Parsja lecha lecha

(Bereesjiet / Genesis 12:1 – 17:27)
LECH LECHA (ga (voor jezelf)). G’d beveelt Avram zijn geboortegrond te verlaten en belooft hem tot een groot volk te maken. Wegens een hongersnood daalt hij af naar Egypte, waar zijn vrouw Sarai geschaakt wordt door de Egyptenaren. G’d zendt ziekten zodat Sarai ongedeerd blijft.

Daar er te veel vee is geeft Avram zijn neef Lot de keus waar hij zich zal vestigen. Hij kiest voor de vruchtbare grond richting Sedom. Na een oorlog redt Avram de krijgsgevangen Lot. Avram krijgt een visioen, dat zijn nakomelingen 400 jaar onder een vreemd juk gebukt zullen gaan, maar dat ze rijk aan bezit zullen weerkeren in hun land. Na tien jaar huwelijk heeft Sarai nog geen kinderen. Daarom vraagt ze Avram een kind bij Hagar te verwekken. Er komt ruzie en Hagar vlucht de woestijn in. Haar zoon heet Jisjmaeel. G’d geeft Avram de opdracht zichzelf en alle mannen en jongens in zijn huis te besnijden. Avram heet in het vervolg Avram en Sarai Sara. Daarna belooft G’d het echtpaar een zoon, ondanks hun leeftijden: 100 en 90 jaar!

Lech Lecha is de 3e van de 12 parsjiot van het eerste boek van de Tora, Bereesjiet, bevat 126 pesoekiem (verzen) en 1 mitswa: de Beriet-Mila.

VERDIEPING I: Orla is blokkade

Adam werd besneden geschapen. Want G’d schiep de mens naar Zijn evenbeeld. Toch stelt Rabbi Jitschak, dat Adam zijn voorhuid uitrekte en zijn besnijdenis bedekte (Sanhedrin 38b).

Een raadselachtige traditie. De fysieke besnijdenis bestaat uit het verwijderen van de orla (voorhuid) en het terugslaan van het onderliggende vliesje. Orla betekent blokkade. Fruit uit de eerste drie jaar na het planten van de boom heet orla vanwege het verbod om hier profijt van te hebben (Vajikra/Lev. 19:23). Weerstand tegen inkeer heet “orlat haleev”: onbesnedenheid van het hart.

Zouden we onze zuiverste verlangens volgen, dan zouden we alleen dicht bij Hasjeem willen zijn. Het hart zou moeten verlangen naar hereniging met het G’ddelijke waar het deel van uitmaakte voordat het in contact kwam met dierlijke impulsen en onze alles verwoestende egoïstische hebberigheid. Waarom spoort het hart ons dan niet aan tot inkeer? Omdat we afstompen en wennen aan luxe, onethische praktijken en de overtuiging, dat dit allemaal bij de dagelijkse routine hoort. Wanneer dat gebeurt, ontstaat er een barrière tegen die roep tot inkeer. Deze blokkade heet de orla van het hart.

Iedereen voelt die weerstand wel eens. Als we vol overtuiging zijn begonnen aan iets, dat achteraf een verkeerde keuze blijkt te zijn, is het erg moeilijk te zeggen: “ik zat fout”. Waarom? Omdat de orla van het hart aan eerlijkheid in de weg staat.

De voorhuid vormt een blokkade tegen kedoesja (heiligheid). Adam werd zonder voorhuid geboren omdat hij dicht bij de Schepper stond. Adam was zo verheven, dat de Engelen dachten dat hij een G’ddelijk wezen was. Ieder aspect van de schepping was glashelder voor Adam. Zijn lichaam scheen als de zon. Adams nabijheid tot Hasjeem uitte zich fysiek in het feit dat hij besneden geschapen was. Er stond geen orla tussen hem en G’d. Niets scheidde Adam van G’d.

Toen hij zondigde, veranderde Adams karakter. Tot dat moment was hij zuiver en puur. G’ddelijkheid was voor hem normaal. Zonde was iets verwerpelijks. Toen hij Hasjeems opdracht eenmaal had genegeerd, viel hij ten prooi aan zijn aardse drives en begon hij zijn daden goed te praten. Verleiding werd normaal en hij kwam steeds verder van G’d te staan. Toen G’d hem aansprak op zijn overtreding haastte hij zich om zichzelf te verdedigen in plaats van berouw te tonen. Zijn menselijke kwetsbaarheid werd direct zichtbaar.

Door toe te geven aan zonde, viel Adam ten prooi aan het aardse waar hij over had moeten heersen. Door zijn blik naar beneden had hij geen oog meer voor het Hogere. Zijn falen creëerde een blokkade. Deze blokkade uitte zich in zijn lichaam toen het teken van nabijheid tot G’d, zijn besnijdenis, werd bedekt door aangegroeide huid.

