(Bereesjiet / Genesis 6:9 – 11:35)
Na Adam was corruptie, afgodendienst en onzedelijkheid gemeengoed. G’d besluit een geweldige vloed over de aarde te brengen. Noach krijgt opdracht een grote ark te bouwen. De regen duurt veertig etmalen en bedekt de hoogste bergtoppen. Na een tijd begint het water te zakken. Noach zendt een raaf en een duif uit om te zien of de aarde weer bewoonbaar is. G’d belooft nooit meer de wereld te verwoesten. De regenboog wordt het teken van die belofte. Noach plant een wijngaard en wordt dronken. Hij ligt naakt in zijn tent en Cham ziet hem. Hij vertelt het aan zijn broers Sjeem en Jafet, die met een deken over hun schouders achteruit de tent inlopen. Noach vervloekt Kena’an, de zoon van Cham. Na een tijd willen de mensen een toren bouwen die tot in de hemel reikt. Door de spraakverwarring verspreidt men zich over de aarde.
Noach is de 2e Tora-parsja, en staat in het eerste Toraboek Bereesjiet, Genesis. Noach bevat 18 afdelingen waarvan 5 open en 13 gesloten, telt 1860 woorden, 6907 letters, en is de 12 na langste parsja. Noach bevat geen mitsvot, geboden.
VERDIEPING I: ‘Wegkijkend’ gedrag kan een zegen zijn.
In Noach komen twee opmerkelijke passages over normen en waarden voor, die in deze epoche van Rutte en eurocrisis weer volop actueel zijn. De Tora benadrukt twee maal, dat “Sem en Jafet de naaktheid van hun vader niet zagen”. Zij spanden zich tot het uiterste in om zelfs niets onbetamelijks te zien!
Rabbi Menachem Mendel Schneursohn citeert ter verklaring een prachtig psychologisch inzicht van de Ba’al Sjem Tov (1700-1760):”Wanneer we een fout zien bij iemand anders, is dit een teken, dat wij mank gaan aan hetzelfde euvel. Het is alsof je in een spiegel kijkt. Als je vies bent in je gezicht, zie je je eigen vlekken”. Omdat onze eigenliefde onze tekortkomingen bedekt, hebben we de ander nodig om onze eigen fouten bewust te worden!
Volgens de Talmoed moeten wij onze naaste – zonder al te veel kleerscheuren – terechtwijzen, ook al moet dit honderd keer gebeuren. Wat met een ander gebeurt, is niet alleen voor ons maar ook voor onze naaste belangrijk. Maar al onze communicaties moeten op nette en invoelende wijze gebeuren. Zowel naar onszelf als naar anderen. Dit is een uiterst belangrijke opsteker, juist in ons ‘communicatietijdperk’.
Ook ongepast woordgebruik is uit den boze. Toen de dieren vlak voor de Zondvloed optrokken naar de Arke, beschrijft de Tora de onreine dieren als ‘dieren, die niet rein zijn’ (9:23). Hoewel het hier over roofvogels en jachtdieren gaat, wil de Tora niet het onsympathieke woord ‘tamee’ (onrein) gebruiken.
Uit onze mond en naar binnen in onze hersenen
Beide zijn belangrijk: wat uit onze mond komt en wat onze hersenen binnenkomt. Beide maken indruk op onze psyche. Maar ook hoe wij omgaan met onszelf bepaalt ons optreden naar de ander. Gelijk wij onze eigen missers het liefst zo snel mogelijk door de vingers zien, moeten wij anderen vergevingsgezind en menselijk tegemoet treden.
Zien en spreken. Wanneer wij anderen zien ‘dwalen’ moeten wij hen liefdevol weer op de rechte pad zetten. Maar de fouten, die wij bij anderen bespeuren, reflecteren ook op onszelf. De ander houdt ons een spiegel voor.
Sem en Jafet gingen nog een stapje verder in fijngevoeligheid: “en de naaktheid van hun vader zagen zij niet”. Niet alleen zagen zij de schaamte van hun vader niet in fysieke zin maar ook waren zij zich nauwelijks bewust van hun vaders fout. Het enige wat hen interesseerde was hoe zij de schande voor de omgeving konden bedekken.
De episode van Noach leert ons, dat we niet alleen andermans tekortkomingen niet uitvoerig moeten bespreken maar dat het beter ware, indien wij hier niet eens over zouden nadenken. Alleen waar andermans tekortkomingen gecorrigeerd kunnen worden – in mijzelf vanwege de spiegelfunctie of bij de ander door invoelende terechtwijzing – is het de moeite waard missers en failures te bespreken.
