Parsja Nitsaviem vajelech 5771

Nitsaviem vajelech is een dubbelparsja, de 51e en 52e Tora-parsja, de 8e en 9e van Devariem. Beide tezamen bevatten ze 7 afdelingen waarvan 3 open en 4 gesloten, tellen ze 657 en 553 woorden, 2575 en 2123 letters, zijn ze zeer korte parsjiot en bevatten ze 2 mitsvot, geboden.

Zonder voorbereiding is er geen goede spirituele stijging mogelijk. Wanneer wij Rosj Hasjana naderen is tesjoeva de essentiële opdracht. Wanneer wij terugkeren tot G’d met heel ons hart en heel onze ziel is dat volgens de Tora geen al te moeilijke opdracht: ”Het is niet voor ons verborgen noch is het erg ver…Het is niet in de hemel zodat we ze moeten zeggen: ”wie kan voor ons naar het uitspansel opklimmen en het voor ons halen, zodat we er naar kunnen luisteren en het kunnen uitvoeren.” De zaak is dichtbij in onze mond en in ons hart om het te doen. Na berouw komt de verlossing. Wanneer wij tot G’d terugkeren met heel ons hart, zal G’d medelijden met ons hebben. Hij zal ons verzamelen uit de volkeren, zelfs uit de meest afgelegen gebieden.

VERDIEPING I: De techniek van het sjofar-blazen

Rosj Hasjana nadert met rasse schreden. Rosj Hasjana wordt in de Tora een “jom teroe’a” genoemd, een dag van bazuing­eschal. De term “jom teroe’a” komt drie keer voor in de Tora, waaruit de Chaga­miem afleidden dat wij minimaal drie tonen moeten blazen. Omtrent de exacte inhoud van het woord “teroe’a” bestaat enige machloket (controverse) tussen de Talmoedgeleerden. Moeten we het woord “teroe’a” vertalen met een “zucht” of is het Nederlandse equivalent “snik” beter? Een zucht is een langer geluid dan een snik. Snikgeluiden volgen elkaar bovendien sneller op dan zuchten. En mis­schien bedoelt de Tora met de term “teroe’a” wel beide geluiden in combinatie: verdrietige mensen zuchten doorgaans eerst heel diep en barsten daarna in snikken uit.

Teneinde tegemoet te komen aan al deze verschillende inzichten blazen wij alle mogelijke combinaties van zuchten en snikken, terwijl iedere combinatie voorafge­gaan en afgesloten wordt door een tekia, die eveneens in de Tora wordt voorge­schreven. Zo blazen wij:

tekia – sjewariem – tekia, waarin drie diepe zuchten centraal staan,

tekia – teroe’a – tekia, waarin korte snikken herkend worden, en

tekia – sjewariem/teroe’a – tekia, waarin de in zichzelf gekeerde mens uiting geeft aan zijn bedrukt gemoed in diepe zuchten, waarna een hevig gesnik doorbreekt.

Dit halachische vraagstuk – welke tonen en hoelang – lijkt zo op het eerste gezicht vreemd binnen de religieuze context van Rosj Hasjana maar is dit geenszins. De sjofar wil ons oproepen tot tesjoeva – inkeer over begane misstappen tegenover Hasjeem en de medemens. Tesjoeva betekent een gevoel van diepbeleefd en oprecht berouw. Zuchten en snikken zijn het uiterlijke teken van dit gevoel. De sjofar leidt deze emotionele expressie in, ondersteunt de sjoelbezoeker in de uiting van zijn gevoelens.

Maar er is meer: het woord “teroe’a” hangt samen met het Hebreeuwse woord “re’oet” – vriendschap. Wanneer wij de tonen van de sjofar horen weerklinken, proberen wij allen onze kleingeestige ruzies en menigsverschillen te vergeten, benaderen wij elkaar vriendschappelijk, vormen wij een eenheid, die allen dezelfde tefillot tot Hasjeem richten.

VERDIEPING II: Schrijf een sefer Tora

Velen hebben zich afgevraagd waarom wij de Bar-mitswa – kerkelijke meerderjarigheid -vieren door het oproepen van de 13-jarige voor de Tora. In de Tora–afdeling van deze week staat de opdracht om een Sefer-Tora te schrijven: “Welnu, schrijft u deze zang op en leer hem aan de kinderen Israëls.” (Deuteronomium 31:19). De Lubawitsjer Rebbe wijst erop dat men eigenlijk met de Bar-mitswa zou moeten beginnen met het uitvoeren van dit Bijbelse gebod. Toch gebeurt dit niet in de praktijk. De vraag is waarom.

De Lubawitsjer Rebbe stelt dat in feite iedereen, die lid is van een Joodse gemeente, de Mitswa – het gebod – om een Sefer-Tora te schrijven vervult. Wanneer men lid is van een Joodse gemeente, wordt het gemeentelijke Sefer-Tora specifiek voor alle gemeenteleden geschreven is. Reeds bij het schrijven van het Sefer-Tora werd dit dus geschreven voor alle leden. Wanneer een volwassene opgeroepen wordt voor de Tora, wordt hij op dat moment geacht de exclusieve eigenaar te zijn van de Tora-rol. Dan kan het hem ook aangerekend worden alsof hij dat Sefer-Tora zelf geschreven heeft. Wanneer men meeleest uit de Tora wordt ook “En leer hem de kinderen Israëls”, vervuld.

De Sofeer (ritueel schrijver) schrijft voor alle huidige kehille-leden. Maar hoe zit het voor de  toekomst? Hoe kan de schrijver voor de nog ongeboren leden iets schrijven? Dit is inderdaad onmogelijk maar wanneer het Sefer-Tora gecheckt en gecorrigeerd wordt, is de Sofeer weer bezig voor de gemeenschap. Omdat een Sefer-Tora met een fout ongeschikt is, wordt hij nu weer koosjer gemaakt door de correctie, en a.h.w. ook voor degenen, die na het schrijven van de oorspronkelijke Tora-rol geboren zijn, geschreven.

Een probleem is, dat iedereen eigenlijk een eigen Tora-rol hebben. Toch stelt de Lubawitsjer Rebbe dat ‘een partnership’ toegestaan is wanneer elke partner het volledig eigendom van de Tora-rol afstaat aan de ander op het moment dat deze het Sefer-Tora gebruikt. Dit kan vergeleken worden met een klassiek geval uit de Joodse wet. Vroeger kwam het veel voor, dat Joodse gemeenten in noordelijke landen maar één etrog per gemeente hadden. Omdat op de eerste dag van Soekot (Loofhuttenfeest) iedereen zijn eigen etrog moet hebben, werd er stilzwijgend afgesproken dat iedereen, die de etrog op een bepaald moment tijdens het gebed vasthield, automatisch eigenaar daarvan werd. Op deze wijze werd aan de Tora-eis, dat men eigenaar moet zijn van de etrog, voldaan. Hetzelfde geldt voor een Tora-rol. Wanneer men opgeroepen wordt voor de Tora wordt men beschouwd als eigenaar – en uiteindelijk ook opdrachtgever voor het schrijven – van de Tora-rol.

Wanneer de Bar-mitswa jongen voor het eerst opgeroepen wordt voor de Tora, vervult hij daarmee, symbolisch of reëel,  het 613e gebod: het schrijven en bezitten van een Tora-rol. Wellicht is dit de oorsprong van de gewoonte een Bar-mitswa jongen op te roepen voor de Tora zodra hij kerkelijk meerderjarig is.

Reacties zijn gesloten.