Parsja Chajee Sara 5772

(Bereesjiet/ Genesis 23:1 – 25:18)

CHAJEE SARA (het leven van Sara). Sara sterft op de leeftijd van 127 jaar. Awraham rouwt over haar en wil haar begraven in de spelonk Machpela. Maar die is in het bezit van Efron, een Chitiet. Awrahams koopt deze. Daarna draagt Awraham zijn trouwe knecht op een goede vrouw voor Jitschak te zoeken maar geen Kena’anietische. De knecht zweert dat hij uit de familie van Awraham een vrouw zal zoeken, waartoe hij naar Aram Naharajiem reist. Hij heeft grote geschenken meegenomen. Onderweg vraagt de knecht G’d dringend hem een bepaald teken –dat hij zelf vaststelt- te geven wanneer de juiste vrouw opdoemt. De knecht arriveert bij een bron als ook Rivka verschijnt en hem op zijn verzoek te drinken geeft en ook de kamelen drenkt. Dat is precies waar de knecht G’d om gevraagd had! De knecht wordt ontvangen in het ouderlijke huis van Rivka, waar hij zijn verhaal vertelt. Na enige tijd wordt men het erover eens dat Rivka, na ook haar instemming gevraagd te hebben, met de knecht naar Jitschak meegaat. Jitschak en Rivka trouwen. Hij bemint haar en troost zich over de dood van zijn moeder. Awraham hertrouwt met Ketoera, die zes kinderen krijgt, maar Awraham zendt hen allemaal –met geschenken- weg. Awraham sterft op de leeftijd van 175 jaar. Hij werd door Jisjmaëel en Jitschak in de spelonk Machpela begraven.

Chajee Sara is de vijfde parsja in de Tora. De Tora heeft 54 parsjiot, het eerste boek Bereesjiet bevat totaal 12 parsjiot. Chajee Sara telt 105 pesoekiem, verzen en 1402 woorden en is hiermee de 32e na langste parsja. Het bevat geen mitsvot, geboden.
VERDIEPING I:

Zij, die G’dbewaar een kind verloren hebben, weten dat de gedachte daaraan alleen al zeer verstrekkende gevolgen kan hebben. Ik heb de zware rouw bij mijn ouders meegemaakt toen mijn broer Sem overreden was.
Sara stierf uiteindelijk van het bericht, dat Jitschak geofferd was. Zij wist niet, dat Jitschak het overleefd had. Wat was er gebeurd?
Avraham had de indruk dat hij Jitschak moest offeren. Hij was direct bereid maar wist hoe zijn vrouw Sara zou reageren. Emotioneel ontdaan stemde Sara in. Ze wilde alleen niet dat hij lang weg bleef.

Maar Sara kon hem niet loslaten. Ze huilde continu. Ze kuste hem, nam hem ’s nachts bij zich. Ze leerde hem zelfstandig te zijn. Sara bezwoer Avraham goed op hem te passen. Ze bleef maar huilen. Ze gaf Jitschak de mooiste kleren mee, begeleidde hem een stuk maar bleef ontroostbaar. Ze vreesde hem nooit meer te zien. Ze nam uiteindelijk afscheid en volgde haar dienaressen. Jisjma’eel en Eliëzer begeleidden Avraham en Jitschak op hun weg.

Satan verscheen Sara nu als een oude man: “Avraham heeft je zoon geslacht als een beest. Niemand kon hem redden”. Sara huilde vreselijk: “Mijn zoon, ik had in jouw plaats willen sterven. Moest ik je daarvoor baren en opvoeden? Je bent op mijn oude dag op de wereld gekomen, en veel te vroeg weer weggegaan”. Na enige tijd begreep ze dat Avraham dit gedaan moest hebben in opdracht van G’d. Als versteend bleef zij lange tijd zitten. Toen stond zij op. Ze ging Jitschak en Avraham zoeken in Chevron. Niemand kon haar vertellen waar ze waren. Ze ging naar de jesjiva, de leerschool. Daarna kwam Satan en vertelde haar dat hij onwaarheid had gesproken: “Jitschak leeft!” Al deze verwarrende emoties kon Sara niet meer aan. Uitgeput stierf zij. Toen Avraham en Jitschak thuiskwamen, was Sara niet meer. Zij hoorden van de dienstmeisjes wat er met Sara gebeurd was. Helaas! (gebaseerd op Parsjiot hasjavoea lefi Chazal, met toestemming van de auteur).

VERDIEPING II: VRIENDEN VAN MUIDERBERG
Deze week staat de aankoop van het graf de Machpela voor Sara centraal. Vanuit grote Joodse centra worden regelmatig pelgrimstochten georganiseerd naar de Machpela om daar te davvenen. Wereldwijd worden vele oude begraafplaatsen gerestaureerd en intensief bezocht. Begraafplaatsen blijven een bron van inspiratie. Mijn vader z.l. noemde sommige leden wel eens `vrienden van Muiderberg’ omdat zij tijdens hun actieve leven nooit zoveel `deden’ aan hun Jodendom maar hun innige verbondenheid met ons Joodse erfgoed lieten blijken door een Joodse begrafenis.