De zondeval van Adam sleurde de hele mensheid mee. Adam en Chava wáren de mensheid. De voorhuid werd het symbool bij uitstek van de blokkade tussen mens en G’d. Twintig generaties duurde het totdat de mens weer verheven werd uit dit psychische dal. Metoesjelach en Noach waren eenzame sterren aan een grauwe horizon. De mensheid was gevallen en wachtte op iemand die de kwaliteiten bezat om niet alleen zichzelf spiritueel te redden maar ook de hele mensheid (Maharal).

Tot Avraham zat de mensheid gevangen in een neerwaartse spirituele spiraal en raakte steeds verder verwijderd van haar oorspronkelijke doel. Toen verkondigde Avraham een nieuwe levensfilosofie: hij erkende G’ds alomtegenwoordige wereldleiding. Hij zou de vader worden van een volk dat zijn visie zou voortzetten. Avrahams missie was om tegen G’ds sceptici in te gaan totdat alle volkeren Israëls G’ddelijke boodschap zullen erkennen.

Avraham zag Hasjeem overal, zonder enige blokkade. Avraham liet zien dat dit fysieke obstakel voor spirituele groei verwijderd moet worden. G’d erkende deze verandering in Avrahams spirit door hem het gebod van de briet mila te geven. De briet-mila symboliseert onze opdracht tot ongelimiteerde geestelijke groei.

VERDIEPING II: Verbond tussen de stukken

G’d sluit met Avram het verbond tussen de stukken en voorspelt ballingschap en Exodus. Van Genesis15:9 zijn verschillende vertalingen mogelijk: “En HaSjeem, G’d zei tot Avram: Neem Mij een driejarige koe, en een driejarige geit, en een driejarige ram, en een tortelduif, en een jonge duif”. Men kan het ook vertalen als drie koeien, drie geiten en drie rammen.

Avram moest de dieren in stukken snijden. Wat was de betekenis van dit verbond tussen de stukken? Er zijn verschillende verklaringen.

Uitleg 1: verzoening door offers

Met het verbond tussen de stukken beloofde G’d Avram een offersysteem, waarbij de toekomstige zonden zouden kunnen worden vergeven. De drie koeien staan tegenover het offer op Jom Kippoer, het offer wanneer een Beet Dien (rechtbank) een fout had gemaakt en het kalf waarvan de nek gebroken wordt, wanneer er iemand dood aangetroffen wordt en de moordenaar onbekend is.

Drie geiten symboliseerden de geitenoffers op Jom Kippoer en het extra zondoffer wanneer er een individu gezondigd had.

De drie rammen stonden voor het schuldoffer van iemand die zeker had gezondigd, het schuldoffer van degene die twijfelde of hij had gezondigd en het zondoffer voor een persoonlijke overtreding. Daarnaast werden de duif en de tortelduif niet in stukken gesneden.

Uitleg 2: toekomstige wereldrijken

Hasjeem liet in het visioen bij het verbond tussen de stukken ook zien hoe hun toekomstige vervolgers eruit zouden zien. Hij beloofde het Joodse volk te verspreiden maar ze ook weer in te zamelen en hun beulen te straffen.

Volgens deze tweede vertaling en uitleg ging het niet om telkens drie dieren maar om driejarige dieren. Deze symboliseerden toekomstige wereldrijken die over het Joodse volk zouden heersen. De dieren moesten drie jaar oud zijn. Dit symboliseert dat Israël driemaal bezet zou worden, door elk rijk afzonderlijk, door verschillende bondgenootschappen. In derde instantie zullen alle volken samen optreden tegen de Masjie’ach.

Edom is Rome die als een koe alles in zijn omgeving vertrapt en de hele wereld aan zich zou onderwerpen. De bok symboliseert het Griekse rijk. Alexander de Grote zou heersen over Israël. Met de ram wordt het rijk van de Meden en de Perzen gesymboliseerd. De os staat voor het Arabische rijk en de duif is Israël. Zo staat het ook in het Hooglied: “Eén is mijn duif, mijn volledige partner”.

Avraham sneed de dieren in tweeën. Daarmee verzwakte hij de wereldse machten. Alleen de duif, symbool van het Joodse volk, sneed hij niet door.

Twee tegenover twee

Genesis 15:11 ‘’En het wild gevogelte kwam neer op het aas; maar Avram joeg het weg’’.

In zijn visioen zag Avram een grote roofvogel die al die dieren verslond. Dit was een symbool voor de Masjie’ach. Er verscheen een vuur tussen de stukken. G’d liet Avram vier belangrijke toekomstige vuurgebeurtenissen zien: de Openbaring op Sinai, het Beet Hamikdasj (de Tempel), de grote wereldmachten, en Gehinnom (de hel) voorbij. Hasjeem beloofde, dat wanneer de Bnee Jisra’eel zich met de Tora en de Tempel zouden bezighouden, de wereldmachten en Gehinnom machteloos zouden staan. Maar zodra het Joodse volk de eerste twee links zouden laten liggen, zullen Gehinnom en de grote rijken over het Joodse volk heersen.

Gebaseerd op Parsjiot hasjawoe’a lefie Chazal met toestemming van de auteur

Reacties zijn gesloten.