De maand Elloel, de voorbereidingsmaand voor de Hoge Feestdagen, wordt vergeleken met een vluchtstad (kitsoer sjoelchan aroeg 128:2). Als iemand geheel buiten zijn schuld een medemens had gedood of als er sprake was van een verdachte die nog niet voor de rechtbank was verschenen, moest hij zijn toevlucht zoeken in een van de zogenaamde vluchtsteden (bamidbar 35:11). De vluchtstad bood bescherming tegen mogelijke bloedwraak van familieleden van het slachtoffer en behoedde tevens de familie tegen een ongewenste confrontatie met de moordenaar van hun dierbare. In die vluchtstad moest de dader wonen, sterven en uiteindelijk moest hij daar ook begraven worden. So far so good. Het klinkt allemaal erg logisch en vooral humaan.
Maar: stel dat de vluchteling bij machte is om een medemens te redden die buiten de vluchtstad woont. Zou hij dan de vluchtstad tijdelijk kunnen verlaten? Pikoeach nefesj, levensgevaar, schakelt toch immers alle andere ge- en verboden uit. En als de bewoner van de vluchtstad het gehele Joodse volk zou kunnen redden, dan zou hij toch zeker de vluchtstad moeten kunnen verlaten…..
En toch luidt de wet dat hij nimmer uit de vluchtstad weg mag (makot hoofdstuk 2 11b): er bestaat in deze geen uitzondering, want:
Er zijn grenzen……
Het afgelopen jaar heeft het NIK met de Joodse Gemeente Amsterdam het voortouw genomen om met heel veel overgave te strijden tegen het verbod op de sjechieta. Hoewel er zeker iets bereikt is, zijn ze/we er niet in geslaagd om de aanname van het wetsvoorstel door de Tweede Kamer te voorkomen. De eenheid waarmee deze strijd is gevoerd, de energie die erin is geïnvesteerd, was imponerend. Had er desondanks zwaarder ingezet moeten worden? Is er toch sprake van te weinig betrokkenheid? Mijns inziens is er alles aan gedaan wat mogelijk was. En toch is het gehoopte resultaat uitgebleven. Maar ook hier geldt:
Er zijn grenzen…..
Je doet je best voor de gemeenschap en je staat voor ieder klaar. Je bent vrijwilliger en met grote overgave help je om de zieken te bezoeken, sociale bijeenkomsten te organiseren en aan ieder een luisterend oor te geven. Je doet wat je kunt en je doet het absoluut niet voor de kowed. Niemand weet eigenlijk hoe intensief je inzet is. Je cijfert jezelf bijna helemaal weg. En toch gaat het niet zoals je eigenlijk zou willen. Het verdriet van de ander neem je mee. Eigenlijk wil je meer doen, maar dat kun je geestelijk en lichamelijk niet aan. Laat je jezelf instorten?
Er zijn grenzen……
De maand Elloel is de maand van tesjoewa, tot inkeer komen. Wat heb ik verkeerd gedaan? Wat had ik beter kunnen doen het afgelopen jaar? Ik wil dawenen, maar kan niet lezen. Ik zit in een familiaire situatie die verre van ideaal is. Een Joodse opvoeding heb ik helaas nooit gehad en om nu nog de basis te gaan leren, kan ik niet meer aan. Ik huil diep in mijn hart. Hoe graag zou ik als een vrome Jood leven die zich aan alle wetten en gebruiken houdt en de keten van eeuwenlang Jodendom voortzetten. Ik ga dusdanig ver met mijn tesjoewa, inkeer, dat ik er depressief van word. Is dat de bedoeling van tesjoewa? Neen, want:
Er zijn grenzen……
In de maand Elloel nemen we onszelf onder de Joodse loupe. Hebben we als gemeenschap voldoende gedaan om de sjechieta te redden? Was onze inzet voor onze naasten voldoende? Heb ik serieus een zelfonderzoek ingesteld en verbeterpunten kunnen constateren?
Zelfs als de bewoner van de vluchtstad de hele gemeenschap zou kunnen redden, dan nog is het hem niet toegestaan de grenzen van zijn stad te overschrijden.
Er zijn grenzen……
De Thora is onze huidige vluchtstad. Toen onze voorouders Thora en Traditie ontvingen riepen ze luidkeels uit: na’asee we-nisj-ma. We accepteren en gaan naderhand proberen te begrijpen. Maar soms lukt het niet om iets te vatten, weten we het geen plaats te geven, omdat het de ratio volledig overstijgt. We moeten dan stoppen met denken. We kunnen niet de hele wereld helpen. We zijn vaak niet bij machte om de onverhoopte pijnlijke en moeizame situatie waarin we verkeren, te veranderen. Het gebeurt dat er soms echt geen uitwegen zijn. Piekeren we ons dan suf over iets dat we nooit zullen en kunnen begrijpen? We proberen zo goed mogelijk als Jood te leven, we doen wat we kunnen voor onze naasten, we zetten ons belangeloos in voor onze Joodse Gemeenschap en voor de samenleving als geheel. Maar toch:
Er zijn grenzen……
Ik wens u allen een gezond, goed en zoet 5772.
Moge al onze goede wensen en gebeden verhoord worden.
Moge het ons allen gegeven zijn dat we alleen maar goed doen.
Maar mogen wij ook de kracht hebben om de grens van het haalbare niet te overschrijden en waar nodig te aanvaarden. Want:
Er zijn grenzen……
Binyomin Jacobs, opperrabbijn
Amsterdam, Elloel 5771 – Rosj Hasjana 5772