Er zijn 234 Joodse begraafplaatsen in ons land. Het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK) beheert hiervan 231. Het Portugees Israëlitisch Kerkgenootschap heeft één begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel. De begraafplaatsen Scheveningen en Middelburg dragen een gemengd Hoogduits en Portugees karakter.

Veel Joodse gemeenten werden na 1945 opgeheven. Uit piëteit voor de vroegere Joodse medeburgers verzorgt de burgerlijke gemeente vaak het onderhoud. Dit beperkt zich meestal tot het maaien van het gras, het snoeien van hagen, het begaanbaar houden van de paden en het in een redelijke staat houden van toe¬gangshekken en muren. Buiten deze werkzaamheden vallen bijna altijd het onderhouden van grafzerken en ingrijpende herstelwerkzaamheden aan muren en metaheer-huizen (weenhuizen).

Tijdens de oorlog werden veel begraafplaatsen door de Duitsers met rust gelaten, hoewel er ook in Neder¬land wel degelijk zerken zijn vernield en begraafplaatsen werden beschadigd door militair geschut.

Elke Joodse gemeente is verplicht om vier registers bij te houden: voor besnijdenissen, huwelijken, overlijdens en de naamvoering van meisjes.

Het woord ‘begraven’ wordt op zerken nooit gebruikt. Men gebruikt synoniemen als ‘geborgen’ of ‘verbergen’. Met de voeten naar het oosten gekeerd, naar Jeruzalem, ligt men tot de opstanding der doden verborgen.
In de volksmond heet de Joodse begraafplaats nog wel ‘Joden-kerkhof’ maar dit is een onjuiste benaming. Een kerkhof is een begraafplaats rondom een kerk. Een begraafplaats rond een synagoge is (bijna) niet voorstelbaar.

Alles wordt in het werk gesteld om het eigendom van deze heilige plaatsen te behouden. Minchat Elazar staat in noodgeval toe een Tora rol te verkopen om de eeuwige rust te verzekeren.

De begraafplaats heet de verzamelplaats van al het levende, omdat iedereen eens daar terecht zal komen. De benamingen beet olam ‘huis der eeuwigheid’ en beet chaim ‘huis der levenden’ bena¬drukken de gedachte, dat het geestelijke aspect van de mens, zijn nesjomme (ziel), nooit afsterft en voor eeuwig voortleeft. Verder komt in deze termen de hoop naar voren, dat de overledenen in de tijd van de Masjiach zullen herleven.

De term huis (i.p.v. veld of akker) suggereert het idee, dat deze wereld van tijdelijke aard is en slechts de toekomstige wereld een bestendig karakter heeft, zoals een huis in onze belevingswereld ‘vastigheid’ betekent.

Begraafplaatsen in Israël en met name die rond Jeruzalem waren erg fraai. De Talmoed vertelt, dat men koning Nebukadnetsar van Babylonië eens meedeelde, dat de begraafplaatsen rond Jeru¬zalem fraaier waren dan zijn paleis.

Sinds de verwoesting van de Tempel in 70 n.d.g.j. worden nog slechts eenvoudige graven en zerken (matsevot) gemaakt. Tegenwoordig wordt het zelfs ernstig afgeraden om veel geld te besteden aan het graf of matseva. Men kan het beter verdelen onder de armen. Rabbi Jechiel Epstein schrijft: ‘Een fraaie zerk is geen eerbetoon in de Wereld van Waarheid’. Goede mensen –tsadikiem- behoeven eigenlijk über¬haupt geen matseva. Hun goede naam is voldoende als aandenken.
Rabban Gamliëel (2e eeuw), een vorst in Israël, gaf het goede voorbeeld en liet zich, ondanks zijn hoge aanzien, begraven in eenvoudige witte linnen kledij, opdat allen dit zouden volgen. Volgens de Sjoelchan Aroech (Joodse wetboek) overtreedt men het verbod van ‘bal tasjchiet’ (zinloos ver¬nietigen) met overtollige doodskledij. Te veel luxe op begraafplaatsen is ongepast. Toch moeten de graven goed onderhouden worden. De graven moeten in rechte rijen naast elkaar liggen, opdat bezoekers niet over de graven heen hoeven lopen. Ter voorbereiding op de Ontzagwekkende Dagen Rosj Hasjana, Joods Nieuwjaar en Jom Kippoer, Grote Verzoendag bezoekt met de begraafplaats om tot ernstige overpeinzing te komen.

Reacties zijn gesloten.