad. Deze gaf aan waar de verantwoordelijken naar alle waarschijnlijkheid gefaald hadden. Met deze openbare excuses voor zinloos geweld scheppen wij een goede cultuur.
Ook de intense symboliek spreekt tot de verbeelding. De vallei mocht na de nekslag nooit meer bewerkt worden: “Laat een kalf gedood worden, dat nog geen vruchten heeft voortgebracht op een plaats, die nog nooit vruchten heeft voortgebracht om verzoening te doen voor de dood van deze man, die geen kinderen meer kan krijgen”.
Toch is er meer. De onschuld van de Wijzen staat buiten kijf. Maar desondanks is er een moord gepleegd. Dat onrecht moet weer rechtgetrokken worden. Dat kunnen wij niet met aardse middelen. Daar hebben wij bovenaardse hulp voor nodig. Wij vragen G’d om verzoening. Verzoening betekent heling van de gebrokenheid van onze levenswijze en onze maatschappij.
VERDIEPING II:
De Tora houdt op uitzonderlijke wijze rekening met onze gevoelens. Zelfs indirect wil zij niemand beledigen of beschaamd laten staan. Een belangrijke les, juist nu. De maand Eloel – de voorbereiding op Rosj Hasjana – is zojuist begonnen. Eloel is een combinatie van de beginletters: ”G’d zal uw hart besnijden”. Wat heeft dit met deze parsja te maken?
“Daarna spreken de opzichters verder tot het volk en zeggen zij:’Wie is bang en zwak van hart, laat hij teruggaan naar zijn huis’ “(20:8).
De kohaniem vertellen het volk vlak voor een veldslag, dat degenen, die
1. een huis hebben gebouwd maar het nog niet hebben ingewijd,
2. zich verloofd hebben maar nog niet getrouwd zijn,
3. een wijngaard geplant hebben maar deze nog niet gelost hebben,
kunnen terugkeren uit de slagorden.
Daarna krijgen de soldaten te horen, dat zij ook vanwege angstgevoelens mogen vertrekken. Rasjie legt uit, dat alle voorgaande excuses voor desertie en vrijstelling enkel en alleen gegeven werden om de angsthazen te dekken. Als men soldaten van het front zag vertrekken, zouden hun strijdmakkers dat niet direct verbinden met angst voor de strijd of lafheid maar met het nieuwe huis, de verloving of de ongeloste wijngaard.
Wat is de aard van deze angstgevoelens?
1. Rabbi Akiwa meent, dat het hier gaat om mensen, die bij het zien van bloed of een getrokken zwaard flauwvallen.
2. Rabbi Jose stelt echter, dat het hier gaat om mannen, die vrezen te zullen sneuvelen door hun awerot (overtredingen): ”zelfs voor een kleine verbale misser, zoals spreken tussen het aanleggen van de arm- en hoofdtefillien” (B.T. Sota 44a).
Waarom komt de Talmoed met een voorbeeld van iemand, die – al dan niet per ongeluk – heeft gepraat tussen het opbinden van de tefillien? Omdat ook bij deze – geringe – awera sprake is van een oorzaak. Waarom zijn wij zo laks wanneer het aankomt op onze relatie met het Opperwezen? Rabbi Jochanan ben Zakkai (2e eeuw) zei op zijn sterfbed tegen zijn leerlingen: ”Mijn wens aan jullie is dat jullie vrees voor G’d even sterk is als jullie vrees voor de medemens” omdat iedereen weet, dat als wij op het punt staan een awera te doen , we om ons heen kijken of geen mens ons ziet. Kennelijk vrezen wij onze medemens meer dan G’d.
Om een volledig geintegreerde persoonlijkheid te worden die zichzelf en G’d recht in de ogen kan kijken, moet de onbesnedenheid van ons hart verwijderd worden. Er zit een soort `orla’ – een barriere, die perceptie van de alomaanwezige G’dheid tegenhoudt – in ons binnenste. Die moet worden verwijderd. Die is de oorzaak van alle menselijke ongevoeligheid – zowel intermenselijk als tussen mens en G’d. Maar dat kost veel tijd. Daarom moet hij voorlopig weg van het front.
