Parsja Toledot 5772

(Bereesjiet/Genesis 25:19-28:10)     

TOLEDOT (letterlijk: geslachten). Twintig jaar blijft Rivka kinderloos. Als ze dan zwanger is, voelt ze zoveel beweging, dat ze bij G’d te rade gaat. Hasjeem zegt haar dat ze een tweeling draagt. Hun wegen zullen ver uiteen gaan. De oudste zal de jongste dienen. Bij de bevalling blijkt de jongste de hiel van de eerstgeborene vast te houden, reden waarom hij Ja’akov (hielelichter) genoemd wordt. De oudste heet Esau. Deze wordt jager, Ja’akov is een tentbewoner.

Op een dag komt Esau moe en hongerig van de jacht terwijl Ja’akov linzensoep kookt. Ja’akov wil hem soep geven als hij zijn eerstgeboorterecht verkoopt. Esau denkt dat hij toch spoedig sterft en staat het eerstgeboorterecht af. Jitschak trekt naar Gerar vanwege een hongersnood en zegt dat Rivka zijn zuster is. Jitschak wordt erg rijk en de koning van Gerar verzoekt hem het land te verlaten.
Jitschak graaft de putten uit die zijn vader eerder had gegraven. Als Jitschak zijn einde voelt naderen, roept hij Esau om hem de eerstgeboren-zegen te geven, nadat deze hem een malse bout van de jacht heeft verschaft. Rivka hoort dit en draagt Ja’akov op zijn vader uit de kudde een gerecht te bereiden om de eerstgeboren-zegen in ontvangst te nemen. Ja’akov is nog niet weg met de beracha of Esau komt met het gevraagde gerecht. Jitschak schrikt geweldig als hij het bedrog merkt, maar handhaaft toch de zegen voor Ja’akov, ondanks het bittere verwijt van Esau.
Rivka verneemt dat Esau zijn broer wil doden na de dood van Jitschak en stuurt Ja’akov naar haar broer Lawan om uit de familie een vrouw te zoeken.
Toldot is de zesde parsja in de Tora. De Tora heeft 54 parsjiot, het eerste boek Bereesjiet bevat totaal 12 parsjiot. Toldot telt 106 pesoekiem, verzen, 1432 woorden en 5426 letters en is hiermee de 29e na langste parsja. Het bevat geen mitsvot, geboden.
Verdieping I: De stem is de stem van Ja’akov

De eerste generatie Aartsouders waren Avraham en Sara. De tweede generatie waren Jitschak en Rivka. De derde generatie wordt nu geboren: de rode Esau en de `hielenlichter’ Ja’akov, die bij de geboorte de hiel van Esau vasthield. De meeste mensen vinden Ja’akov een bedrieger maar Esau een oprechte jager, die in ieder geval niet schijnheilig was.
Uiteindelijk verkleedt Ja’akov zich als Esau en krijgt de zegen van vader Jitschak. Ja’akov had die eerstgeborenzegen al vijftig jaar eerder gekocht van de depressieve Esau maar dat was iedereen al weer vergeten. Esau was dus eigenlijk de oplichter! Maar Jitschak wist niets van die verkoop want Ja’akov hield zijn mond. Hij wilde zijn broer Esau niet beschaamd zetten. Wat een plot!

Jitschak wilde Esau zegenen. Maar waarom geeft de blinde Jitschak de zegen dan aan Ja’akov? Hij kon toch aan zijn stem horen, wie voor hem stond?! Omdat de man die voor hem stond de ideale Jood was: de handen waren de handen van Esau en de stem was de stem van Ja’akov. Handen betekent gewoon werken en de stem is Toraleren. De ideale Jood werkt gelijk Esau en leert Tora zoals Ja’akov. Het ging Jitschak om de voortzetting van de Joodse traditie. Die wilde hij versterken met een zegen. Hij zegende de ideale Jood en niet zozeer een van zijn zoons.

Maar waarom hield Jitschak meer van Esau als Ja’akov veel `Joodser’ was? Jitschak zag Esau als zijn zwakke zoon en investeerde heel veel tijd en aandacht in hem. Daarom hield Jitschak meer van Esau. Jitschak had geen omkijken naar Ja’akov, die zijn geestelijke ontwikkeling wel zelf kon waarmaken. Ja’akov had Jitschaks hulp niet nodig.
 
Nog een reden waarom Jitschak van Esau hield was omdat Esau hem buitengewoon eerde. Esau droeg zijn beste pak wanneer hij zijn vader bediende.
Bij zijn overdreven eerbetoon had Esau een bijbedoeling. Hij was bang dat hij het huis uitgezet zou worden. Dat was in de vorige generatie al gebeurd toen Avraham zijn zoon Jisjmaeel wegstuurde en Jitschak aanstelde tot opvolger. Esau was zelfzuchtig in zijn eerbied. Daarom eerde hij alleen zijn vader maar niet zijn moeder. Hij ging er overigens van uit, dat zijn vader snel zou sterven.
Esau handelde uiterlijk naar `Eer uw vader’ maar vergat de achtergrond van dit vijfde gebod van de Tien.

Wat is die achtergrond? Dankbaarheid? Dankbaarheid is inderdaad een prachtige eigenschap maar het kind zou kunnen tegenwerpen, dat hijzelf nooit om het leven gevraagd heeft. Leven is – als het eenmaal is geschonken – een twijfelachtige gunst, aldus de Talmoed.