Dit ‘wegkijkend’ gedrag – wanneer het niet getuigt van liefdeloze onverschilligheid en desinteresse in het wel en wee van de ander – zou een zegen zijn voor Nederland anno 5772/2011. Zinloos geweld zou vervangen moeten worden door zinloze liefde. Pas dan verandert er werkelijk iets in de maatschappij.
VERDIEPING II: Met eenheid onder de mensen kan men alles bereiken.
De torenbouwers van Babel wilden een stad en een toren bouwen waarvan de spits in de hemel reikte om zich een naam te maken. Volgens één uitleg richtte de `spits’ zich tegen de Hemelheer. Zij meenden dat ze G’d konden aanvallen. Hun koning heette Nimrod, die in zijn expansiedrift over de hele wereld wilHasjeemsen. Toen hij zag dat alle volkeren zich begonnen te verspreiden en zijn invloed minder werd, zocht hij naar een methode om iedereen bij elkaar te houden.
Hij bouwde een hoge toren als centraal oriëntatiepunt tegen verspreiding maar tevens om duidelijk te maken hoe machtig hij was. In zijn hoogmoedsverplettering meende hij het te kunnen opnemen tegen G’d. Nimrod wilde dat de hele wereld zijn naam zou verheerlijken ten koste van die van G’d.
Goed op intermenselijk vlak
G’d frustreerde zijn plannen en liet iedereen een andere taal spreken. Hun eenheid werd verbroken. Daardoor konden ze zich niet meer verenigen achter één koning. Nimrods plannen werden verijdeld. Zij kregen een veel lichtere straf dan de mensen uit de tijd van de Zondvloed omdat de mensheid in de tijd van Nimrod tenminste op het intermenselijke vlak goed was. Wanneer er eenheid is onder de mensen kan men alles bereiken.
In de Zohar trekt men hieruit de volgende conclusie: als reeds slechte mensen in eenheid veel kunnen bewerkstelligen, geldt dit toch zeker voor goede burgers, die zich verenigen voor goede doelen, om Tora en Mitsvot uit te voeren. Als zij een eenheid vormen, kunnen zij tot grote hoogten reiken. Dit is uiterst actueel. Alleen als onze gemeenschap zich tot een eenheid verenigt, kunnen wij grote doelen te realiseren.
Is de torenbouw van Babel nog actueel? Ik denk dat wij voortdurende bezig zijn hoge torens van onszelf te bouwen om maar niet te hoeven luisteren naar G’ds woord. Velen geloven meer in de wetenschap dan in G’d. De wetenschap is inderdaad tot grote hoogten gestegen. Het menselijk verstand, de rede, wordt vaak tegenover het geloof in G’d gesteld. Het omgekeerde is echter waar. Wanneer we lang nadenken over de schepping wijst dat op de nietigheid van de mens en de almacht van G’d.
De grote wijsheid van G’d, die verborgen ligt in de natuur is slechts een vingerwijzing. In feite doet de wetenschap niets anders dan ontdekken wat er allemaal verborgen ligt in het universum. We voegen niets toe aan de Schepping. Het enige wat we doen is correlaties ontdekken tussen fenomenen in de natuur. Dit is ook wat koning David in zijn Tehilliem (Psalmen 8) zegt: ‘Wanneer ik Uw hemel zie, het maaksel van Uw vingers, de maan, de sterren die U heeft bereid, wat is dan nog de mens dat u hem zult gedenken en het mensenkind dat U naar hem omziet, o G’d, hoe groot is uw naam over de hele wereld!’.
God daalde af om de stad te zien. Het woord afdalen zit de verklaarders enigszins dwars. G’d is toch overal? Seforno (16e eeuw, Italië) legt dat `afdalen’ uit: G’d kijkt niet alleen naar de handelingen van de mensen maar ook beoordeelt Hij de gevolgen daarvan. Hij daalt af tot het einde van iedere handeling.
Seforno’s opmerking geldt voor alle gedrag van de mens. Iedere daad heeft enorme gevolgen. Ook voor de gevolgen wordt men verantwoordelijk gehouden. Dit geldt niet alleen in het privé leven. Wanneer men iets kan doen voor de gemeenschap en dat nalaat, heeft dat ook consequenties. Ook daarvoor is men aansprakelijk. Aan de andere kant heeft ook al het goeds dat men doet positieve gevolgen, waarvoor men beloning krijgt. Wanneer men meerdere mensen onder de vleugels van de G’ddelijke majesteit heeft gebracht is dit ook weer een verdienste voor vele generaties.