Maar waarop is eerbied voor ouders dan wel gebaseerd? Werd dit gebod gegeven als stabilisator voor de relaties binnen het gezin? Bevordert dit de stabiliteit van de maatschappij omdat gezin of familie de bouwstenen vormen van een evenwichtige maatschappij?
Bij Rabbi Levi Ben Gersjom (14e eeuw) en Don Jitschak Abarbanel (15e eeuw) gaat het om het behoud van het traditionele Jodendom. Eerbied voor ouders wordt zo meer een middel dan een doel: ‘respect voor de ouders verzekert ons ervan, dat de volgende generaties de lessen van hun voorouders zullen overnemen en zo de Tora in ere zullen houden. Het is bedoeld om het aanzien van de Joodse traditie van de ouders te verhogen zodat de kinderen erin zullen geloven en erop zullen vertrouwen. Daarom staat eerbied voor ouders tussen de eerste vijf van de Tien Geboden, die de relatie tussen mens en G’d regelen’. Respect voor de ouders, overdragers van het geloof, versterkt het respect voor hun traditie. Uiteindelijk wekt het een sfeer van gehechtheid aan het gezag van de traditie op.
Maar dit aspect vatte Esau niet. Hij viel uit de familie. Zijn kinderen werden uiteindelijk bittere vijanden van ons volk en de Joodse traditie.

Feuilleton en Verdieping II: Toradenken is harmonisch denken

Met onze derde Aartsvader Ja’akov begint het Joodse volk gestalte te krijgen. Ja’akov wordt de `amoed haTora – de pilaar van de Tora’ genoemd. Maar wat is dat Tora-denken eigenlijk? Wat voor gedachtepatroon volgen onze Rabbijnen nu precies?

Totale samenhang
De traditionele denkwijze binnen het Rabbijnse Jodendom volgt een harmonisch patroon, als een levend geheel waarbij alles met alles samenhangt. Hiermee doel ik op een analogie van het menselijk lichaam met intellectuele processen. Het lichaam bestaat uit een aantal organen, die onderling verbonden zijn en via de bloed- en zenuwbanen met elkaar in contact staan. De medische wetenschap heeft inmiddels echter aangetoond dat er nog veel meer banen en verbanden bestaan tussen de verschillende lichaamsdelen en organen dan de twee genoemde.
Iedereen heeft wel eens ervaren wat deze onderlinge samenhang van de organen kan betekenen. Een ingroeiende teennagel die zich helemaal onderin het lichaam bevindt, kan zoveel pijn veroorzaken dat het hoofd, boven in het lichaam, zijn werk niet kan doen. Een infectie in de lin¬kerarm kan ook van invloed zijn op het functioneren van de rechterarm. Het lichaam is één groot, samenhangend geheel. Dit brengt met zich mee dat één enkel orgaan, op zichzelf beschouwd en zonder verband met de rest van het lichaam, geen functie of betekenis kan hebben. Een enkel orgaan ontleent haar betekenis aan haar relatie tot het geheel.

Een samenhangend complex van ideeën
Naar analogie van het lichaam en haar harmonische, interne samenhang kunnen we nu begrijpen wat harmonische samenhang op conceptueel niveau kan betekenen. De Rabbijnse denkwijze kent een samenhangend complex van ideeën, concepten en begrippen, die eerder harmonisch dan logisch aan elkaar verbonden zijn. Het ene concept volgt niet uit het andere via een logische oorzaak gevolg relatie; de onderlinge samenhang is van veel grotere betekenis. Daarzonder verliest elk concept zijn zin.

Strijdige ideeën
Verder leidt de samenhang binnen het harmonisch denken ertoe dat de grenzen van de concepten en terminologieën niet erg zuiver getrokken kunnen worden. Geen enkel concept staat in een logische en onvermijdelijke oor¬zaak gevolg-relatie tot andere concepten. Ook kan men niet zeggen dat een be¬paalde feitelijke situatie door één enkel theologisch concept gedekt wordt of geïnterpreteerd kan worden aan de hand van een enkele combinatie van ideeën. Elk idee en elke situatie kunnen beschouwd worden vanuit verschillende gezichtshoeken, vanuit verschillende conceptcombinaties.
Vandaar dat men in de Rabbijnse literatuur nogal eens met elkaar ‘strijdige’ interpretaties aantreft van een identiek fenomeen. Zo vindt men enerzijds de uitspraak dat G’d de toewijding van een Torageleerde aan de Torastudie zo hoog opvat, dat hij de man niet voorziet van allerlei aardse goederen om¬dat deze hem van zijn studie zouden kunnen afhouden. Aan de andere kant vinden we de mening dat rijkdom een beloning kan zijn voor ononderbroken Torastudie. Spreken deze gezegden van de Rabbijnen elkaar tegen? Op het eerste gezicht wel maar beschouwd vanuit het harmonisch denken niet. De eerste uitspraak verbindt de Torastudie met het idee van G’ds liefde voor hen, die zich dag en nacht aan de Tora wijden, het tweede gezegde brengt het idee van G’ds rechtvaardigheid naar voren.

Reacties zijn gesloten.